Site-archief

Staying alive

Raymond Carver

.

Wanneer je een dikke poëziebundel  koopt met de titel ‘Staying alive’ dan kan het nog alle kanten opgaan. Als zo’n bundel een ondertitel heeft ‘real poema’s for unreal times’ dan zegt dat nog niet zoveel. Maar dan staat er op de achterflap een uitleg bij deze titel: ” Staying alive is een internationale bloemlezing van levensbevestigende gedichten geïnspireerd door het geloof in de mens en het spirituele in een tijd waarin veel in de wereld onwerkelijk, onmenselijk en hol voelt. Dit zijn gedichten met een grote persoonlijke kracht die onze inspiratie verbindt met onze menselijkheid, ons helpen om ons staande te houden in het leven en trouw te blijven aan onszelf”. 

Eerlijk gezegd zegt dit me nog steeds niet veel maar de bundel begint met citaten van Franz Kafka en Emily Dickinson over poëzie. Emily Dickinson zegt bijvoorbeeld: “If I read a book and it makes my whole body so cold no fire ever can warm me I know that is poetry. If I feel physically as if the top of my head were taken off, I know that is poetry.”

Wanneer ik dan naar de inhoud kijk en de dichters die zijn opgenomen in deze bloemlezing uit 2002, samengesteld door Neil Astley, dan word ik al enthousiaster: Robert Frost, Sylvia Plath, Stevie Smith, John Berryman, E.E. Cummings, Robert Frost, Ezra Pound, Anne Sexton en Adrienne Rich, ruim 460 pagina’s van redelijk bekende tot heel bekende dichters.

Al lezend bleef ik hangen bij een gedicht van Raymond Carver getiteld ‘Happiness’ oorspronkelijk uit ‘All of us’ uit 1996. Het gedicht gaat over hoe eenvoudig een gevoel van geluk kan worden gevonden in de meest eenvoudige dingen om ons heen. Op https://www.aresearchguide.com/happiness.html staat een nadere analyse van dit gedicht.

Raymond Clevie Carver, Jr. (1938 – 1988) was een Amerikaans schrijver en dichter. Hij werd vooral bekend door zijn puntige, schijnbaar laconiek geschreven korte verhalen. Het grootste deel van zijn leven kampte hij met ernstige alcolholproblemen en zat hij financieel volledig aan de grond. Maar op zijn veertigste slaagde hij erin zijn leven op orde te krijgen. Hij schrijft vooral over relaties die stuklopen, de uitzichtloosheid van het leven en het vergetelheid zoeken in de drank. Carver wordt tegenwoordig beschouwd als een van de grootste Amerikaans auteurs van de 20ste eeuw en de belangrijkste kracht achter de heropleving van de Amerikaanse short story. De stijl van Raymond Carver wordt ook wel literair minimalisme genoemd.

.

Happiness

.

So early it’s still almost dark out.
I’m near the window with coffee,
and the usual early morning stuff
that passes for thought.

.

When I see the boy and his friend
walking up the road
to deliver the newspaper.

.

They wear caps and sweaters,
and one boy has a bag over his shoulder.
They are so happy
they aren’t saying anything, these boys.

.

I think if they could, they would take
each other’s arm.
It’s early in the morning,
and they are doing this thing together.

.

They come on, slowly.
The sky is taking on light,
though the moon still hangs pale over the water.

.

Such beauty that for a minute
death and ambition, even love,
doesn’t enter into this.

.

Happiness. It comes on
unexpectedly. And goes beyond, really,
any early morning talk about it.

.

 

De vaas

Toon Tellegen

.

Van mijn broer kreeg ik uit de kringloopwinkel het boek ‘De geheimen van Wikke en Dille, aantekeningen over poëzie’ van Wiel Kusters uit 1988. In dit boek beschrijft Wiel Kusters op speelse en zinvolle wijze over verbanden tussen gedichten en andere verschijnselen in de Nederlandse poëzie. In korte hoofdstukken beschrijft hij gedichten en brengt hij allerlei informatie over op de lezer. Over dichters, levens van dichters, omstandigheden waarin de dichters leefden en waarin gedichten geschreven zijn. Maar ook verbanden tussen gedichten.

Zo beschrijft hij twee gedichten van Toon Tellegen waarin de vaas een rol speelt. Een van de twee gedichten is ook getiteld ‘De vaas’. Omdat ik dit gedicht zo mooi vind wil ik dit hier met jullie delen. Uit de bundel ‘De aanzet tot een web’ uit 1981 het gedicht ‘De vaas’.

.

De vaas

.

Tevoorschijn getoverd uit oude kranten

en tegen het licht gehouden,

je blauw is beroemd en nog altijd

kostbaar, je breekbaarheid

berucht.

Je bent mooi

en staat op een kast. Een kat

zoekt een vlieg die in jou zoemt.

Ik sta voor een gesloten deur, met bloemen, en te laat.

.

Dubbel-gedicht

De meeuw

.

Opnieuw een dubbel-gedicht en vandaag zijn het twee gedichten over meeuwen van Dirk Kroon en Jan Kuijper.

Het gedicht ‘Meeuwen’ van Jan Kuijper staat in de bijzonder fraaie bundel ‘ Ik heb het rood van het Joodse bruidje lief’ gedichten over beeldende kunst samengesteld en ingeleid door T. Van Deel uit 1988. Jan Kuijper zijn gedicht is geplaatst bij het schilderij ‘Meeuwen’ van naamgenoot Jacob Kuijper. Dit gedicht in de bundel ‘Oogleden’ uit 1979.

Het tweede gedicht ‘Meeuw in de middag’ van Dirk Kroon verscheen in de bundel ‘Geruchten’ uit 1986.

.

Meeuwen

.

Zo gaat het nog. Er is genoeg te zien.

Als hij had toegegeven aan de meeuwen

waren ze alles komen ondersneeuwen

met een leeg doek als het gevolg van dien.

Nu zijn ze nog maar met een stuk of tien

aan ‘t stilstaand vliegen en geluidloos schreeuwen.

De schepen liggen dubbel stil. Na eeuwen

zijn ze nog altijd niet vergaan, misschien.

.

Geen tweemaal doet zich hier hetzelfde voor:

er vliegen meeuwen, water is er ook

en schepen zorgen voor een beetje rook.

Ik blijf staan kijken of ik loop weer door

en wou wel dat er heel veel meeuwen kwamen

om voor voldoende wit te zorgen samen.

.

Meeuw in de middag

.

Het is of de zilvermeeuw aarzelt,

wil zwenken, schuin in zijn vleugels,

en evenwicht juist nog hervindt.

.

Wie de draagkracht van veren

niet kent en gespannen omhoog ziet

wordt bang voor een windval.

.

De zilvermeeuw bijna bewegingloos,

aan het begin van een scheervlucht,

scherpt wel zijn vleugels maar

.

snijdt niet, nee streelt nu de luchtlaag

met slagpennen en het zachtste dons

waarlangs het wonder van het licht ontglipt.

.

Alst past

Victor Speeckaert

.

Ik verbaas me soms over dichtbundels die ik tegenkom in kringloopwinkels en op rommelmarkten. De staat waarin bundels zich bevinden die toch al heel oud zijn bijvoorbeeld. Zo kocht ik een klein bundeltje, je mag het eigenlijk niet eens een bundeltje noemen, het zijn 5 A4tjes met een slap kaftje aan elkaar geniet, met 9 gedichten daarin van de dichter Victor Speeckaert uit 1962 in een staat alsof het net vorige week gemaakt was.

Victor Speeckaert (1906-1988) was zijn leven lang werkzaam als ambtenaar op de administratie van de gemeente Gent. Daarnaast was hij archivaris der Fonteine (een Rederijkerskamer die stamt uit de 15e eeuw). Speeckaert debuteert in 1931 met de bundel ‘Najaarskleuren’ die nog door Marnix Gijsen in De Standaard wordt besproken. Zijn gedichten werden in 1970 bijeengebracht in de bundel ‘Verzamelde Gedichten’, een fraai uitgegeven boekje, met illustraties van Jos van den Abeele en Paul Mak en vier tekeningen van Herman Verbaere. De ‘Verzamelde Gedichten’ bevatten een herdruk van de cyclussen ‘Van Zomer en Najaar’ (1954/1955) en ‘De Rij der Maanden’ (1957) en verder twee reeksen van negen en acht stukken onder de respectievelijke titel ‘Alst Past’ en ‘Bi Apetite’, die samen het devies vormen van de rederijkerskamer ‘De Fonteine’, waarvan hij in 1931 bestuurslid en in 1941 archivaris was geworden.

Het bundeltje ‘Alst past’ heb ik dus nu in bezit. Uit dit kleine maar fijne bundeltje koos ik het gedicht ‘Aan de Sure’.

.

Aan de Sure

.

Er ruist een teder woord

Uit ranke wilgetwijgen

Die aan de Sûreboord

Naar ’t helder water nijgen,

Waarin hun spiegelbeeld,

Door ’t Stroomgeweld gebroken,

De Blaren kust en streelt

Om ’t woord door hen gesproken.

.

Dat woord ruist in mij mee,

In hart noch ziel te stelpen,

Als ’t ruisen van de zee

In parelmoeren schelpen,

Want aklles wat nog zin

En waarde schenkt aan ’t leven

Heeft aan dat woord “ik min”

Mij antwoord steeds gegeven.

.

Niet vanzelf goed

Sylvia Hubers

.

Bij de opening van de Haarlemse Dichtlijn droeg Sylvia Hubers een gedicht voor. De bundel die naar aanleiding van de Haarlemse Dichtlijn werd gemaakt draagt als titel een zin uit haar gedicht ‘Ze zag mij en groette’. Sylvia Hubers (1965) is dichter en prozaschrijfster. In 1988 verzorgde ze de illustraties bij een eigen beheerbundel van de toen 18-jarige Erik Jan Harmens. Sylvia Hubers was stadsdichter van Haarlem 2009-2013 en is medewerker van Het liegend Konijn. Van haar hand verschenen al meerdere bundels. Uit haar bundel ‘God gaf ons apparaten’ uit 2011 het gedicht ‘Dingen die niet vanzelf goed gingen’.

.

Dingen die niet vanzelf goed gingen

.

Er waren dingen die niet vanzelf goed gingen. Porren, er
moest gepord worden. Gesjouwd. Besproken. Geregeld.
Het nerveuze systeem ging ervan in een driedimensionale
versnelling. De geest ging in de kelder zitten rillen. Er
werden dingen gesjouwd, besproken, geregeld. Er begon-
nen dingen te gebeuren. Dingen die niet vanzelf goed
gingen. Deze moesten opnieuw worden bekeken. Er
moest opnieuw met de dingen worden gesjouwd. Er werd
weer besproken en geregeld. En nog eens. Het nerveuze
systeem schakelde over naar een vierde dimensie. Die nog
niet door het universum was ontketend. Dus dat moest
ook weer worden geregeld. Bij elkaar gesjouwd. Bespro-
ken. Gepord. Papieren ondertekend.

.

Tienminutengesprek

Esther Jansma

.

Dat dichters maar zelden alleen dichter zijn mag bekend zijn, van gedichten schrijven valt nu eenmaal niet te leven (een enkele uitzondering daargelaten uiteraard). Vaak schrijven ze naast poëzie ook proza, columns of korte verhalen, liedteksten of andere teksten. Er zijn er ook die naast hun dichterlijke leven nog een andere baan hebben zoals journalist, redacteur of directeur van een bibliotheek. Esther Jansma is wat dat betreft toch een beetje een vreemde eend in de bijt. Zij is naast dichter ook prozaschrijfster en archeologe!

Ze debuteerde in 1988 met de dichtbundel ‘ Stem onder mijn bed’ waarna nog verschillende dichtbundels volgde. Voor haar werk ontving ze onder andere de VSB Poëzieprijs, de Jan Campert-prijs en de A. Roland Holst-penning.  Uit haar bundel ‘ Voor altijd ergens’ uit 2015 koos ik in deze vakantieperiode voor het gedicht ‘ Tienminutengesprek’.  Een grappig en schurend gedicht waarbij ik onwillekeurig moest denken aan de televisieserie de Luizenmoeder.

.

Tienminutengesprek

.

Nadat de onderwijskrachten met man en macht
op vrouwelijk zuchtend voorovergebogen begrip
simulerende wijze waren uitgewoed – en weet

dat daar woede bij zat, banieren grof rood door
het hoofd, intonaties die intenties uit koers rammen –
hadden de van schrik en noodlottige toekomsten

verstijfde tegenover de krachten op hun verzoek
aan knielage tafels neergekrompen in stoeltjes geklemde
zorgers voor hun zoon het volgende bereikt:

Een: wij gaan ons best doen omdat wij goed zijn.
Twee: over een maand weten wij of zijn leven
gaat lukken. Wij melden dat desgewenst schriftelijk.
Drie: dit is een productafspraak.

.

Eenzame uitvaart

Maarten Inghels

.

Maarten Inghels (1988) is een Vlaamse dichter die van 2016 tot 2018 stadsdichter was van Antwerpen. In die periode schreef hij het gedicht ‘Bij de eenzame uitvaart van een man die een boom wilde zijn’. De eenzame uitvaart is een literair en sociaal project waarbij dichters eenzaam gestorvenen begeleiden naar hun laatste rustplaats. Het gedicht werd geschreven door de dichter van dienst (in dit geval Maarten Inghels) bij de uitvaart van meneer P.V.d.W. Hij was een zwembadbouwer van beroep, maar leed aan het einde van zijn leven aan psychische problemen. Hij dacht hij een boom was.

.

Bij de eenzame uitvaart van een man die een boom wilde zijn

.

Een boom te willen zijn
Om in huizen binnen te kijken

Bijvoorbeeld in een kantoor in een Frans hoekgebouw
Het verlangen een Frans hoekgebouw te zijn
Waarin een ambtenaar naar zijn gaatjesmaker staart
Een gaatjesmaker te zijn en gratis lucht te drukken

De gedachte het verlangen een kantoorartikel te zijn
O de wens een voorwerp van gesprek te zijn
Een nuttige bijzaak te zijn

Een envelop zijn met iemands naam op

Een kartonnen doos met uitnodigende flappen
Het verlangen te worden gevuld

De gedachte een telefoon
Te zijn tegen vochtige oren
Vast te worden gehouden
Intieme praatjes te horen

De gedachte het verlangen een deelnemer

De gedachte het verlangen een kopieerapparaat te zijn
De billen van een kantoorbediende te printen
In een donkere bureaulade te liggen
Elk denkbaar moment onverwacht vastgegrepen te worden

Een nietmachine te zijn om dingen tussen je benen te klemmen

Of het verscheurende verlangen een liniaal te zijn
De werkelijkheid ijken aan mijn onbuigzame karakter
Een houvast worden

Het verlangen in zee
Smeltende zon te zijn

Ergens anders ter wereld weer boven te komen

De gedachte het verlangen een boom
Om bloot te worden en opnieuw te beginnen

.

de Coninck en Buddingh’

Prijs en gedicht

.

Sinds 1988 bekroont Poetry International jaarlijks het beste Nederlandstalige poëziedebuut met de C. Buddingh’-Prijs. Met de prijs beoogt Poetry International meer aandacht te genereren voor talentvolle nieuwe stemmen in de Nederlandstalige poëzie. Voor menig dichter van naam was de C. Buddingh’-prijs de eerste belangrijke trofee die in de wacht werd gesleept. Namen die me te binnen schieten zijn Anna Enquist, Marieke Lucas Rijneveld, Vicky Francken en Ilja Leonard Pfeijffer. De prijs is genoemd naar Cees Buddingh’.

In de cyclus ‘Ars poetica’ schrijft Herman de Coninck een gedicht ‘Aan Buddingh’ en in eerste instantie dacht ik dat het een soort van eerbetoon was aan de poëzie van Buddingh’. Totdat ik op de website dbnl.org een artikel las uit een ‘Tirade’ uit 1977 waarin de zaken toch enigszins anders blijken te liggen. De poëzie van Herman de Coninck werd in 1970 opgenomen in de bundel ‘Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen’. De nieuw realistische dichters zetten zich aan de ene kant af tegen het “welig tierende, hermetisch-duistere 50ers-epigonisme” in de Vlaamse dichtwereld. Aan de andere kant distantieerde de woordvoerder van deze nieuw realisten zich van de Nederlandse nieuw realisten zoals die vooral in Gard Sivik en De Stijl  werd gepubliceerd.

In het gedicht ‘Aan Buddingh’ spreekt de Coninck zich uit tegen dit Nederlands nieuw realisme dat volgens de Vlamingen “neutraal-objectief, onpersoonlijk en gezichtsloos informatisme” was.

.

Aan Buddingh’

.

Ik hou wel van gedichten

als gespierde kerels van behaarde

mannelijke taal, die zich krabben

waar het jeukt, die oergezond

op je afkomen en zeggen: ga zitten,

ik ben een gedicht, aangenaam, en

waarover zullen we het hebben.

.

Zulke gedichten kunnen natuurlijk even vlot

over liefde als over Vietnam praten,

en misschien zijn zij wel verantwoordelijk

voor de gezondheid van de poëzie,

zoals Limburgse boeren voor de gezondheid

van de moraal.

.

Maar ik hou eigenlijk nog meer

van een groep woorden die zich samen

plotseling bijzonder intiem gaan voelen

en zeggen: laat ons nou maar altijd

bij elkaar, er hoeft er geen meer bij te komen.

.

Makelaar

Gerrit Achterberg

.

In 1988 kwam de bundel ‘Verzamelde gedichten’ van Gerrit Achterberg uit. En omdat een gedicht van Achterberg altijd kan wilde ik daar vandaag een gedicht uit plaatsen. het is het gedicht ‘Makelaar’ geworden. Ik herken in dit gedicht hoe het maar al te vaak gaat, je bent op weg naar iets of iemand, je ziet en ervaart dingen, hoort mensen en maakt dingen mee die zich vast zetten in je hoofd. Terwijl je op weg bent vormen zich de eerste zinnen en wanneer je dan op je bestemming bent aangekomen is het tijd om deze zinnen op te schrijven en te bewaren. Soms is het een gedicht, een andere keer een aanzet of slechts flarden.

.

Makelaar

.

De ochtend maakt de schemering bezonnen.

Najaden keren ijlings naar de bronnen.

Voetstappen buitenshuis  weerklinken licht.

Verzen, gedeeltelijk in hun coconnen,

zoeken aanknopingspunt en tegenwicht.

.

De meester gaat al met een nieuw gezicht

het raam voorbij. Hij heeft het overwonnen,

wat hier nog voor de helft ligt ingesponnen.

Melkslijter en besteller doen hun plicht.

.

Gedicht en dag schommelen om elkander

en beide willen dat ik mee verander.

Ik heb geen tijd of woord meer te verliezen

bij deze wedijver en pak mijn biezen;

hol naar de halte. Op het hoofdkantoor

tik ik het vers tussen de regels door.

.

Ik heb het rood van het joodse bruidje lief

Pierre Kemp

.

Van sommige dichtbundels of bloemlezingen weet ik nog precies wanneer of bij welke gelegenheid ik ze voor het eerst zag of las. Dat geldt zeker voor de bloemlezing ‘Ik heb het rood van het joodse bruidje lief’ uit 1988 en samengesteld door Ton van Deel. Ik herinner het mij zo goed omdat ik destijds net was begonnen met het collectioneren voor de bibliotheek waar ik werkte. De recensie was niet bijzonder positief, maar mijn interesse was gewekt zodat ik de bundel toch heb aangeschaft terwijl poëzie voor zo’n kleine bibliotheek zeker geen automatisme was om aan te schaffen (eerder het omgekeerde).

Toen ik de bundel een aantal weken later in handen kreeg sloeg ik als eerste het gedicht van Pierre Kemp met de (bijna) gelijknamige titel op. Bij het gedicht een afbeelding van het schilderij van Rembrandt (in zwart-wit, dat wel maar de afbeelding stond op de voorkant in kleur). Toen, en nog steeds, leest het gedicht als een liefdesgedicht, de liefde van de dichter die hij voelde voor het schilderij en de schilder toen hij het schilderij bezag.

.

Het Rood van het Joodse Bruidje

.

Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief,
van toen ik het zag voor het eerst
en ik nog niet begreep,
welk een verkering ik die dag begon.
Ik kwam er ook op dagen zonder zon,
of dat haar licht zich even maar verhief
en vloeide weg in een wankele streep,
dan zocht ik de nuance, die het teerst
en toch nooit diep genoeg
mij lang te blijven vroeg.
Ik zag het Bruidje met de linkerhand
piano spelen op de rechter- van
haar door de tijd bedeesde man
en ik werd niet jaloers. Dat was hún band.
Ik kwam niet door hun minne-schikking treden,
het is mij om het Rood van haar kleed en
anders niets te doen,
ook niet om de entourage in goudig-groen.
Alleen díe kleur zien als een kleur van heden,
of Rembrandt naast mij er mee speelde
binnen de bronzen van de achtergrond
en welke kleuren hij er nog penseelde,
er toch die kleur voor alle tijden vond.
Ontstond zij met of zonder schilderstok,
het is zijn Rood, waarin hij zong Bruidjes rok;
het is mijn Rood, rondom haar rechterhand,
neen, geen juwelen, franjes of kant,
het is maar rood, het Rood, dat ik aanbid,
vooral als ik in de zon naast Rembrandt zit.
.
.
%d bloggers liken dit: