Site-archief

Uit mijn boekenkast

Een vrouw

.

Staand voor mijn boekenkast viel mijn oog op de bundel ‘Denk ik aan Duitsland in de nacht’. Deze bundel, in 1988 uitgegeven door Bert Bakker, bevat gedichten van de Duitse dichter Heinrich Heine (1797 – 1856). De gedichten komen uit de bundels ‘Buch der Lieder’ uit 1827, uit ‘Neue Gedichte’ uit 1844, uit ‘Romanzero’ uit 1851 en uit ‘Letzte Gedichte’ uit 1852, zowel in het oorspronkelijke Duits, als in een Nederlandse vertaling van Marko Fondse en Peter Verstegen.

‘Ein Weib’ in vertaling van Verstegen ‘Een vrouw’ komt uit ‘Neue Gedichte’ is een vrolijk makend gedicht over een vrouw die niet deugde en een dief.

.

Ein Weib

.

Sie hatten sich beide so herrlich lieb,

Spitzbübin, war sie, es war ein Dieb,

Wenn er Schelmenstreiche machte,

Sie warf sich aufs Bett und lachte.

.

Der Tag verging in Freud und Lust,

Des Nachts lag sie an seiner Brust.

Als man in Gefängnis ihn brachte,

Sie stand am Fenster und lachte.

.

Er liess ihr sagen ‘O komme zu mir,

Ich sehne mich so sehr nach dir,

If rufe nach dir, ich schmachte -‘

Sie schüttelt das Haupt und lachte.

.

Um sechs des Morgens ward er gehenkt,

um sieben ward er ins Grab gesenkt;

Sie aber schon um achte

Trank roten Wein und lachte.

.

Een vrouw 

.

Zij hadden elkander zo innig lief

Zij wou niet deugen en hij was een dief

Als hij weer het recht verkrachtte,

Wierp zij zich op bed en lachte.

.

De dag gaf vreugde en vrolijkheid,

’s Nachts lag zij aan zijn borst gevlijd.

Toen ze hem het gevang in brachten,

Stond zij aan het raam en lachte.

.

Hij liet haar zeggen: ‘O kom toch gauw,

‘k Verlang zo smartelijk naar jou,

Laat me niet langer smachten.’

Zij schudde het hoofd en lachte.

.

Om zes uur maakte de beul hem af,

Om zeven uur zonk hij in het graf;

Maar zij – reeds tegen achten –

Dronk rode wijn en lachte.

.

Thief icon

Neerlands Dichterschat

De poëzie van de 19e eeuw

.

Een nieuwe aanwinst in mijn poëziecollectie is een lijvige bundel ‘saamgebracht door F.H. van Leent’, een vierde veel vermeerderde druk van uitgeverij H.J.W. Becht uit Amsterdam. Een klein dik boek met een lederen omslag en goudkleurige zijkanten. Uit welk jaar deze bundel komt kon ik niet achterhalen (waarschijnlijk rond de eeuwwisseling van 1900) maar het is een bijzonder werk. Veel, voor mij onbekende dichters zijn vertegenwoordigd in deze bundel maar een enkele naam ken ik zoals Alberdingk Thijm, Louis Couperus, Herman Heijermans, Multatuli, Potgieter en Tollens.

Ruim 450 pagina’s 19e eeuwse poëzie. Ik heb gekozen voor een vrouwelijke dichter Hélène Swarth (1859 – 1941) die wordt gerekend tot de Tachtigers. Wikipedia zegt over haar: “Hélène Swarth was tot op hoge leeftijd productief. Haar werk is enigszins ongelijk, maar in haar beste gedichten toont zij zich de evenknie van de andere vooraanstaande Tachtigers. Door haar zuiverheid van uitdrukking bereikte zij een opvallende eenheid van vorm en inhoud, terwijl anderzijds haar grote zintuiglijke ontvankelijkheid aan haar beste werk een kosmisch-religieuze inslag geeft.”

.

Uit ‘Eenzame bloemen’ uit 1883, het gedicht (Sonnet nummer) ‘I’ (uit Drie Sonnetten).

.

I

.

De zon bestrooit den blauwen vijverplas

Met gansch een vloed topazen en robijnen,

De zoele wind, alvorens weg te kwijnen,

Beweegt de bloemen van het oevergras.

.

Een zachte golving van gebroken lijnen

Zweeft in den vijver, trouw als spiegelglas,

Waar muggen zwermen tusschen ’t struikgewas

En gouden wolkjes komen en verdwijnen.

.

De roode stralen vloeien, drop bij drop,

Langs grijze wilg en bruinen beukentop,

Op ’t siddrend loof der popels en der elzen.

.

Traag  zinkt de zon in ’t purper wolkengraf,

Alsof haar avondkus de wijding gaf

Aan aarde en hemel die elkaar omhelzen.

.

IMG_3157

 

%d bloggers liken dit: