Site-archief

pseudoniemen

Marieke Jonkman

.

De naam Marieke Jonkman zal je waarschijnlijk niet zoveel zeggen. Maar als je begin jaren negentig van de vorige eeuw actief met poëzie bezig was dan waarschijnlijk wel. Marieke Jonkman is namelijk een pseudoniem van de dichter Anton Ent (1939) wat dan weer een pseudoniem is van de persoon Henk van der Ent (zijn echte naam).

Op zichzelf is het hebben van een pseudoniem als dichter geen noviteit, in de loop der eeuwen zijn er vele dichters geweest met één of meer pseudoniemen. Dichters als Antoine de Kom (Raymond Sarucco), Willem Barnard (Guillaume van der Graft), Christa Widlund-Broer (Anna Enquist), Willem Eduard Keuning (Willem de Mérode), R.H. van den Hoofdakker (Rutger Kopland), Floris van Merckem (Maurice Gilliams), Frederik van Eeden (Cornelis Paradijs), Michael M. Kuijpers (K. Michel), Johan Willem van der Zant (Hans Andreus) en Sylvie Marie (Sylvie de Coninck) zijn ofwel bekend door hun echte naam (na eerst onder pseudoniem te hebben geschreven) of zijn bekend geworden onder hun pseudoniem en dan is hun echte naam vaak (veel) minder bekend. En dit zijn maar een paar voorbeelden, wanneer je als zoekterm pseudoniem intikt op dit blog kom je vele pagina’s blogberichten tegen met dichters met een pseudoniem. Ook ik heb mijn eerste gedicht gepubliceerd onder een pseudoniem (W. Vos).

En dit zijn maar een aantal voorbeelden van Nederlandse en Vlaamse dichters, ook internationale dichters van naam hebben zich bedient van pseudoniemen of zijn bekend onder hun pseudoniem (Pablo Neruda, José Ribamar Ferreira, Wahé Arsèn, Paul Celan, Paul Snoek en Andreas Thalmayr). Wat nog een andere, veel minder voorkomende categorie pseudoniemen is, is het mannelijke pseudoniem voor een vrouwelijke dichter (Petronella Buzing  die onder het pseudoniem Peter Jaspers bekend werd) en het vrouwelijke pseudoniem voor een mannelijke dichter (Anton Ent die bekend schreef onder de naam Marieke Jonkman).

Marieke Jonkman schreef in 5 jaar (tussen 1991 en 1996) 4 dichtbundels waarvan de eerste drie heel succesvol waren. Haar poëzie verscheen in literaire tijdschriften als Maatstaf. Opvallend ook is dat de poëzie van Marieke Jonkman meer aandacht krijgt (recensies) en vaker wordt opgenomen in bloemlezingen. In 1993 maakt Anton Ent bekend dat hij achter dit pseudoniem schuil gaat. In een interview in Trouw uit 1993 gaat Anton Ent dieper in op het hoe en waarom van dit pseudoniem https://www.trouw.nl/nieuws/marieke-jonkman-in-andermans-huid~be8e37a4/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.nl%2F

In Maatstaf 3/4 uit 1994 zijn een aantal gedichten van Marieke Jonkman opgenomen waaronder het gedicht ‘Inzicht’.

.

Inzicht

.

Zo is het echt. Zo zit de woning in elkaar:

Schenk jij voor het bezoek iets in en waarom

moet ik jou dit vragen? Als ik dood ben, heb

ik gestreden, dagelijks, iedere seconde.

.

Afgewezen is de onderstroom en boventoon

van mijn bestaan. Juffrouw Strijdvaardig

legt het af. Legt het nimmer af. Ben. Maar.

.

Ik wil ontspannen vragen: wat wilt u drinken?

het dienblad dragen en geen fooi bedingen

zodra macht explodeert en mannen zingen:

de spiegelvrouw is gastvrouw op dit feest.

.

Amoureus liedje

Bertus Aafjes

.

In 1940 debuteerde dichter en schrijver Bertus Aafjes (1914 – 1993) de bundel ‘Het gevecht met de Muze’. In die tijd was Aafjes nog heel actief als dichter. In 1953 verscheen zijn (toen nog) laatste gedichtenbundel ‘De Karavaan’ nadat hij gebrouilleerd raakte met de literaire wereld door zijn verzet tegen de Vijftigers (die hij van fascisme betichtte). Later in zijn leven zou Aafjes toegeven dat hij zich enorm vergist had en dat zijn afkeer van de Vijftigers al kort na het verschijnen van de gewraakte artikelen was omgeslagen in bewondering.

Pas in 1980 verscheen er weer poëzie van zijn hand met de bundel ‘Deus sive natura’ met erotische gedichten, maar die werd niet onverdeeld positief ontvangen. Gerrit Komrij schreef erover in een recensie: “Zijn erotische pennevruchten worden niet gered door poëzie, maar geaborteerd door dichterlijkheden. Schallende hoogdravendheid komt in de plaats van geladen suggestie. Het resultaat is, het spijt me dat ik het moet zeggen, erger dan de goedkoopste pornoshow. Je loopt er hersenplatjes van op.”

In zijn debuut staat het gedicht ‘Amoureus liedje in de morgenstond’ (voor clavesymbel)  dat ook zeker een (licht) erotisch gedicht genoemd mag worden. Overigens las ik op het blog http://blog.despinoza.nl/ de uitspraak van Aafjes (Aafjes was – in ieder geval lange tijd – devoot katholiek die zich verzette tegen kerkelijke structuren, verhoudingen en normen)

“Er zijn vele wegen maar de juiste weg is de weg ertegen, niet de weg eronder – dat is onderkruiperij -, niet de weg erover – dat is pluimstrijkerij -, maar de weg ertegen – tegen alle wegen in en dat is van de wijsheid nog maar het begin.” Een uitspraak die Peter R. de Vries als lijfspreuk had.

.

Amoreus liedje in de morgenstond

.

(voor clavesymbel)

.

Wanneer ik in de morgenstond,

gezeten bij het vuur, ontroerd

zie hoe het liefje rijgt en snoert

aan het corset met strakke mond,

.

en hoe haar boezem honingblond

zich boven de omheining roert,

alsof haar hart op springen stond,

.

dan wordt ik heimelijk gewond,

om zooveel wilde praal en pracht

in de baleinen saamgebracht

en zegen met half-open mond,

de mist, de mei, de morgenstond.

.

 

Kwaad gesternte

Hannah van Binsbergen

.

In 2017 won dichter Hannah van Binsbergen (1993) met haar debuutbundel ‘Kwaad gesternte’ uit 2016 de VSB Poëzieprijs. Het titelgedicht uit deze bundel wil ik vandaag met je delen.

.

Kwaad gesternte

.

Het is woensdag en ik mag een harnas kiezen dat geweld
op afstand houdt, in alliantie met de Vijanden van Vernedering.
Als ik mijn benen weer bij elkaar doe, word ik moeier en moeier;
ik kan wachten in mijn wapenrusting of het rokje dat hij mooi vond, hij
zal niet komen. Ik bijt hem, hij moet het afleren.
Als ik mijn ogen open is alles verloren, dan moet ik meegaan
naar het gat in de geschiedenis. Van alle marsen die jullie kunnen
lopen, jullie die ik mijn broeders noem, waarom is er niet één
die niet vooruitgaat?
.
Ik kan niet kiezen. Mijn vrienden willen mij niet helpen en mijn vijand
die een vaste vorm begint te krijgen aan de randen van mijn angsten
spreekt bemoedigende woorden.
Hebben jullie wel eens aan het kwaad gedacht dat in de situatie schuilt?
Het harnas dat ik kies zal hopelijk mijn geur verhullen.
Als ik mijn benen bij elkaar doe, is alles verloren.
Mijn harnas klinkt me vast aan dit moment, waar iets herinnerd
en iets beloofd wordt en dit gesternte staat boven mijn hele generatie.
.
Ik heb weinig hoop zonder jullie, maar jullie geven me niets
wat ik niet snel en zo vernederend zacht moet laten gaan,
jullie die ik mijn broeders noem, een droom
die het dagelijks leven stuk kan slaan, is dat
waarom we vooruitgaan?
Zolang ik niet mijn ogen open, lig ik in zijn armen.

.

Tegen het krakende hek

Rutger Kopland

.

In de bundel ‘Ik heb de liefde lief’ de mooiste liefdesgedichten uit de Nederlandse en Vlaamse poëzie staan heel veel prachtige, ontnuchterende en romantische liefdesgedichten. Willem Wilmink, samenst4eller en inleider heeft destijds in 1993 goed werk verricht. Wat ik wel altijd jammer vind aan themabundels is dat ze zo tijdgebonden zijn. Natuurlijk heeft Wilmink zich goed ingelezen en komen de gedichten van dichters die leefden van de 15e eeuw tot nu, maar na 1993 staan er natuurlijk geen nieuwe liefdesgedichten meer in.

Als je, zoals ik, heel veel poëziebundels bezit en een groot deel daarvan zijn themabundels (bijvoorbeeld over liefdespoëzie) kom je dus regelmatig dezelfde gedichten tegen. En ik maak me toch sterk dat er ook na 1993 heel veel prachtige liefdesgedichten geschreven zijn. In ieder geval door mijzelf in de bundel XX-XY, liefdespoëzie https://woutervanheiningen.wordpress.com/2016/01/23/mijn-cadeau-voor-jou/ .

Ondanks bovenstaande kom ik toch nog regelmatig oudere gedichten tegen die ik niet ken en die zeer de moeite waard zijn, ook van het delen op dit blog. Zo’n gedicht is ‘Tegen het krakende hek’ van Rutger Kopland. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Wie wat vindt heeft slecht gezocht’ uit 1972.

.

Tegen het krakende hek

.

Zo stonden wij tegen het krakende hek,
zo buiten de wereld als paarden.

.

Het was weer aarde, gier en soir de
paris, een avond van waar en wanneer.

.

In mij kwamen vergeten regels omhoog,
zachte op nacht rijmende landerijen,

.

maar jij fluisterde: hier, hier is het
het fijnste, waar je nu bent, waar je nu

.

bent met je handen. Zo lagen we tegen
de aarde en tegen elkaar, terwijl het hek

.

kraakte tegen de opdringende paarden.

.

zelfs de pleister weigert

Babeth Fonchie

.

De Stichting Onbederf’lijk Vers organiseert elk jaar in oktober een gratis festival onder dezelfde naam in de binnenstad van Nijmegen. Beginnend talent staat daar samen met gedebuteerde dichters op de planken. Omdat in 2020 dit festival om bekende redenen niet door kon gaan heeft de stichting nu een bloemlezing uit met daarin beginnend talent.

Een mooi initiatief al vraag ik me bij een naam als die van Erika de Stercke oprecht af of hier nog sprake is van beginnend talent. Zolang ik meeloop in de wereld van de poëzie in Nederland kom ik haar al tegen en zij stond jaren geleden al op het podium van Ongehoord! in Rotterdam.

Maar een mooi initiatief want behalve Erika de Stercke en Mandy Mariska Eggerding ken ik geen van de namen in deze bundel. Dat geldt dus ook voor Babeth Fonghie (1993). Fonchie is dichter, kunstenaar en meester in de rechten. Sinds het najaar van 2019 is ze huisdichter van het online feministisch magazine Lilith Mag. Werk van haar werd gepubliceerd in ELLE, Hard/Hoofd en Kluger Hans. En ze is een van de deelenemers aan het Slow Writing Lab.

In ‘Bloemlezing Onbederf’lijk Vers, voorjaar 2021’ zijn twee gedichten van haar opgenomen waaronder het gedicht ‘zelfs de pleister weigert’.

.

zelfs de pleister weigert

.

ze zegt: kap je haren af voordat we

teruggaan naar waar het spantouw

dat jou aan mij bond werd afgeknipt,

ik kan zo niet met jou gezien.

.

ze is spaarzaam met erkennen

dat ik haar kind, dit is het beeld de plaats

waarnaar verwezen wordt als men vraagt

welk moment tekenend was.

.

teruggaan naar waar ik vandaan kom

geen optie. mijzelf afbreken

in fragmentarische follikels,

de bodem is hoofdhuid, elke plek

elke plek kent een ontstekingswaarde

nergens valt te aarden,

,

het blijft jeuken.

.

C.S. Lewis en Joy Davidman

Poëzie in ‘Shadowlands’

.

Afgelopen weken keek ik naar ‘Shadowlands’, een film van Richard Attenborough uit 1993 over (een deel) van het leven van de Engelse schrijver C.S. Lewis. In de film gaat het over de liefdesgeschiedenis tussen C.S. (Jack) Lewis (1898 – 1963) en de Amerikaanse schrijver en dichter Helen Joy Davidman (1915 – 1960). Lewis was een beroemde, in Ierland geboren schrijver, letterkundige en christelijk apologeet, vooral bekend van de serie ‘De kronieken van Narnia’ welke door de BBC als televisieserie en later door Disney als films (enkele van de 7 delen) zijn uitgebracht.

Joy Davidman is de vrouw met wie Lewis enige jaren getrouwd was tot haar dood door kanker in 1960. Ze ontmoeten elkaar in 1952 en de jaren daarna tot aan haar dood vormen het verhaal van ‘Shadowlands’ waarin Anthony Hopkins en Debra Winger de hoofdpersonen vertolken.

Joy Davidman had in de Verenigde Staten, waar ze vandaan kwam, al haar sporen verdient op poëtisch gebied. Zo won ze met haar bundel ‘Letter to a Comrade’ de Yale Series of Younger Poets Competition in 1938 en de Russel Loines Award for Poetry in 1939.

In het begin van de film wordt bij Lewis bekend dat Joy gedichten schrijft. Hoewel ze eerst aarzelt draagt ze vervolgens het gedicht ‘Snow in Madrid’ voor aan hem.  Omdat ik dit zo’n mooi gedicht vind (het gedicht is gebaseerd op de mannen die in de Spaanse burgeroorlog vechten tegen de fascisten, hoewel Davidman daar nooit bij is geweest, zoals ze in de film aan Lewis toegeeft) heb ik het opgezocht en wil ik het hier delen.

.

Snow in Madrid

.

Softly, so casual,

Lovely, so light, so light.

The cruel sky lets fall

Something one does not fight.

.

Men before perishing

See with unwounded eye

For once a gentle thing

Fall from the sky.

.

Jezus leeft

Mattijs Deraedt

.

Bij de laatste tweede kamer verkiezingen deed een redelijk obscure partij mee met de naam ‘Jezus leeft’. Ik heb het even opgezocht en ze haalden maar liefst 5.015 stemmen, je vraagt je af naar wie die stemmen gaan want voor een zetel is het bij lange na niet voldoende, maar dit even terzijde.

Ik zag gisteren een poster van deze splinterpartij en moest toen denken aan een gedicht van Mattijs Deraedt dat ik ergens gelezen had. Na enig zoekwerk had ik het gedicht gevonden op de website https://www.deoptimist.net/

Mattijs Deraedt (1993) is poëzieredacteur bij literair tijdschrift Kluger Hans. Gedichten van hem verschenen in tijdschriften als MUGzine (nummer 5) https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/12/16/mug-5-is-er/, Het Liegend Konijn, De Revisor, Poëziekrant en Extaze. In 2017 werd hij derde in de finale van Write Now! met een cyclus gedichten. Eind 2018 stond hij in Vers van het Mes, een eigenzinnig poëzieprogramma van deBuren en Perdu.

In het voorjaar van 2020 verscheen zijn debuut ‘De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan’ bij uitgeverij Poëziecentrum dat inmiddels de shortlist heeft gehaald van De Grote Poëzieprijs 2021 (opvolger van de VSB Poëzieprijs). Het gedicht ‘Basic Jezus’ haalde de bundel niet maar is zeer de moeite waard..

.

Basic Jezus

.

Ik heb Jezus gezien in de Basic-Fit.
Hij gaf me tips over mijn houding
en nam een selfie met de #nocrossnofit.
.
Op weg naar huis werd ik
in elkaar getrapt door de Farizeeërs
tussen de theehuisjes en de voetballende tieners.
.
Hij keek toe en ik zei:
‘Dit is mijn lichaam Jezus,
breek en eet hiervan.’

.

DICHT.R.lijk

Wout Oppenheim

.

De Rotterdamse dichter Wout Oppenheim stuurde mij zijn bundel ‘Dichterlijk’ toe, of eigenlijk ‘DICHT.R.lijk.’ waarbij ik de R. dan maar voor Rotterdam lees. Want alles aan deze bundel is Rotterdams. Elk gedicht gaat over Wout’s geliefde stad aan de Maas. Titels van gedichten zijn ‘Zadkine’, ‘Laurenskerk’, ‘Oude raadhuis’, ‘Rotterdamse pleinen’ en ga zo maar door. Maar gek genoeg staat er ook (in het Rotterdamse gedeelte’ een gedicht in getiteld ‘Amsterdam’. De rechtgeaarde Rotterdammer begrijpt dat dit geen positief gedicht betreft.

In het tweede deel van de bundel getiteld ‘Maar er is meer…’ staan echter ook gedichten over Spanje, Suriname en Kaapverdië. Landen die Oppenheim bezocht voor werk, vakantie of de liefde. Toch kan ik natuurlijk dit blog alleen maar eindigen met een rasecht Rotterdams gedicht. De titel van het gedicht ‘De nieuwe hef’ een begrip in Rotterdam.

De Hef is de populaire benaming van de Koningshavenbrug, een sinds 1993 voor het treinverkeer buiten gebruik gestelde spoorweghefbrug over de Koningshaven in Rotterdam. De brug vormde deel van de spoorlijn Breda – Rotterdam.

.

De nieuwe hef

.

Niet ver van de oude

maar met een zelfde doel voor ogen

doet een staaltje bouwkundig lef

het aangezicht van de stad verhogen.

Een grote zwaan

gesmeed uit talloze miljoenen.

Haar brede wegdek

ontdoet wijken van hun kinderschoenen.

Dit bindend element

maakt de stad compleet.

Van het puin uit haar verleden

heeft men door de vernieuwde skyline

op den duur geen weet.

.

Sonnet

Jan Kuijper

.

In de bundel ‘De 200 bekendste, mooiste, tederste, leukste sonnetten’ uit 1985, samengesteld en ingeleid door Robert-Henk Zuidinga, staan sonnetten uit de Nederlandse literatuur vanaf de 16e eeuw tot heden. Het sonnet, een van de bekendste en meest geliefde vaste versvormen wordt ook nu nog door veel dichters beoefend. In de bundel kwam ik twee sonnetten tegen van dichter Jan Kuijper.

En zoals zo vaak, wanneer ik in dit soort bloemlezingen of verzamelbundels dichters tegen kom die ik nog niet ken, was ik meteen nieuwsgierig naar Jan Kuijper (1947). Op zijn Wikipediapagina staat te lezen dat hij de door de experimentele Vijftigers verketterde dichtvorm van het sonnet in ere herstelde. Tussen 1973 en 2013 schreef hij 9 dichtbundels en van 1984 tot en met 1993 was hij redacteur van het literaire tijdschrift De Revisor.

In 1980 ontving hij de Herman Gorterprijs voor de bundel ‘Oogleden’, in 1990 de Jan Campertprijs voor de bundel ‘Tomben’ en in 2011 de Filter-vertaalprijs voor ‘Liefdesliederen uit het Middelnederlkands van Hadewijch’.

In de genoemde bundel is hij met maar liefst drie sonnetten opgenomen, ik koos voor de grappigste ‘In de beperking’ dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Sonnetten’ uit 1973.

.

In de beperking

.

Er was ’s nachts iets in mijn luier beland.

’t Moest nu nog heel vroeg in de morgen zijn.

‘k Kon nu niet meer slapen; maar ‘k was nog te klein

om over het hekje van mijn ledikant

te klimmen. – Buiten, in de zonneschijn,

hield een merel boven op een gootrand

zijn mededingers zingend op afstand;

er waren grenzen aan zijn broedterrein.

.

‘k Wist niet waarom de zwarte vogel floot;

voor mij had hij een muzikaal moment,

maar dan urenlang. – Ik was wel gewend

het papier te bewerken met potlood,

maar hechtte aan zelfbeperking geen belang.

Nu had ‘k geen keus dan dan keutel en behang.

.

 

Maaltijden

Dubbel-gedicht

.

Als het over eten gaat of maaltijden kun je in poëzie alle kanten op. Want wat te denken van het dubbel-gedicht van vandaag dat over maaltijden gaat. Aan de ene kant een ontbijt en aan de andere kant het laatste avondmaal. Twee totaal verschillende gedichten die aan elkaar gekoppeld zijn door het feit dat het hier twee dagelijkse maaltijden betreft en toch zijn ze zo anders en gaan ze feitelijk over heel verschillende zaken. Ingmar Heytze vroeg deze week op Facebook aan zijn vrienden waarom je eigenlijk een titel boven een gedicht zou zetten. Ik heb daar als antwoord opgegeven dat een titel nieuwsgierig maakt naar de inhoud van een gedicht. in dit dubbel-gedicht speelt nieuwsgierigheid een grote rol, welk aspect van de maaltijd speelt hier de hoofdrol, of speelt de maaltijd in deze gedichten eigenlijk wel een rol? Oordeel zelf.

Het eerste gedicht is van Hendrik van Teylingen (1938-1998) en is getiteld ‘Ontbijt’. Dit gedicht komt uit de bundel ‘De baron fietst rond’ uit 1966.

Het tweede gedicht is getiteld ‘het laatste avondmaal’ en is van Lucebert (1924-1994). Dit gedicht komt uit ‘Van de roerloze woelgeest’ uit 1993.

.

Ontbijt

.

Stilleven met vrouw, kind en man.

De man merkt nog niet dat hij eet.

De vrouw heeft voordat ze het weet

een stapel vaat voor zich alleen.

.

Het kind kijkt kauwend voor zich heen:

de regen is gemeen, die slaat

maar op de ruiten los zodat

het rammelt – ze huilen ervan

.

De vrouw schenkt galakoffie in,

afwezig als een koningin.

.

Haar enig majesteitsvertoon:

twaalf krulspelden, gevoegd tot kroon.

.

De rijksappel zit in zijn tas.

Hij rijst, nijgt stil en pakt zijn jas.

.

het laatste avondmaal

.

het laatste brood verkoold

de laatste dia van het avondrood

het laatste lichaam in het massagraf

het tillen van het laatste lichaam

het eerste optillen van het lichaam

ten leste het voortslepen van de laatste resten

de laatste zelfgenoegzaamheid

het rechten van de schouders

het spannen van de spieren van schouders en borst

het laatste avondmaal in het licht

van het laatste avondmaal

mooi bruin schemerlicht valt over het haar

valt over de schouders geen vlek

geen bloed aan de slapen op de geloken ogen

die door de wimpers turen naar het verkoolde brood

met een zelfgenoegzaamheid met het laatste weten

zij hebben het in de gaten de laatste gaten

hebben zij tevreden waargenomen

het grote graf is gesloten

het laatste zand erover het zand aangestampt

er tussendoor even de laatste dia genomen

rode dia dag die laatste dag

zo rood kleurde dat het leek dat de hemel

vol bloed lag vol zweet en bloed

bloed en zweet droop op de tafel

het avondmaal smaakte naar zweet en bloed

midden op de tafel stond naast het brandende broodrooster

de laatste beker leeg als een onthoofd lichaam

azijn de laatste waan van wijn

het laatste van het laatste lag

voor het oprapen maar niets meer smaakte

.

 

%d bloggers liken dit: