Site-archief

De Stenen Strofe

Gedichtenroute

.

De stadsarchivaris van Bergen op Zoom, Cees Vanwesenbeeck kreeg in 1996 de Sakkoprijs voor Kunsten en Letteren. Hij besteedde een deel van zijn prijzengeld aan een opdracht aan de dichter Bert Bevers, om een gedicht te schrijven voor op de kopgevel van het gebouw van de Gemeentelijke Archiefdienst (later het Regionaal Historisch Centrum).

 

Dat gedicht werd ‘Bergen op Zoom’. Marc Meeuwissen maakte het grafisch ontwerp en in november 1997 werd het gedicht onthuld. De reacties waren zo enthousiast dat de gedachte post vatte een hele reeks van dit soort Stenen Strofen doorheen de gemeente te realiseren.

Andere steden hebben weliswaar vergelijkbare projecten, maar de Stenen Strofen zijn door de desbetreffende dichters op verzoek van het comité steeds ofwel op Bergen op Zoom geschreven, ofwel op de locatie waar ze werden gerealiseerd. Maar er zijn ook gedichten opgenomen van de in Bergen op Zoom geboren dichter Anton van Duinkerken (1903 – 1968).

De gedichten worden gejureerd door Wim van Til (directeur van het Poëziecentrum Nederland), Tony Rombouts (ere-secretaris van de Vlaamse Vereniging van Letterkundigen) en telkens de voorgaande dichter.

Inmiddels is zijn er vele gedichten aan de route toegevoegd, 15 in het stadscentrum en 4 buiten het stadscentrum en nog steeds komen er gedichten bij. Soms is er gekozen voor de uitvergroting van een fragment. Het hele gedicht is in alle gevallen te lezen op een speciaal aangebracht bordje.

Gedichten zijn er te genieten van dichters als Hans Tentije, Albert Hagenaars, Johanna Kruit en Ester Naomi Perquin van wie het gedicht ‘Iemand bedacht’ is aangebracht op een gevel aan de Zuidmolenstraat. Meer informatie vind je op https://www.stenenstrofen.nl/index.html

Iemand bedacht

.

Een man gaat slapen in een dorp en wordt wakker in een stad.

Zijn bed is blijven staan, zijn huis, de naam

die hij kent is gebleven.

.

Ach, niemand vertelt hem ooit wat. Hij staat op en wast zich,

het is een doodnormale dag. Hij spoelt dorpsstof van zijn huid,

luistert naar de kerk, de hoge vogels, opent dan het luik.

.

En kijk eens aan, de lengte van de horizon, de halve hemel

en acht eeuwen stedelijk leven rollen zich

recht voor hem uit.

.

Een dorp past doorgaans in één blik. Een stad in steeds opnieuw

beseffen waar je bent. Steeds andere ogen om te zien dat je bed

vannacht is gebleven, dat je huis er nog staat.

Dat je woont in een naam die je kent.

.

Lazarus

Ágnes Nemes Nagy

.

Afgelopen vrijdag las ik in de krant een stukje bij een fotoreportage over een van de grootste Hongaarse dichters Mihály Vörösmarty die schreef over het Balatonmeer (de fotoreportage ging over het Balatonmeer in Coronatijd). Ik moest meteen denken aan ‘The lost rider, a bilingual anthology’ uit 1997 dat ik jaren geleden kreeg van Tünde Kassa, uit Hatvan, die voor mij tolkte als ik daar beroepsmatig op bezoek was. Het betreft hier een overzicht van Hongaarse poëzie van de 16e tot en met de 20ste eeuw. Goede reden om deze bundel nog eens ter hand te nemen. In ‘The lost rider’ staan gedichten van Hongaarse dichters in het Hongaars en vertaald in het Engels. De dichter Vörösmarty (1800 – 1855) staat er inderdaad ook in (uiteraard) maar ik viel voor een gedicht van een wat modernere dichter namelijk Ágnes Nemes Nagy (1922 – 1991) getiteld ‘Lázár’ of in het Engels ‘Lazarus’ in een vertaling van George Szirtes.

Ágnes Nemes Nagy was dichter, pedagoog, schrijver en vertaler. Tot de jaren vijftig werkte ze als lerares in het onderwijs. Na de Tweede Wereldoorlog werkte Nemes Nagy mee aan een literair tijdschrift ‘Újhold’ (Nieuwe Maan). De redacteur was criticus Balázs Lengyel , met wie ze later trouwde. Het tijdschrift werd uiteindelijk verboden door de toenmalige regering. In 1946 publiceerde Nemes Nagy haar eerste dichtbundel ‘Kettős világban’ (In een dubbele wereld). In 1948 ontving ze de Baumgarten-prijs, een prestigieuze literaire Hongaarse prijs die tussen 1923 en 1949 werd uitgereikt.  In de jaren vijftig werd haar eigen werk verboden en werkte ze als vertaler en vertaalde ze de werken van Molière , Racine , Corneille , Bertolt Brecht en anderen. Hieronder de Engelse vertaling, het origineel en een vrije vertaling van mijn hand.

.

Lazarus

.

As slowly he sat up, the ache suffused

his whole left shoulder where his life lay bruised,

tearing his death away like gauze, section by section

since that is all there is to to resurrection.

.

Lázár

.

Amint lassan felült, balválla-tájt

egy teljes élet minden izma fájt.

Halala úgy letépve, mint a géz.

Mert féltamadni éppolyan nehéz.

.

Lazarus

Terwijl hij langzaam rechtop ging zitten, kwam de hevige pijn

in zijn hele linkerschouder waar zijn leven gekneusd lag,

zijn dood afscheurend als gaas, sectie voor sectie

want dat is alles wat er nodig is voor wederopstanding.

.

 

Bergamo

Bernlef

.

Uit de bundel ‘Achter de rug’ Gedichten 1960 – 1990 uit 1997 komt het vakantiegedicht ‘Bergamo’ van de dichter Bernlef.

.

Bergamo

.

Tijd schampt langs de kabelbaan

blijft een seconde in mijn horloge hangen

stort zich dan naar beneden

.

Kerken en kloosters vol bekenden

murmelend in de goten

schaterend in de afvoerpijpen om ons heen

.

Zo verlaten worden wij dat het telefoonnummer

waaronder wij ze kunnen bellen

op de muur verschijnt

.

Gelukkig is de telefoon defect

gelukkig werkt het espressoapparaat

twee kopjes, twee bitterzwarte ogen

.

Wij drinken de duisternis tot op de bodem uit

en kruipen dan als een spin traag naar zijn buit

terug langs de draad naar het hart van het dal.

.

Listen Mr. Oxford Don

John Agard

.

De afgelopen weken kijk ik graag naar Tom’s Engeland op de NPO. Tom Egbers reist in dit programma door het land waar zijn moeder is geboren op zoek naar naar het Engeland van zijn jeugd (waar hij jaarlijks kwam) naar het hoe en waarom van de Brexit en vraagt hij zich af of hij Engeland wel echt kent.

In een van de afleveringen spreekt hij met John Agard (1949), een in Brits Guyana geboren dichter, kinderboekenschrijver en toneelschrijver die in de late jaren ’70 naar Engeland verhuisde met zijn partner Grace Nichols, die ook dichter is. Vanaf zijn 16e schrijft Agard poëzie en wordt hij geprezen voor zijn onderhoudende performance. Zijn bekendste gedicht is ‘Half-Caste’ waarin hij raciale omgangsvormen becommentarieert. Dit gedicht staat in Engelse scholen op de literatuurlijst voor het examen. Agard kreeg de Paul Hamlyn Award for `Poetry in 1997, de Cholmondeley Award in 2004 en de Queens Gold Medal for Poetry in 2012.

Agard gebruikt vaak zijn Caribische achtergrond en manier van spreken in zijn poëzie en performances. Dit geeft zijn gedichten iets extra’s en een stem aan zijn achtergrond. In Tom’s Engeland draagt Agard het gedicht ‘Listen Mr. Oxford Don’ voor en omdat ik zowel het gedicht als zijn voordracht prachtig vind deel ik het hier met jullie. Dit gedicht gaat over de taal, etniciteit en immigratie en Agard stelt dit aan de kaak op een subversieve en grappige manier.

.

Listen Mr. Oxford Don

.

Me not no Oxford don
me a simple immigrant
from Clapham Common
I didn’t graduate
I immigrate
.
But listen Mr Oxford don
I’m a man on de run
and a man on de run
is a dangerous one
.
I ent have no gun
I ent have no knife
but mugging de Queen’s English
is the story of my life
.
I dont need no axe
to split up yu syntax
I dont need no hammer
to mash up yu grammar
.
I warning you Mr Oxford don
I’m a wanted man
and a wanted man
is a dangerous one
.
Dem accuse me of assault
on de Oxford dictionary
imagine a concise peaceful man like me
dem want me serve time
.
for inciting rhyme to riot
but I rekking it quiet
down here in Clapham Common
.
I’m not a violent man Mr Oxford don
I only armed wit mih human breath
but human breath
is a dangerous weapon
.
So mek dem send one big word after me
I ent serving no jail sentence
I slashing suffix in self defence
I bashing future wit present tense
and if necessary
.
I making de Queen’s English accessory to my offence

.

Moeders en roken

Dubbel-gedicht

.

Toen ik in de bundel uit 1999 ‘Familie duurt een mensenleven lang’ De honderd mooiste Nederlandstalige gedichten over vaders, moeders, dochters en zonen, samengesteld en ingeleid door Menno Wigman, het gedicht ‘Moeder’ van Gerrit Achterberg las, deed het me denken aan een gedicht dat ik ooit las van Nannie Kuiper. Na enig zoeken (waar vind je die tussen zovele andere bundels) kwam ik hem tegen. Het betreft hier de bundel ‘Ik heb alleen maar oog voor jou’ een bundel gedichten voor jongeren en volwassenen.

Opvallend genoeg hebben beide gedichten niet 1 maar 2 overeenkomsten. Ze gaan beide over een moeder en beide over roken. Het gedicht ‘Moeder’ van Gerrit Achterberg is genomen uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1991 en het gedicht ‘wat is ze kwaad’ van Nannie Kuiper is uit 1997.

.

Moeder

.

Ik zat met moeder aan de haard. zij breide

en ik deed niets dan sigaretten roken.

Ze zei; Jongen, je moet niet zoveel roken;

Je moet er vanaf morgen mee uitscheiden.

.

Ik ben het haardvuur nog wat op gaan stoken;

horende hoe het zachtjes in mij schreide,

omdat het niet kon worden uitgesproken,

wat zich vlakbij voor eeuwig wou bevrijden.

.

wat is ze kwaad

.

wat is ze kwaad

mijn moeder

nu ze net

ontdekt heeft

dat ik peuken rook

in bed

.

en in haar handen

ligt mijn nachtrust

tussen al die

stukjes sigaret.

.

Liefdesgedicht voor Deborah

Ja rozen

.

Vandaag een speciaal liefdesgedicht van Remco Campert voor zijn vrouw Deborah. In 2002 verscheen in een mooi doosje het kleine maar o zo fijne bundeltje ‘Ja rozen’ de mooiste liefdesgedichten van Remco Campert. In dit bundeltje staan gedichten van Campert die eerder in ‘Dichter’ uit 1995 en ‘Ode aan mijn jas’ uit 1997 verschenen. Een aantal gedichten in dit bundeltje ( en misschien wel allemaal) zijn geschreven voor zijn vrouw Deborah. Een bijzondere vrouw zo blijkt ook uit de podcast die op 1 mei 2020 werd uitgezonden in het radio 1 programma ‘Nooit meer slapen’ met Pieter van der Wielen. Luister hier de podcast: https://www.nporadio1.nl/nooit-meer-slapen/uitzendingen/700625-2020-05-01

.

Voor Deborah

.

Als ik doodga

hoop ik dat je erbij bent

dat ik je aankijk

dat je mij aankijkt

dat ik je hand nog voelen kan.

.

Dan zal ik rustig doodgaan.

Dan hoeft niemand verdrietig te zijn.

Dan ben ik gelukkig.

.

De troost van het zegbare

Herman de Coninck

.

Al jaren ben ik een groot bewonderaar van het werk van Herman de Coninck (1944 – 1997). Bijna een half jaar lang plaatste ik elke zondag een gedicht van hem als dichter van de maand, op dit blog. Maar dat is alweer jaren geleden. In mijn boekenkast kwam ik, terwijl ik iets anders zocht, zijn bundel ‘Vingerafdrukken’ tegen uit 1997 en ik merkte dat ik meteen weer werd gegrepen door zijn taal.

Daarom en omdat je nooit teveel van Herman de Coninck kunt lezen, vandaag opnieuw een gedicht op zondag van deze fantastische Vlaamse dichter.

.

*

.

De troost van het zegbare.

-Schatje, is er iets?

-Nee liefje, er is niets.

.

Avond. Zo’n rustige druppelregen.

De avond als pianist.

.

Zo werd er thuis gebeden, vijftig keer

weesgegroet Maria vol van genade.

.

Zo werd er gepreveld, ssst gezegd

tegen de koude oorlog bij de warme kachel.

.

-Schatje, is er iets?

-Nee, liefje.

-Sorry, ik dacht even dat er iets was.

.

Korte gedichten

van de maand april

.

Vandaag opnieuw de korte gedichten van de maand. Ik heb gekozen voor verschillende vormen van korte gedichten. Allereerst een voorbeeld van een Logogrief (letterraadsel of woordraadsel) dat ik uit de Opperlandse taal- en letterkunde haalde van Battus (Hugo Brandt Corstius), geschreven door J. Spier. Dit gedicht heeft een bijzondere vorm want elke regel wordt gevormd uit één woord en dat ene woord wordt telkens een letter langer naarmate het gedicht vordert.

Het tweede korte gedicht is van J. Bernlef getiteld ‘Herfst’, en ik haalde het uit in de bundel ‘Achter de rug, gedichten 1960 – 1990’ uit 1997.

Het derde en laatste korte gedicht is van J. C. Bloem en heet als titel ‘De nachtegalen’. Dit gedicht komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1986.

.

Logogrief

.

u

is

een

dame;

legio

sterke

emoties,

bepaalde

gevoelens

ontbloeien

verrukkelijk!

nachtenlange

droomfantasie;

veroorzaakster:

onweerstaanbare

godinnengevormde

mannenverleidster!

.

Herfst

.

1000 dorre bladeren voor mijn deur

brengen mij op niet 1 gedachte.

.

De nachtegalen

.

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,

’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.

Wat geeft het?- In de koude voorjaarsnacht

Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

.

Zeer zeker mijn geliefde

Dichters van morgen

.

Toen ik begin jaren ’80 mijn opleiding volgde aan de P.A. Tiele Academie in Den Haag, was een van mijn docenten (Nederlandse Letterkunde) Han Foppe (1939). Hij was toen onder andere actief in de jury van de prijzen van de Jan Campert-Stichting (1980 – 1997). Ik herinner me dat wij als studenten werden uitgenodigd om bij de uitreiking te zijn in het gebouw van de Koninklijke Bibliotheek. Han Foppe was een man met een groot hart voor de Nederlandse Literatuur. Door hem en zijn enthousiasmerende manier van lesgeven ben ik ‘Bougainville’ van F. Springer (prachtig boek) en ‘Mijn naam is Garrigue’ van Henk Romijn Meijer gaan lezen.

Wat schetst mijn verbazing (en toch ook weer niet helemaal) toen ik zijn naam tegen kwam in de (gedigitaliseerde) bundel ‘Dichters van morgen’ van Ad den Besten. Een bloemlezing uit de poëzie van jonge dichters uit 1958 op https://www.dbnl.org/tekst/best004dich01_01/best004dich01_01.pdf . Han Foppe (toen 19 jaar en leerling van een Kweekschool) had meegedaan aan de Windroos-poëzieprijsvraag 1957 en had het geschopt tot (1 van de drie) eervolle vermelding(en), dit naast de drie prijswinnaars (waarvan ik geen enkele naam ken).

Ad den Besten schrijft in het voorwoord dat veel gedichten en manuscripten hem als uitgever werden toegestuurd maar dat hij evenzovele moest terug sturen. Hij merkt ook op dat “de meeste uitgevers zagen kennelijk meer heil in – begrijpelijkerwijs- het werk van bepaalde ‘arrivé’s’ of – onbegrijpelijkerwijs- de produkten van allerlei nulliteiten”. In die zin is is er eigenlijk weinig veranderd sinds de jaren ’50 (behalve dan dat het in eigen beheer uitgeven van een dichtbundel tegenwoordig zoveel makkelijker en professioneler kan worden gedaan). Tegelijkertijd schrijft hij elders in zijn voorwoord:  De kans is groot dat van verschillende van deze ‘dichters van morgen’ morgen geen sterveling meer een gedicht zal vinden” en “In die zin moet de titel Dichters van morgen dan ook worden verstaan: ik heb in deze bundel plaats geboden aan een 59-tal vaak héél jonge auteurs-evenveel als er in de laatste druk van Stroomgebied staan! -, dichters wier verzen m.i. een belofte inhouden voor morgen, dichters die ik, de een meer, de ander minder, in toekomstperspektief kan zien.”

Verreweg het grootste deel van in deze bundel bijeengebrachte gedichten, kwamen tot de uitgever ( De Windroos) na een oproep tot deelname aan de Windroos-poëzieprijsvraag 1957, waaraan alleen dichters die op 1 januari 1958 nog geen 35 jaar waren. Han Foppe was dus één van die deelnemende dichters. Het gedicht dat een eervolle vermelding kreeg ‘Zeer zeker mijn geliefde’ kun je hieronder lezen.

.

Zeer zeker mijn geliefde

.

zeer zeker
mijn geliefde is
van zuiver hout
van notenhout uit spanje
en zij is
van een donzige grassoort
waarop het heerlijk
is te liggen
en van een soort
die men nergens meer vindt
jawel mijn geliefde
zij is geboren
uit een berkeboom
en haar vader was gras
en haar nichten zijn
van een water
waarvan men slechts kan dromen
en dan haar broeders
die grote tijgers zijn
en o mijn geliefde
haar zonen
zij moeten welhaast
de grote vogels zijn
waarvan de schetsen
nu reeds
in ons voorhoofd
zijn gegrift
en haar dochters
o haar dochters
wellicht zijn het tijgers
van gras
zijn het tijgers
van louter wilgenhout
o haar dochters
die zeer zeker
van zuiver stem
zullen zijn

.

Zo kan het niet langer

Paul Bogaert

.

De Vlaamse dichter Paul Bogaert (1968) debuteerde in 1996 met de bundel ‘WELKOM HYGIENE’ waarmee hij in 1997 de Prijs voor Letterkunde Poëzie van de provincie Vlaams-Brabant won. Hierna publiceerde hij nog 5 bundels waarvan ‘Ons verlangen’ in 2013 de Herman de Coninckprijs won. Zijn laatste bundel komt uit 2018 en is getiteld ‘Zo kan het niet langer’.

Op zijn website http://www.paulbogaert.be is veel van zijn vroege poëzie te lezen en zijn een aantal poëziefilmpjes te bekijken. Bogaert is de voorman van wat weleens de ‘post-postmoderne’ generatie Vlaamse poëten genoemd wordt, die in de tweede helft van de jaren negentig opkwam.
In die poëzie wordt de mens neergezet als een lijdend voorwerp, een speelbal van de vertogen die hem sturen: dat van de marketing, dat van het bedrijfsbeheer en het timemanagement, dat van het consumentisme.

Uit zijn laatste bundel ‘Zo kan het niet langer’ het titelgedicht (deel 3) een mooi voorbeeld van zo’n post-postmoderngedicht.

.

Zo kan het niet langer

,

Sluit af met

ik meen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Ga langs de achterdeur. Die valt

vanzelf in het slot.

.

Ga dan toch lekker

een bosbad nemen of met iemand

uit de wabi-sabi-lobby lekker vrijen in de zon

of een lekker gedicht daarover schrijven

in een witte foert. met binnen handbereik

een multipack vederlichte

woehahaha’s.

.

Morgen dus.

Hoe moeilijk kan dat zijn.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

.

 

%d bloggers liken dit: