Site-archief

Lou Reed

Laurie Anderson

.

Ik ken de Amerikaanse experimentele performance-kunstenares, dichter en musicus Laurie Anderson (1947) vooral van haar hitsingle (en enige single die in Nederland bekend werd) ‘O Superman’ uit 1981. In 2008 trouwde zij met Lou Reed met wie ze tot zijn dood in 2013 samen woonde in New York.

‘O Superman’ is oorspronkelijk een cover van de aria ‘Ô Souverain, ô juge, ô père’ uit Jules Massenets opera ‘Le Cid’. Het lied begint ook met een vergelijkbare tekst, de stanza (O Superman / O Judge / O Mom and Dad) komt overeen met Massenets intro. Daarna volgt een telefoongesprek tussen de hoofdpersoon en een geheimzinnige stem aan de andere kant van de lijn, die eerst de moeder van de hoofdpersoon lijkt te zijn maar zich later ontpopt als ‘De Hand Die Neemt’. De stem heeft ook beschikking over lange, elektronische en petrochemische armen. Grote invloeden zijn er verder te horen van Einstein on the Beach van Philip Glass en Warm Leatherette van The Normal. Het lied refereert daarnaast aan thema’s zoals de Tao en telecommunicatie.

De tekst ontleent enkele bekende citaten en uitspraken (althans, voor Amerikanen), zoals de zin Neither snow nor rain nor gloom of night shall stay these couriers from the swift completion of their appointed rounds, destijds de slogan van de toenmalige Amerikaanse PTT.

.

O Superman. O judge. O Mom and Dad. Mom and Dad
O Superman. O judge. O Mom and Dad. Mom and Dad
Hi. I’m not home right now. But if you want to leave a
Message, just start talking at the sound of the tone
Hello? This is your Mother. Are you there? Are you coming home?
Hello? Is anybody home? Well, you don’t know me, but I know you
And I’ve got a message to give to you
Here come the planes
So you better get ready. Ready to go. You can come
As you are, but pay as you go. Pay as you go

And I said: OK. Who is this really? And the voice said:
This is the hand, the hand that takes. This is the
Hand, the hand that takes
This is the hand, the hand that takes. This is the
Hand, the hand that takes
This is the hand, the hand that takes
Here come the planes
They’re American planes. Made in America
Smoking or non-smoking?
And the voice said: Neither snow nor rain nor gloom
Of night shall stay these couriers from the swift
Completion of their appointed rounds

Cause when love is gone, there’s always justice
And when justice is gone, there’s always force
And when force is gone, there’s always Mom. Hi Mom!

So hold me, Mom, in your long arms. So hold me
Mom, in your long arms
In your automatic arms. Your electronic arms. In your arms
So hold me, Mom, in your long arms
Your petrochemical arms. Your military arms
In your electronic arms

.

 

Advertenties

Het kleine meisje

Nâzım Hikmet

.

In de vuistdikke bundel ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ de canon van de Europese poëzie, samengesteld door Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries staat een enorme schat aan gedichten van vrijwel elke Europese dichter die er toe doet. Vele bekende dichters en een groot aantal ( voor mij) onbekende dichters.

Zo ook de dichter  Nâzım Hikmet Ran (1901 – 1963).  Hikmet was een Turks dichter, toneelschrijver, romanschrijver, regisseur en memoires schrijver. Hij stond vooral bekend om zijn vloeiende lyrische manier van schrijven. Hij werd ook gezien als een romantische communist en romantische revolutionair. Hij werd regelmatig gearresteerd om zijn politieke ideeën en hij zat daardoor een groot deel van zijn volwassen leven in de gevangenis of buiten Turkije als politiek vluchteling. Zijn gedichten werden  in meer dan 50 talen vertaald.

In 1981 verscheen het Masereelfonds in Gent de bundel ‘Turkse gedichten’. Daar komt ook de vertaling vandaan van het gedicht ‘Het kleine meisje’ door Joris Iven en Perihan Eydemir.

.

Het kleine meisje

.

Bij zovelen klopte ik aan,

wie weet, ook bij jou misschien.

Maar doden zijn onzichtbaar,

ik kan me niet laten zien.

.

Het is nu tien jaar geleden

dat ik in Hiroshima stierf.

Ik ben een meisje van zeven,

dode kinderen groeien niet.

.

Eerst vatte mijn haar vuur,

dan verbrandde mijn ogen.

Ik werd een handvol as,

mijn bloed is vervlogen.

.

Ik vraag van jullie niets,

je hoeft niet te boeten.

Een kind dat verbrandde

kan niet eens meer snoepen.

.

Ik klop weer bij jullie aan:

geef me toch je woord van eer.

Laat de kinderen snoepen.

en doodt hen nooit meer, nooit meer.

.

‘T nicotiaansche kruid

Bilderdijk

.

Velen zullen de naam van Willem Bilderdijk kennen maar maar weinigen zullen zijn werk kennen. Bilderdijk (1756 – 1831) was geschiedkundige, taalkundige, dichter en advocaat.  In 1776 bekroonde het Leidse dichtgenootschap ‘Kunst wordt door Arbeid Verkreegen’ zijn vers over de Invloed van de dichtkunst op het staetsbestuur met de gouden medaille. Zijn ambitie om zich geheel aan de dichtkunst te wijden, werd door zijn strenge vader, die arts was en later belastinginspecteur, niet gesteund. In hetzelfde jaar begon hij met tegenzin als boekhouder op het kantoor van zijn vader te werken. In 1780 kon hij, inmiddels bekend als dichter en in contact met Rhijnvis Feith, beginnen aan zijn studie rechten te Leiden. Twee jaar later rondde hij deze studie af en vestigde hij zich als advocaat te Den Haag. In 1781 zag zijn bundel met licht erotische verzen, ‘Mijn Verlustiging, met de door hem zelf geëtste vignetten, het licht.

In 1981 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker een bloemlezing uit zijn gedichten getiteld ‘Ik reikhals naar het graf’ samengesteld door Peter van Zonneveld. In deze bundel korte en langere stukken, fragmenten en gedichten.  Toen ik de bundel doorlas bleef ik hangen bij ‘T nicotiaansche kruid. In dit lange gedicht gaat Bilderdijk tekeer tegen de slechte invloed en het ‘vergift voor borst en ingewand’ de tabak. Misschien moet Bénédicte Ficq Bilderdijk als boegbeeld nemen in haar strijd tegen de tabaksindustrie.

Hier een fragment uit dit lange gedicht. De hele tekst is digitaal terug te lezen op http://www.dbnl.org/tekst/bild002dich08_01/bild002dich08_01_0023.php

.

‘T nicotiaansche kruid

.

Weg met dat stinkend stof! weg met die vuile dampen,
De lucht en ’t heldre licht van tafeltoorts en lampen
Verduistrend, d’ ademtocht verstikkend, en vergift
Voor borst en ingewand! Wat razerny van drift
Kon zoo het menschenras van zelfbesef berooven,
Om dus zich ’t leven in den boezem uit te doven?
En, Hemel, alles is aan deze dolheid vast,
En gaat op prikklingstank en walgingrook te gast!
Euroop, wat zijt ge dwaas! – Van waar toch dit gelusten
Naar ’t onkruid, naar ’t vergif van Oost- en Westerkusten?
Is ’t wonder, daar ge alom en ziekte en gift vergaârt,
Dat lichaamsplaag aan plaag ’t verzwakt gestel bezwaart?
Ja, ‘k gun u, specery der geurige Molukken,
‘k Vergun u, wierook, myrrhe uit Yemensgaard te plukken,
Verkwikkend, mits met maat genoten. – Maar venijn -?
Uw grond brengt giften voort, indien ze u noodig zijn.
’t Ontbreekt aan maankop niet of holle kervelstelen,
Indien ze noodig zijn om eenig kwaad te heelen;
Maar zeldzaam, zeldzaam ja, en minder dan men ’t denkt,
Is ’t heilzaam, wat uit d’ aart het menschlijk lichaam krenkt.
.

Festival of Britain

Poems 1951

.

In 1949 werd door de Arts Council of Great Britain samen met de Festival of Britain een poëziewedstrijd bedacht die open stond voor alle inwoners van the commonwealth (of het Gemenebest van Naties; is een vrijwillige verbintenis tussen 52 onafhankelijke soevereine staten, met de Britse koningin Elizabeth II als symbolisch hoofd).

Meer dan 1000 lange en nog eens 1000 korte gedichten werden ingezonden om mee te dingen naar de prijzen die in de lente van 1951 bekend zouden worden gemaakt. De jury deelden prijzen uit aan drie lange gedichten en vijf groepen korte gedichten. Opvallend was dat een groot deel van de winnende gedichten destijds van nog onbekende dichters was.

Penguin heeft samen met de organisatoren alle winnende gedichten samen gebracht in een Penguin pocket. Omdat de poëzie al meer dan een halve eeuw oud is is het taalgebruik soms nog wat archaïsch maar ik heb een gedicht uitgezocht van Clive Sansom dat goed leesbaar is getiteld ‘A child’.

Clive Sansom (1910 – 1981) was een in Engeland geboren, Tasmaanse dichter. Als dichter was Sansom vooral bekend om zijn voordrachten en zijn poëzie voor kinderen. Als dichter is hij bekend in het hele Engelse taalgebied en naast poëzie schreef hij ook toneelstukken.

.

A child

.

‘Let them come without hindrance:

The kindom is theirs,

Be with them and of them,

In your haerts and your prayers.

For freely they enter,

Unafraid, unawares….’

.

Like poems his talk was:

The words that he said

Were strung in the sunlight

Like pearls on a thread –

My face by his girdle,

His hand on my head

.

Dichter van de maand Februari

Levi Weemoedt

.

De dichter Levi Weemoedt (1948, Vlaardingen)  studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden en heeft dertien jaar als leraar Nederlands voor de klas gestaan. Omdat hij hierin niet voldoende voldoening vond, stopte hij met lesgeven. Weemoedt is schrijver van tragi-komische korte verhalen en dito gedichten die veelal in en rondom Vlaardingen spelen. Ook was hij als medewerker verbonden aan het ‘Algemeen Dagblad’ en publiceerde hij in Renaissance dat in 1996 door Look J. Boden was opgericht. Verder was Weemoedt van 1976 tot 1979 redacteur van literair-satirisch studentenblad Propria Cures, later, in de jaren ’80 schreef hij in ‘Mare,’ het weekblad van de Rijksuniversiteit Leiden. Weemoedt debuteerde in 1977 met de dichtbundel ‘Geduldig Lijden, een jaar later gevolgd door ‘Geen Bloemen’ en ‘Zand Erover’ (1981). Zijn werk werd in 2007 verzameld in ‘Vanaf de dag dat ik mensen zag’. Na 1999 werd het stil rond Weemoedt tot in 2007 de verzamelbundel ‘Vanaf de dag dat ik mensen zag’ werd gepubliceerd met o.a. 40 nieuwe gedichten gevolgd door  ‘Met enige vertraging’ in 2014.

Uit de bundel ‘Rijk verleden’ uit 1999 koos ik voor het gedicht ‘Brave soldaat van D.’ .

.

Brave soldaat van D.

.

Ik draag de hemden af van H. van Duijvenbroek:

KL-soldaat, zo laat het merkje mij weten.

Hij kwam in ’60 op, en hij verliet de troep

in ’62. Zo goed als niet versleten.

.

Van Duijvenbroek is in die twee jaar tijd

één maat gegroeid. Misschien beviel het koken

van de kazernekok. Zijn hemd bleef uit de strijd.

Er zit één gaatje in, maar dat is van het roken.

.

Op avonden dat ik te gast moet wezen

op lezingen of in de Boekenweek,

vraagt iemand soms: ‘Weemoedt, wat moet ik lézen?’

Dan zeg ik: ‘Sorry, ‘k ben een slechte bibliotheek….

.

Maar hoort u het ooit prijzen: vermijd beslist het boek

‘Oorlogsmemoires’. Door H. van Duijvenbroek.’

.

 

Food for thought

UB40

.

Toen in 1981 de LP ‘Present Arms’ uit kwam van UB40 kende ik deze band al vaag van het nummer Madam Medusa (aanklacht tegen Thatcher). Present Arms was echter zo’n waanzinnig goeie plaat met louter maatschappij kritische nummers dat ik meteen fan was. Die waardering voor UB40 heeft overigens maar kort geduurd, toen het volgende album met covers uit kwam en de single Red red wine (vreselijk nummer) ben ik afgehaakt. Maar ik zal altijd met veel plezier blijven luisteren naar hun allereerste werk dat tussen 1979 en 1982 werd uitgebracht.

UB40 (genoemd naar het  voormalig formulier van de Britse sociale dienst om een werkloosheidsuitkering (Unemployment Benefit) aan te vragen, werd opgericht door een stel werkeloze jongeren uit Birmingham met roots in landen als Engeland, Schotland, Ierland, Jamaica en Jemen. De band had, in tegenstelling tot de toen zeer populaire Ska, een voorliefde voor reggae. Deze stijl van muziek en hun zeer kritische teksten sloegen in die (crisis) jaren aan bij grote groepen en niet alleen in Engeland.

De tekst van hun eerste single ‘Food for thought’ van de LP ‘Present Arms’ staat ook tegenwoordig nog als een huis en heeft voor mij nog altijd een bijzonder poëtische connotatie.

.

Food for thought

.

Ivory Madonna dying in the dust,
Waiting for the manna coming from the west.
Barren is her bosom, empty as her eyes,
Death a certain harvest scattered from the skies.
Skin and bones is creeping, doesn’t know he’s dead.
Ancient eyes are peeping, from his infant head.
Politician’s argue sharpening their knives.
Drawing up their Bargains, trading baby lives.

Ivory Madonna dying in the dust,
Waiting for the manna coming from the west.

Hear the bells are ringing, Christmas on it’s way.
Hear the angels singing, what is that they say?
Eat and drink rejoicing, joy is here to stay.
Jesus son of Mary is born again today.
Ivory Madonna dying in the dust,
Waiting for the manna coming from the west.
Ivory Madonna dying in the dust,
Waiting for the manna coming from the west.

.

Chanson

Jotie ‘T Hooft

.

Zo nu en dan lees ik de berichten op mijn blog terug. Ik kies dan bijvoorbeeld een dichter en zoek dan naar berichten waarin die dichter voor komt. Dit doe ik om twee redenen. De eerste reden is om te zien of ik wel eens over een dichter heb geschreven en als dat zo is, hoe vaak en hoe lang dat is geleden. Een tweede reden is om te controleren of ik een bepaald gedicht al eens geplaatst heb. Het is me bijvoorbeeld weleens gebeurd dat ik een bericht had geschreven en klaar had gezet voor publicatie waarna ik nog even controleerde of ik al iets over de desbetreffende dichter had geschreven, om er vervolgens achter te komen dat ik het gedicht al een keer behandeld had. Zonde van al het werk natuurlijk.

Waarom deze inleiding? Ik wilde weer eens een gedicht van Jotie ‘T Hooft plaatsen. Ik was zijn ‘Verzamelde gedichten’ aan het lezen en kwam daar veel moois tegen. Na controle bleek dat het valweer ruim 3 jaar geleden was dat ik iets over Jotie publiceerde. Daarom vandaag een gedicht uit ‘Verzamelde werken’ uit 1981,  uit het hoofdstuk ‘Verspreide gedichten’ het gedicht ‘Chanson’.

.

Chanson

.

Grafelde popdeun, stukgezongen blues

& versteende jazz of geroeste rock

en mijn eeuwenoude lied:

.

nooit iemand te hebben ontzien,

nooit troost te hebben geboden

dan om eigen bestwil, nooit of

nooit een gemeend gebed of offer.

.

Als een ziekte, onverhoeds en onnaspeurbaar.

Als hitte die in alle hoeken woedde

en waarvoor geen schuilplaats bestaat

was mijn leven dat ik zag opbranden,

.

een toeschouwer, niet bij machte

de verschrikkelijke zaal te verlaten.

.

Geboortestad Rotterdam

Dichter bij Rotterdam

.

Al eerder schreef ik over de bundel ‘Dichter bij Rotterdam’, een verzameling gedichten over Rotterdam, samengesteld door Meijer de Wolff in 1981. In deze bundel veel onbekende gedichten over Rotterdam en Rotterdamse zaken (Oude Binnenweg, de tram, Sparta, de Leuvenbrug, Boompjes, de Rotterdammer) van dichters waarvan de naam ons niet veel of niks meer zegt, van wat bekendere dichters ( J.H. Speenhoff) en van onbekende dichters (gedichten waar de naam van de dichter niet bekend is).

Van die laatste categorie wilde ik een gedicht hier delen. De dichter is onbekend maar het gedicht mag er zijn, in stoere taal, oud Hollands, uit een tijd dat het nog de verkeerde kant op leek te gaan met Rotterdam.

.

Geboortestad Rotterdam

.

Is dit mijn stad? – De welvaart is voorbij,

De schepen liggen rottend in de haven.

En door het touwwerk vliegen zwarte raven,

Het is gedaan met vloot en visscherij.

.

Waar is het volk van dit verlopen tij?

Men zag het vroeger langs de kade draven.

Het is vergeten nu of reeds begraven,

Prooi van zijn laatst, onheelbaar averij.

.

Voorgoed gedaan, vergeefs gekalefaat?

Daar ligt een schip waarop ‘Vertrouwen’ staat,

Ik zie een jongen, turend over ’t water.

.

Vertrouw, mijn stad: nóg stroomt de Maas voorbij,

En dit is sterker dan uw averij:

De trek naar zee, een jongensdroom voor later.

.

Zware pijnstillers

Rob Schouten

.

Uit mijn boekenkast vandaag de bundel ‘Zware pijnstillers’ van Rob Schouten (1954), zijn 13e en voorlaatste dichtbundel alweer. Rob Schouten is dichter, prozaschrijver, columnist voor Trouw en literatuurcriticus. Daarnaast verzorgt hij sinds 1981 voor het weekblad Vrij Nederland  recensies van dichtbundels.

In 1986 en 1987 was hij writer in residence aan de University of Minnesota, van 1993 tot 1996 bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij zat in talloze literaire jury’s, schreef naast dichtbundels en romans ook essays en een verhalenbundel. Daarnaast stelde hij een aantal bloemlezingen samen.In 2002 kreeg hij de Herman Gorterprijs voor ‘Infauste dienstprognose’.

De romantisch decadente elitaristische inslag van zijn vroege werk evolueerde gestaag in de richting van een eigenaardig soort realisme, dat het midden houdt tussen ruwhartig en gevoelig. Zo ook in de bundel ‘Zware pijnstillers’ uit 2012.

Het gedicht ‘Vader’ uit deze bundel is een mooie illustratie van het ruwhartige en gevoelige in één gedicht.

.

Vader

.

Twee oorlogen had hij op zak, als twee horloges,

een peutertje, de ander een volwassen man.

Niemand van ons kende hem nog, misschien verzon

hij soms maar wat, dat hij eerst boekhouder

en later predikant, ‘van kasboek tot bijbel’,

Plots had hij ons verwekt, maar bleef even

‘hardcore’-gelovig als jongen van Jan de Wit.

Hij kon niet tegen onrecht en mijn puberteit.

.

Maar ’t echte werd tot allerlaatst bewaard

toen hij broodmager, zachtjes kotsend, snotterde:

ik wou m’n kleinkinderen groot zien worden.

.

O God, bewaar me, laat me nu afglijden,

sla me met pest, neem me mijn dochters af

en leg me als het erop aankomt kalm in bed!

.

Sonnet 30

Edna St. Vincent Millay

.

Op zondag 30 augustus 2015 schreef ik op ‘Herman de Coninckzondag’ over zijn bundel ‘Ter ere van de goedertieren maan’ uit 1978. Deze bundel bestaat uit vertalingen van gedichten van Edna St. Vincent. Voor deze vertaling kreeg hij de Koopalprijs in 1981. Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950)  was een Amerikaans dichteres, toneelschrijfster en activiste. Voor haar prozawerk gebruikte ze het pseudoniem Nancy Boyd. Zij ontving in 1923 de Pulitzerprijs voor poëzie, voor de bundel ‘The Harp-Weaver and Other Poems waarmee ze de eerste vrouw was aan wie deze prijs werd toegekend (de Pulitzerprijs voor poëzie wordt uitgereikt sinds 1922).

Haar eerste poëziebundel ‘Renascence and Other Poems’ (1912) verscheen toen ze pas zeventien jaar oud was, en bevat een aantal opvallend volwassen gedichten, geschreven in een sterk lyrische en romantisch-beschouwende toon. Met name het titelgedicht trok sterk de aandacht, vooral ook door de publicatie in hetzelfde jaar in de bekende bloemlezing ‘The Lyric Year’. Al snel kreeg ze de naam een soort wonderkind te zijn. Haar gedichten zijn doordrongen van beelden uit de natuur en met name van het kustlandschap van haar geboortestreek Maine. Over het algemeen kennen ze een traditionele structuur: Millay maakte veel gebruik van het sonnet, een vorm die ze perfect beheerste, maar waagde zich zelden aan experimenten.

Hoewel biseksueel en bekend door haar schoonheid en onconventionele leefstijl trouwde ze in 1923 met de veel oudere en rijke Nederlander Eugene Jan Boissevain. In 1950 overleed ze na een val van een trap waarbij ze haar nek brak.

Het gedicht ‘Sonnet 30′ werd door Herman de Coninck vertaald en gepubliceerd in ‘Ter ere van de goedertieren maan’.

.

Sonnet 30

.

Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again;
Love can not fill the thickened lung with breath,
Nor clean the blood, nor set the fractured bone;
Yet many a man is making friends with death
Even as I speak, for lack of love alone.
It well may be that in a difficult hour,
Pinned down by pain and moaning for release,
Or nagged by want past resolution’s power,
I might be driven to sell your love for peace,
Or trade the memory of this night for food.
It well may be. I do not think I would.

.

Sonnet 30

.

Liefde is niet het einde. Is geen eten en drinken.

Is geen dak boven het hoofd tegen de regen,

geen reddingsboei voor wie verdrinken.

Liefde is nergens voor en nergens tegen.

Liefde biedt geen uitkomst tegen de dood.

Vult geen lege longen met lucht. Verricht geen wonder,

tenzij dat je elke dag al een beetje sterft in mijn schoot.

Je hebt er niets aan maar je kunt niet zonder.

Het kan best zijn dat ik in toekomende tijd,

verslagen van pijn en kreunend om respijt,

gesard door armoe en moe van het huilen

jouw liefde voor rust zou verruilen,

of de herinnering aan vannacht voor een kleiner verdriet.

Het kan best zijn. Maar ik geloof het niet.

.

Foto: Calr van Vechten, 1933

%d bloggers liken dit: