Site-archief

The Mersey Sound

Adrian Henri, Roger McGough en Brian Patten

.

In 1967 publiceerde Penguin Books ‘The Mersey Sound’ nummer 10 in The modern poets series. In deze bundel stonden zo’n 100 gedichten van de Liverpoolse dichters Adrian Henri (1932-2000), Roger McGough (1937) en Brain Patten (1946). Van deze bundel zijn meer dan 500.000 exemplaren verkocht, meer dan van welke bloemlezing in het Verenigd Koninkrijk ooit. In 2009 werd in het Victoria Gallery and Museum een tentoonstelling georganiseerd over deze drie dichters en hun kunst. In dat zelfde jaar werd door de universiteit van Liverpool werk aangekocht uit de erven van Adrian Henri, om maar aan te geven hoe belangrijk deze drie dichters zijn (geweest) voor Liverpool en het tijdsgewricht waarin deze bloemlezing werd gepubliceerd.

Liverpool was in de jaren ’60 een brandpunt van de popcultuur. De Liverpool-dichters werkten in een omgeving waar kunst, muziek en literatuur nauw met elkaar verbonden waren. In de gids die bij de tentoonstelling werd gemaakt werd het als volgt omschreven: “Zoals veel jongeren in het Groot-Brittannië van de jaren zestig, werden de Liverpool Poets sterk beïnvloed door de hippie subcultuur van de Verenigde Staten. Jonge Amerikanen kregen lang haar, leefden samen, beoefenden gratis seks en drugsgebruik en woonden massale openlucht muziekconcerten bij. De oorlog in Vietnam, raciale onrust en de druk om zich te conformeren frustreerden hen. ‘Vrede’ en ‘liefde’ waren hun slogans. De dichters uit Liverpool schreven uitgebreid over het onderwerp liefde. Ze onderzoeken de vele vormen van liefde, van korte ontmoetingen en verlangen tot duurzame relaties en verliefdheid. De dichters gebruikten liefde ook als thema voor uitvoeringen, waarbij ze ten minste drie ‘Lovenights’ ensceneerden in het Everyman Theatre. Bij het onderzoeken en uiten van deze fundamentele menselijke emotie probeerden ze hun poëzie voor iedereen toegankelijk te maken. De zomer van 1967 werd uitgeroepen tot de Summer of Love, vernoemd naar een massabijeenkomst in het Golden Gate Park, in San Francisco.”

Het is volgens mij dan ook geen toeval dat het nummer ‘All you need is love’ van de Beatles (geschreven door John Lennon) in dat jaar uit kwam. Dichter Adrian Henri schreef het gedicht ‘Love is…’ dat in ‘The Mersey Sound’ is opgenomen.

.

Love is…

.

Love is…
Love is feeling cold in the back of vans
Love is a fanclub with only two fans
Love is walking holding paintstained hands
Love is

.

Love is fish and chips on winter nights
Love is blankets full of strange delights
Love is when you don’t put out the light
Love is

.

Love is the presents in Christmas shops
Love is when you’re feeling Top of the Pops
Love is what happens when the music stops
Love is

.

Love is white panties lying all forlorn
Love is pink nightdresses still slightly warm
Love is when you have to leave at dawn
Love is

.

Love is you and love is me
Love is a prison and love is free
Love’s what’s there when you are away from me
Love is…

.

Oude handen

Edward van de Vendel

.

Afgelopen zaterdag was er bij de Taalstaat op radio 1 bij Frits Spits een Vlaamse psychiater Jan Raes (gelijk de oud wielrenner) in het programma. Hij was daar om te praten over een Vlaams initiatief ‘Het lezerscollectief’ https://lezerscollectief.be/ . In het kort is het lezerscollectief: samen verhalen en gedichten lezen, daarmee mensen verbinden en hen sterker en weerbaarder maken. Dat is de filosofie van Het Lezerscollectief, een netwerk van leesbegeleiders in Vlaanderen, dat leesbijeenkomsten organiseert voor mensen die moeilijk toegang hebben tot literatuur, onder meer gevangenen, mensen met psychische problemen en mensen in armoede.

Psychiater Jan Raes was in de Taalstaat om hierover te praten en als voorbeeld van een gelaagd stuk tekst (want dat leest men, gelaagde teksten zodat elke deelnemer er persoonlijke problemen of trauma’s aan kan verbinden) las Raes het gedicht ‘Oude handen’ van Edward van de Vendel voor. Nu zei zijn naam me niet meteen iets dus ik ben eens gaan zoeken en wat blijkt? Edward van de Vendel (1964) is een zeer gevierd schrijver en vertaler van kinder- en jeugdboeken. Hij ontving voor zijn werk talloze prijzen en onderscheidingen en zijn werk is vertaald in het Duits, Spaans, Frans, Italiaans, Noors, Deens, Chinees, Portugees en Georgisch. Maar hij schrijft ook poëzie voor volwassenen.

Het gedicht dat in de radiouitzending werd voorgelezen komt uit de bundel ‘Aanhalingstekens’ uit 2000. Het gedicht ‘Oude handen’ gaat over gestorven ouders die alleen in de herinnering aanwezig zijn.

.

Oude handen

.

Als ik oud ben wil ik oude handen

die, als op de reliëfkaart

van een basisschool

hun gebergte, hun rivieren tonen. – Verre landen

waar ik in kan wonen.

Ervaren aderen,

vingers met verhalen.

Handen

die ergens waren;

op schouders, om een hart,

in andere handen.

Aan relings, zwaaiend,

aaiend langs de wanden

van een huis ver van hun huis.

Handen wil ik

vol geschiedenis

en aardrijkskunde:

Reizigers, na vele avonturen

veilig thuis.

.

Uit het oog

Miguel Declercq

.

Met enige regelmaat ontdek ik nieuwe dichters. Vaak zijn het Vlaamse dichters en ook nu betreft het een Vlaamse dichter namelijk Miguel Declercq (1976). Voor hij in 1997 debuteerde met de dichtbundel ‘Person@ges’, een sonnettenkrans waarmee hij de Hugues C. Pernath-prijs won, publiceerde hij al gedichten in allerlei literaire tijdschriften. Magazines van gefotokopieerde blaadjes (iets waar ik veel respect voor heb, zo laat je als dichter blijken dat je je niet te goed voelt om gelezen te worden) tot Deus Ex Machina , Yang, De Revisor en Parmentier.

De sonnettenkrans in ‘Person@ges’ is een bijzonder werk. Deze sonnettenkrans bestaat uit veertien regelmatig rijmende gedichten waarvan de slotregel de begin regel van het volgende gedicht is en het laatste vers van nummer veertien hetzelfde is als het eerste vers van het eerste sonnet; die veertien beginregels samen vormen dan het vijftiende zogenaamde ‘meestersonnet’.

In het 2000 wordt  Miguel Declercq in ‘Dietsche Warande & Belfort’ samen met Paul Bogaert, Paul Demets, Jan Lauwereyns, Johan de Boose en Peter Holvoet-Hanssen gepresenteerd als behorend tot de kopgroep van de jonge Vlaamse dichters. In 2001 wordt zijn frivole bundel ‘Zomerzot/Somersault‘ gepubliceerd waarna het maar liefst 11 jaar duurt voordat er weer een bundel van Declercq verschijnt; ‘Boven water’ in 2012.

Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Uit het oog’.

.

Uit het oog

.

We gingen naar Oostende om de sterren te bekijken,

maar het enige wat we van de sterren te zien kregen,

was oud licht, oude hitte, herinneringen

aan koude plaatsen, aan hoe we ’s zomers urenlang aan tafel zaten

om op te warmen

als hagedissen.
We hielden onze ogen open. We hielden onze ogen open
met de hulp van tandenstokers. We leefden nog,
maar vaak leek het of ons
ons laatste dictee werd afgenomen. Vaak leek het
alsof we loodrecht naar de bodem zonken, alsof we onder tonnen modder
     zouden worden bedolven
zodra we onze ogen sloten.
We schitterden als nooit tevoren,

maar enkel aan de oppervlakte.

 

 

Arlo Parks

Vision of London

.

Af en toe komt er een bepaald soort dichter langs wiens werk inventief en toch toegankelijk is. Anaïs Oluwatoyin Estelle Marinho of Arlo Parks (2000) zoals de wereld haar beter kent is zo’n uitzonderlijk iemand. Iemand die jonger is dan je zou vermoeden, iemand die de vaardigheid en het inzicht die ze bezitten misschien niet beseft. De 19-jarige zangeres, songwriter en dichter Arlo Parks is zo’n artiest. Singer-songwriter en dichter Parks  groeide op in West-Londen wat haar misschien heeft gevormd als individu, maar het heeft zeker niet bepaald aan welke soorten kunst ze werd blootgesteld. Als kind groeide ze op met YouTube, en haar inspiratiebronnen waren artiesten als Erykah Badu en D’Angelo maar ook Miles Davis en Portishead, Odd Future en hedendaagse Britse acts als King Krule en Loyle Carner. Parks is openlijk bisexueel en heeft inmiddels een paar hits als singer-songwriter op haar naam als ‘Cola’ en ‘Black Dog’. In 2020 werd ze door een aantal muziek critici uitgroepen tot ‘The sound of 2020’ in een poll van de BBC.

Parks had echter een andere interesse die ze in haar eigen tijd buiten internet verkende: poëzie. Het medium wekte haar interesse op de lagere school, waar ze al snel begon met het schrijven van haar eigen korte verhalen, die veranderden in gedichten. Geïnspireerd door muzikale dichters als Bob Dylan, Leonard Cohen en Patti Smith, heeft Parks altijd gecommuniceerd hoe mensen zich voelen tijdens moeilijke en zware tijden. Parks wordt van nature aangetrokken door poëzie en lyriek als haar belangrijkste manier om dergelijke gevoelens en beelden te presenteren – waarbij kwetsbaarheid naadloos wordt samengevoegd met vloeiende, melodieuze zanglijnen.

In het audio gedicht, een vorm van spoken word poëzie verhaalt Parks over haar (nog jonge) geschiedenis met en in West Londen.

https://theface.com/society/arlo-parks-shares-her-vision-of-london

.

My name is Arlo Parks. I’m 18 years old and I’m an alternative singer songwriter and a poet from London.

Spending summer splitting our bellies with laughter over cheap fruit wine and Poundland biscuits. With King Krule growling over the trees. When I was 16, I’d take the Overground to Queens Road Peckham to see my boyfriend and there would always be bashment or dub glitching down the train with kids in Dr Martens and metallic mini skirts cackling, slathering on foundation, necking Cherry B like tap water. I wrote my first poem in Bishops Park, the end of my pencil bitten, pocket stuffed with 45p Tesco sweets, whining about some pretty skater boy next to a brown river that bubbled as it rolled up towards Hammersmith.

When I think of London I think of the park policeman telling me and my mates that we’re guests to this country. I think of being drenched in sweat after a messy night, with kebab grease round my lips. Eyes led heavy, tears shed and tobacco lost. I think of my friend’s mom being robbed at knifepoint five minutes from home. Violence, violets, vapes, too many bridges and my brother plays basketball in the sun with his laces undone. And yesterday a stranger told me I reminded her of her daughter and offered me a rollie from a little gold tin with a dragon on it. Ravenscourt Park is where I moped about, kicking pink blossoms and losing frisbees and barely revising physics. Two years later I brought the person I liked to sit in my favourite spot on this fallen tree. But I never mustered up the strength to kiss them.

Instead we argued about where in London MF Doom was born and where in London William Blake died. Burning to the afternoon until the February chill drove us back to the station where we ended up kissing. Leaning in across the barrier while the TFL maintenance man whooped and brandished his broomstick. Shepherd’s Bush Empire is where I saw a Loyle Carner make a roomful of people howl and dance so hard they stepped on each other’s feet. I had tears in my eyes when I walked out of there. London has taught me about passion and it’s taught me about the under-appreciated nature of most artists, from the man who plays the sax, slumped barefoot against the wall of the underpass, to the guy in the year above me at school who spends hours crafting a single sentence, his freestyle slip over the beat like liquid gold. Oh London, you made me see things so grim so glorious so unapologetically alive.

I’ve seen men mash fists into each other’s heads outside Spoons. I’ve seen a little boy hold out a crushed handful of daffodils to the lady who sells strawberries and sweet potatoes on Northend Road. I’ve watched girls make out with tears streaming down their painted faces by Trafalgar Square at Pride. I’ve watched my ex fall into a pond blind drunk then scream her throat raw at the ghost who pushed her. I’ve traipsed through galleries on awkward dates and put my face against museum glass. London, my city of lights. This is where I grew up. This is where I learned to toughen up. This is where I grew up. This is where I learned love.

.

Louise Glück

Winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur 2020

.

Donderdag werd bekend dat de Nobelprijs voor de Literatuur dit jaar naar de Amerikaanse dichter Louise Glück gaat. Ik kende haar niet maar in een artikel over haar dat in het NRC verscheen kun je al veel informatie halen https://www.nrc.nl/nieuws/2020/10/08/zoeken-naar-het-universele-a4015223 .

Louise Glück (1943) debuteerde in 1968 met de bundel ‘Firstborn’ waarna nog 15 bundels volgden. Glück werd in 2003 benoemd tot ‘Poet Laureate Consultant in Poetry’ aan de Library of Congress, nadat ze daaraan van 1997 tot 2000 als ‘Special Bicentennial Consultant’ verbonden was geweest. Zij is assistent-hoogleraar en ‘Rosencrantz Writer in Residence’ aan Yale University. Belangrijke thema’s in haar werk zijn verdriet en verlangen als facetten van inspiratie, vaak verbonden met de natuur. Haar poëzie valt op door de openlijke expressie van droefenis en eenzaamheid. Door in haar gedichten eigen ‘personae’ in het leven te roepen verbindt ze autobiografische elementen met klassieke mythologie. Naast de Nobelprijs voor de Literatuur is de belangrijkste prijs die ze mocht ontvangen de Pulitzer Prize voor haar bundel ‘The Wild Iris’ uit 1992.

Dichter Erik Menkveld vertaalde in 2004 een aantal gedichten van Glück en haar gedicht ‘Sunset’ werd in zijn vertaling ‘Avondrood’.

.

Avondrood

.

Mijn grootste vreugde

is het geluid van jouw stem

als die me roept zelfs in wanhoop; mijn verdriet

dat ik je niet kan antwoorden

in een spraak die je als de mijne ervaart.

.

Je hebt geen vertrouwen in je eigen taal.

Dus hecht je gezag aan tekens

die je niet nauwkeurig kunt lezen.

.

En toch bereikt je stem me altijd.

En ik antwoord aanhoudend,

terwijl mijn woede luwt, naarmate de winter vergaat. Mijn tederheid

zou je duidelijk moeten zijn

in de koelte van de zomeravond

en in de woorden die uitgroeien

tot je eigen antwoord.

.

Sunset

.

My great happiness

is the sound your voice makes
calling to me even in despair; my sorrow
that I cannot answer you
in speech you accept as mine.

.

You have no faith in your own language.
So you invest
authority in signs
you cannot read with any accuracy.

.

And yet your voice reaches me always.
And I answer constantly,
my anger passing
as winter passes. My tenderness
should be apparent to you
in the breeze of summer evening
and in the words that become
your own response.

.

Ik had gedacht

Ingrid Jonker

.

Het was alweer even geleden  dat ik las in ‘Vlam in de sneeuw’ , de geheime brievenwisseling tussen de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker (1933 – 1965) en schrijver André Brink (1935 – 2015). Geheim want indertijd was André Brink getrouwd en niet met Ingrid Jonker met wie hij een affaire had. ‘Vlam in de sneeuw’ is zo’n boek dat je niet in één keer moet of kan uitlezen (ik niet in ieder geval). Elke keer een stuk werkt beter voor mij. Nu ik weer (verder) aan het lezen ben realiseerde ik me dat ik nog geen vertaald gedicht van Ingrid Jonker hier plaatste. Wel wat poëzie in het Afrikaans en in het Engels maar dus nog geen vertaling.

In de klassieke bundel ‘Ik herhaal je’ uit 2000 zijn de gedichten van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker verzameld. De fraaie vertaling is van Gerrit Komrij en Henk van Woerden schreef de biografische schets over Jonkers bewogen leven. Komrij maakte een keuze voor deze bundel uit ‘Versamelde werke’ uit 1994.

Uit deze bundel koos ik voor het gedicht ‘Ik had gedacht’ een liefdesgedicht maar tevens een gedicht met een trieste afloop, een gedicht dat wat mij betreft heel passend is bij het leven van Ingrid Jonker.

.

Ik had gedacht

.

Ik had gedacht dat ik je kon vergeten,
en in de zachte nacht alleen kon slapen,
maar in mijn onschuld heb ik niet geweten
dat ik bij elke windvlaag zou ontwaken:
.
Dat ik de lichte trilling van je hand
weer langs mijn sluimerende hals zou voelen –
Ik dacht dat het vuur dat in me brandde
als de witte sterrenbaan zou zijn afgekoeld.
.
Nu weet ik dat onze levens zijn als een lied
waarin de smarttoon van onze scheiding klinkt
en waar alle vreugde terugvloeit in verdriet
en uiteindelijk in onze eenzaamheid verzinkt.

.

Spitsvondige beeldspraak

Metafysische poëzie

.

Metafysische dichters schrijven over gewichtige onderwerpen zoals liefde en (christelijke) religie met behulp van complexe metaforen. Het woord metafysisch is een combinatie van het voorvoegsel ‘meta’ dat ‘na’ betekent, met het woord ‘fysiek’. De uitdrukking “na fysiek” verwijst naar iets dat niet door de wetenschap kan worden verklaard.

De term “metafysische dichters” werd voor het eerst bedacht door de schrijver Samuel Johnson in een hoofdstuk uit zijn ‘Lives of the Poets’ getiteld ‘Metaphysical Wit’ (1779): ‘De metafysische dichters waren geleerde mannen, en het was hun hele streven om te laten zien dat ze geleerd hadden; maar helaas besloten ze het op rijm te laten zien, maar in plaats van poëzie te schrijven, schreven ze alleen verzen, en heel vaak waren dat nauwelijks te beluisteren verzen, want de modulatie was zo onvolmaakt dat het alleen verzen bleken te zijn door de lettergrepen te tellen.

Johnson identificeerde de metafysische dichters van zijn tijd door hun gebruik van uitgebreide metaforen die hij ‘conciets’ noemde  (verwaandheden of zelfgenoegzaamheden) om complexe gedachten uit te drukken. Een conceit is spitsvondige vorm van beeldspraak: een vergelijking tussen twee zaken die op het oog volstrekt niet met elkaar te rijmen zijn. Metafysische poëzie kan verschillende vormen aannemen, zoals sonnetten, kwatrijnen of visuele poëzie, en metafysische dichters worden gevonden van de 16e eeuw tot de moderne tijd.

Voorbeelden zijn John Donne, Andrew Marvell, Wallace Stevens en William Carlos Williams. Van John Donne werd het gedicht ‘Elegie I’ geplaatst in ‘De Tweede Ronde’ in 2000. In een vertaling van W. Hoogendoorn heet het gedicht ‘Jaloezie’.

.

Jaloezie

.

Mal mens, je wenst je man van harte dood,
Maar klaagt, want zijn jaloersheid is zo groot!
Stel dat hij, bol van gif, ligt uitgestrekt
Op zijn sterfbed, met korsten overdekt,
Benauwd naar adem happend, evenzo
Als een fluitist bij een prestissimo,
En weldra, met gebraak waar elk van gruwt,
Zijn ziel uit één hel in een nieuwe spuwt,
Verdoofd door ’t krijsend straatarm nageslacht
Dat met een huicheltraan op erfgoed wacht,
Dan huil je niet, maar dartel je verblijd
Als een slavin die morgen wordt bevrijd.
Toch huil je, als je naar je man kijkt, die
Zich dood zwelgt aan het gif der jaloezie.
O, wees hem dankbaar dat hij zo beleefd
Door zijn wantrouwen ons een teken geeft.
Wij maken nooit meer openlijk uit nijd
Toespelingen op zijn wanstaltigheid,
Noch flirten aan zijn tafel, jij en ik,
Met woord, aanraking of een steelse blik.
En als hij na een maal bol nageniet,
Snurkend gevangen in zijn stoel van riet,
Dan annexeren wij zijn bed niet meer
En gaan niet langer in zijn huis tekeer.
Nu baart het risico mij grote vrees:
Het is zijn rijk, zijn burcht, zijn diocees.
Hij die uit afgunst graag zijn koning hoont
Of goud vervalst, die zorgt wel dat hij woont
Waar hij in ballingschap zijn gang kan gaan.
Ons jaagt een ander huis geen angst meer aan.
Hoe hij ons vruchteloos bespieden laat,
Zijn sluwe trucs, bezien wij daar met smaad,
Als Southwark Londens burgemeester, of
Zoals de Paus beschimpt wordt door de Mof.
.
.

Django Reinhardt (1910-1953)

F. Papenhove

.

Door een berichtje van Jiske Foppe op Facebook werd ik gewezen op het bestaan van dichter F. (Fred) Papenhove (1956). Zij deelde een gedicht van zijn hand dat was opgenomen in de bundel ‘Van geluk gesproken’ een Rainbow pocket uit 2007. Na enig zoekwerk blijkt dat F. Papenhove in 2000 zijn debuut als dichter in het Haagse literaire tijdschrift Bordelaise Literair (tegenwoordig Sub Rosa) maakte.

Fred Papenhove werkte onder andere als dienstplichtig marinier, boekverkoper, privéchauffeur, museumdocent, verslaggever bij het Haags Straatnieuws en de daklozenkrant en hij is dichter en prozaschrijver. Sinds zijn debuut zijn er van hem o.a. gedichten geplaatst in de dichtbundels ‘Daar komen de dichters’ (2003), ‘War on War’ (2003), de ‘Kidsgids Den Haag’ (editie 2002-2003) en in de bloemlezingen ‘Van Haagse dichters die voorbijgaan’ (2001), ‘Rotterdam de stad in gedichten (2002) enAntwerpen de stad in gedichten (2003). Er is van hem ook poëzie geplaatst in het literaire wielertijdschrift De Muur (2004).

In 2005 verscheen van hem bij de Windroos de bundel ‘De Rode Soldatenvis / Poisson – Soldat Rouge’. In 2009 won hij de Halewijn-literatuurprijs van de stad Roermond voor de bundel ‘De hemel is vol zwaluwen’,  in 2011 verscheen zijn bundel ‘Zweep je best been voor’ en in 2015 ‘Rechte paden doen ons niets en andere gedichten’. Van Fred Papenhove werd poëzie gepubliceerd in ‘Het liegend konijn’, ‘Ballustrada’ en in ‘Hollands Maandblad’.

Op de site http://www.epibreren.com/ staan twee gedichten van zijn hand uit 2004 waaronder het gedicht over gitarist Django Reinhardt.

.

Django Reinhardt (1910-1953)

.

O, Franssprekende zigeunerguitarist,
De sterren halen je aan (ook op cd).
.
Weg met je linker pink & ringvinger
Snel.
.
Hiphoppers, beboppers, rockers &
Speedfreaks, zoeken net als jij – deed –
.
Naar een moment, waarin stilte
Vermengd met ruis, eeuwigdurend roept
Is daar iemand?

.

Treurig gedicht

Toon Tellegen

.

Lezend in de bundel ‘Gedichten 1977 – 1999’ uit 2000 van Toon Tellegen kom ik een interessant, mooi en misschien ook treurig gedicht tegen. De titel zegt het eigenlijk al ‘Treurig gedicht’. Het werd oorspronkelijk gepubliceerd in de bundel ‘Gewone gedichten’ uit 1998. Maar al lezend merk ik dat er van treurnis geen sprake is bij mij. Eerder een gevoel van opluchting. Treurnis kan door van alles worden veroorzaakt en er zijn heel veel treurige gedichten die niet de titel dragen die ze misschien zouden moeten dragen. Waar je treurig van wordt. Juist door de titel in combinatie met de tekst veroorzaakt Toon Tellegen precies het tegenovergestelde gevoel bij mij. De verhalen en gedichten van Toon Tellegen kennende denk ik dat dit precies de bedoeling was. Oordeel zelf.

.

Treurig gedicht

.

‘Dit is het einde van de weg,’ zeiden ze.

Er stond een bordje:

DIT IS HET EINDE VAN DE WEG

‘Hier, dit punt,’ zeiden ze.

Ze hurkten erbij neer

en raakten het voorzichtig even aan.

‘Is dit het?’

‘Dit is het.’

Het was herfst, het regende, het stormde.

Ze stonden op, draaiden zich om.

.

Later kwamen ze nog even terug

met een vergrootglas.

Het was het einde van de weg.

.

Gedichten uit de Goelag

Varlam Sjalamov

.

De Russische schrijver en dichter Varlam Tichonovitsj Sjalamov  (1907 – 1982) werd geboren als zoon van een Russisch-orthodox priester en een lerares. Hij studeerde rechten in Moskou, was overtuigd tegenstander van het Stalin regime en sympathiseerde in die tijd met de linkse oppositie  geleid door Leo Trotski. In 1929 werd hij in een illegale drukkerij gearresteerd en voor drie jaar verbannen naar de Goelag. Na zijn terugkomst naar Moskou werkte hij van 1934 tot 1937 als journalist.

In 1937 werd hij in het kader van de grote zuivering opnieuw gearresteerd vanwege trotskisme en Sjalamov bracht na een nieuwe veroordeling zeventien jaar door in de kampen des doods van Kolyma in Siberië. In 1953 werd hem toegestaan terug te keren naar Europees Rusland. In 1956 werd hij onder Chroesjtsjov gerehabiliteerd. Vanaf 1957 verschenen van zijn eerste gedichten. Sjalamov is al eerder gedichten beginnen schrijven. Hij memoriseert zijn eigen dichtregels telkens wanneer hij van het werk naar het kamp terugkeert. Als hij op het einde van zijn gevangenschap als verpleger tewerkgesteld wordt schrijft hij op wat hij maar vindt: papieren zakken, kaftpapier etc.  Die aantekeningen werkt hij later uit. Naast zijn gedichten schrijft hij vooral korte verhalen, maar al snel kwamen zijn herinneringen aan de Goelag niet meer door de censuur (ze circuleerden in de jaren zestig alleen in Samizdat-uitgaven). Hoewel Sjalamov vooral bekend is door zijn laconieke en compacte kampverhalen is zijn poëzie ook zeker de moeite waard.

Hieronder het gedicht ‘De camee’  waarin een duidelijke verwijzing naar zijn  tijd in de kampen en hoe hij die heeft doorstaan, in een vertaling van Marja Wiebes en Margriet Berg uit ‘Spiegel van de Russische poëzie van de twaalfde eeuw tot heden’ uit 2000.

.

De camee

.

In ’t hellend vlak van berg en tijd

Sneed ik jouw beeld voor de eeuwigheid.

.

Betrouwbaarder dan een penseel

Zijn immers beitel en houweel.

.

In ’t land van mannen en van ijs,

Van vroege rimpels en vroeg grijs,

.

Heb ik dit vrouwelijk gelaat

Geschapen als een wanhoopsdaad.

.

Ik heb de rots met jouw portret,

Toen in een ring van sneeuw gezet,

.

En wolken om de ring gedaan

Om niet van weemoed te vergaan.

.

%d bloggers liken dit: