Site-archief

Liz Berry

The Patron Saint of School Girls

.

Liz Berry (1980) werd geboren in The Black Country in Engeland en woont nu in Birmingham. Haar pamflet ‘The Patron Saint of Schoolgirls’ werd gepubliceerd door Tall Lighthouse in 2010. Liz’s debuutbundel ‘Black Country’ (2014), werd aanbevolen door de Poetry Book Society, kreeg de Somerset Maugham Award, won de Geoffrey Faber Memorial Award en won The Forward Prize voor beste debuut in 2014.

Black Country werd gekozen als een boek van het jaar door The Guardian, The Telegraph, The Mail, The Big Issue en The Morning Star. Liz’s gedichten zijn uitgezonden op BBC Radio, televisie en opgenomen voor The Poetry Archive.

Ze is een beoordelaar voor grote prijzen, waaronder The Forward Prijzen voor Poëzie en Foyle Young Poets. Ze werkt als jurylid voor The Arvon Foundation, Writer’s Center Norwich en Writing West Midlands.

Hier haar pamflet ‘The Patron Saint of School Girls’ en een voordracht van Liz van ‘Birmingham Roller’ uit ‘Black Country’.

.

The Patron Saint of School Girls

 

Agnes had her lamb and her black curls;
Bernadette, her nun’s frock;
but I was just a school girl,
glimpsed the holy spirit in the blue flare
of a Bunsen burner, saw a skeleton
weep in a biology lesson.

 

My miracles were revelations.
I saved seventeen girls from a fire that rose
like a serpent behind the bike sheds,
cured the scoliosis of a teacher
who hadn’t lifted her head to sing a hymn
in years. I fed the dinner hall
on one small cake and a carton of milk.

 

A cult developed. The Head Girl
kissed my cheek in the dark-room,
first years wrote my name
on the flyleaf of their hymn books,
letters appeared in my school bag,
a bracelet woven from a blonde plait.

 

My faith grew strong.
All night I lay awake hearing prayers
from girls as far as Leeds and Oxford,
comprehensives in Nottingham.
I granted supplications for A-levels,
pleas for the cooling of unrequited love,
led a sixth form in Glasgow to unforeseen triumph
in the hockey cup final.

 

Love flowed out of me like honey
from a hive, I was sweet with holiness,
riding home on the school bus,
imparting my blessings.
I was ready for wings,
to be lifted upwards like sun streaming
through the top deck windows;
to wave goodbye to school and disappear
in an astonishing ring of brightness.

.

 

Triosonate

De bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur

.

Uit 1986 stamt de bundel ‘Gelezen worden ze ontelbre malen; de bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur’. In deze bundel vele bekende gedichten maar ook (voor mij) veel onbekende gedichten. En dan doel ik niet op de middeleeuwse werkjes van anoniemen of de gedichten uit de 16e , 17e en 18e eeuw maar ook gedichten van dichters uit de vorige eeuw waar ik in ieder geval nog nooit van had gehoord. Of de titel de lading dekt is dus maar de vraag. Ik denk dat het hier in veel gevallen gedichten betreft die indertijd heel bekend waren (en deels nog steeds).

De dichter die ik hier  naar voren wil halen is Jan Wit (1914 – 1980). Het gedicht waarmee Wit in de bundel is opgenomen is getiteld ‘Triosonate’ en verscheen in 1982 in de bundel ‘Terwijl ik wacht wat mij de wereld doet’.

Jan Wit was dichter, predikant en hymnoloog (onderdeel van de studie van kerkmuziek). Jan Wit, die blind was, was van 1948 tot 1967 als predikant verbonden aan de Waalse gemeente van Nijmegen. Hij schreef een groot aantal teksten voor het Liedboek voor de Kerken. In 1969 ontving hij een eredoctoraat aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als theologiestudent behoorde hij tot de vriendenkring van Theo van Baaren en Gertrude Pape en droeg hij in de oorlogsjaren bij aan het baldadige en surrealistische maandblad met een oplage van één exemplaar ‘De Schone Zakdoek’  http://schonezakdoek.blogspot.nl.

.

Triosonate

.

Er blies een vrouw op een fluit

van zomaar, van zomaar, van zomermiddagslaapje.

Er blies een vrouw op een fluit

van zomaar je kleren uit.

.

Er sloeg een man op een trom

van toe nou, van toe nou, van toenadering zoeken.

Er sloeg een man op een trom

van toe nou, dat doe je erom.

.

Toen trok een kind aan een bel

van even, van even, van evenwichtsorgaantjes.

Toen trok een kind aan een bel

van eventjes mag toch wel?

.

Collage uit De Schone Zakdoek (1941)

Poëten in het parlement

Vlaanderen & Co

.

In 2002 bestond het Vlaams parlement dertig jaar en naar aanleiding van dit jubileum én de opening van het Huis van de Vlaamse Volksvertegenwoordigers, organiseerde het Vlaams parlement een poëziefeest. Vierentwintig dichters lazen voor uit eigen werk. En er werd een bundel uitgegeven met daarin gedichten van deze vierentwintig dichters.

De dichters kwamen uit alle hoeken en gaten van de wereld waar het Nederlands (of een dialect van het Nederlands) gesproken wordt: 10 Vlamingen, 8 Nederlanders, 1 Antilliaan, 1 Surinamer, 1 Zuid Afrikaan en ook 2 Franstalige Belgen en een Duitstalige Belg. Verrassende namen ook (voor mij dan) zoals Frank Martinus Arion (ik kende hem niet als dichter), Shrinivási (Suriname) en William Cliff (een Franstalige dichter).

De bundel is samengesteld door Jozef Deleu en van elke dichter zijn zo’n vijf gedichten opgenomen. Van de Frans- en Duitstalige gedichten ook de Nederlandse vertalingen.

Misschien is dit voor het Nederlandse Parlement ook een goed idee, laat alle parlementariërs hun favoriete gedicht kiezen en bundel deze. Voor dit moment doen we het met dit mooie initiatief uit Vlaanderen. Ik koos voor een gedicht van Gwij Mandelinck (1937).

Mandelinck (pseudoniem van Guido Haerynck) richtte in 1980 de Poëziezomers van Watou op die hij artistiek leidde tot 2008 samen met zijn echtgenote Agnes Hondekyn.

.

Beschuldigde

.

Ben ik vermengd met wolvenbloed,

kwam de stem van het gebroed in mij terecht?

Niet dat ik ben beducht voor averij

al zwakte mijn duim de schokken af

.

van deuren in het waaigat dichtgeklapt,

al zijn er messen aan te slijpen op mijn

onbehouwen kant. Een hand ligt in

de richting van mijn haar. Verbijt

.

jij straks de vinger die mij heeft beticht?

.

Herman de Coninck

Statistiek

.

Het aardige van een website in WordPress bijhouden is dat er een nogal uitgebreid statistiekmodel achter hangt. Zo kan ik zien waar mensen vandaan inloggen op mijn site (uit welk land), onder welke termen met zocht en op mijn website terecht kwam en een leuke (vind ik) welke berichten het meest gelezen worden. Zo nu en dan kijk ik daar eens naar en wat me dit keer opviel is dat onder de berichten die het hoogst genoteerd staan een aantal buitenlandse dichters staan vóór de eerste Nederlandse dichtersnaam.

Die dichters zijn grappig genoeg niet meteen de dichters die ik zou verwachten; Rainer Maria Rilke, Goethe, E.E. Cummings, Antonio Machado én (en dat doet mij deugd) Herman de Coninck. In 2014 en het grootste deel van 2015 was Herman de Coninck dichter van de maand maar dan maandenlang. Elke zondag deelde ik een gedicht van deze meesterdichter met jullie.

Na ongeveer anderhalf jaar wilde ik weer eens iets anders proberen en ging ik variëren in de maandelijkse dichter en sinds kort elke zondag Dichter op verzoek. Daardoor is het werk van Herman de Coninck een beetje uit beeld gebleven de afgelopen periode. Een enkele keer plaatste ik nog wel eens een gedicht van hem maar de laatste dateert alweer van 17 februari van dit jaar.

Daarom voor alle liefhebbers, waaronder niet in de laatste plaats ikzelf vandaag nog een gedicht van deze prachtige Vlaamse dichter getiteld ‘Voor mekaar’ uit ‘Met een klank van hobo’ uit 1980.

.

Voor mekaar

.

Vroeger hield ik alleen van je ogen.

Nu ook van de kraaiepootjes ernaast.

Zoals er in een oud woord als mededogen

meer gaat dan in een nieuw. Vroeger was er alleen haast

.

om te hebben wat je had, elke keer weer.

Vroeger was er alleen maar nu. Nu is er ook toen.

Er is meer om van te houden.

Er zijn meer manieren om dat te doen.

.

Zelfs nietsdoen is er daar één van.

Gewoon bij mekaar zitten met een boek.

Of niet bij mekaar, in ’t café om de hoek.

.

Of mekaar een paar dagen niet zien

en mekaar missen. Maar altijd mekaar,

nu toch al bijna zeven jaar.

.

Vrouw

Jozef Deleu

.

De Vlaamse schrijver en dichter Jozef Deleu (1937) ziet in zijn poëzie als in zijn proza  de mens continu geprangd tussen heden, verleden en toekomst. Het besef van de tijdelijkheid van alle leven verleent aan zijn werk een sterk melancholisch karakter. Deleu stelde naast zijn werk als schrijver en dichter ook verschillende bloemlezingen samen zoals ‘Het Groot Verzenboek, vijfhonderd gedichten over leven, liefde en dood’.

In een bloemlezing van Christine D’haen met de titel ‘Ik ben genoemd Meisje en Vrouw’ 500 gedichten over de vrouw uit de Nederlandstalige letterkunde uit 1980, staat dan weer een gedicht van Deleu met als titel ‘Vrouw’. Dit gedicht werd oorspronkelijk gepubliceerd in ‘De stilte groeit’ uit 1974.

.

Vrouw

.

Van ieder woord

ben jij de pit

de harde korrel

in de bolle druif

het zachte vlees

van de amandel.

.

Je bent plantaardig

ring op ring

vormen zich de kringen

woord op woord

wordt harde hoorn.

.

Met de seizoenen

dubbel-zinnig

blauwe zomer

rode winter.

.

Mals en eetbaar

hard en bitter

pure pit.

.

Zó ben jij

van mij.

.

Zo ben ik.

.

jozef-deleu

Duinlandschap

Adriaan Morriën

.

Als je, zoals ik, vlak bij zee en de duinen woont zou je soms bijna vergeten wat een prachtig landschap de duinen eigenlijk bieden. In zijn bundel ‘Avond in een tuin’ schrijft dichter Adriaan Morriën (1912 – 2002) een prachtig gedicht waaruit blijkt dat ook hij (hij werd geboren in Velzen) veel van de duinen hield. De bundel ‘Avond in een tuin’ werd in 1980 door G.A. van Oorschot uitgegeven.

.

Duinlandschap

.

De opeenvolging van de duinen

gezien van de top van de hoogste duin.

Het landschap golft

zonder zich te verroeren.

.

Elke tak, iedere grashalm, elk blad

en ook elke zandkorrel

iets afzonderlijks

maar daarom nog niet eenzaam.

.

Het geheel is eenzamer

dan elk deeltje afzonderlijk

omdat de hemel het geheel

niet werkelijk omvat.

.

Het gepiep van een vogel,

eerst niet opgemerkt in stilte,

door het gehoor uit de stilte gescheiden

en er daarna weer aan teruggegeven.

.

082

Billy Holiday

Hans Vlek

.

Van de dit jaar overleden, bijzondere dichter Hans Vlek (1947 – 2016) vandaag het gedicht ‘Billy Holiday’. Ik hoorde afgelopen week het nummer ‘Strange fruit’ weer eens op de radio, een prachtig nummer dat helaas tegenwoordig maar weer wat actueel is (het is een aanklacht tegen het racisme in de Verenigde Staten). Het nummer werd trouwens geschreven door een communistische onderwijzer van Joodse afkomst uit The Bronx, Abel Meeropol, onder het pseudoniem Lewis Allan. Het nummer was oorspronkelijk ‘Bitter fruit’ getiteld.

Billy Holiday maakte het nummer beroemd en het werd  opgenomen in de lijst van Songs of the Century (liedjes van de eeuw) door de Recording Industry of America en de National Endowment for the Arts, een overheidsorganisatie ter bevordering van kunst en cultuur.

Uit: ‘Geen volkse god in uw achtertuin’ uit 1980.

.

Billy Holiday

.

een vrouw een dame

als een altsax zo groot

zo zwart als poëzie

.

dit kan

nog nachten duren

dit geluid

diep uit haar hals

pijn en zonsverduistering

.

haar lichaam teistert

verminkt

het bitter bloed van haar stem

.

harde steden van steen

en de dagen die gaan

zij weet

.

zingt.

.

vlek

 

Het verlorene zal ik zoeken

Thomas Graftdijk

.

Thomas Graftdijk (1949 – 1992) was medeoprichter van het tijdschrift Soma en in 1974 van De Revisor. hij trad op als vertaler van het werk van Elias Canetti, Hermann Hesse en Rainer Maria Rilke. Postuum verschenen van hem nog vertalingen van het werk van Friedrich Nietzsche, Sigmund Freud, Thomas Mann en Franz Kafka. Daarnaast was hij dichter maar als zodanig is hij wat in de vergetelheid geraakt.

Hij publiceerde drie dichtbundels ‘Lachend op de achterste rij’ in 1970, ‘Treurarbeid’ in 1977 en ‘Positieve helden’ in 1980. Werk van Graftdijk werd gepubliceerd in onder andere Maatstaf, De Revisor, Raster en De Gids. Uit Raster 26 uit 1983 het gedicht ‘Het verlorene zal ik zoeken’.

.

Het verlorene zal ik zoeken

.

Het verlorene zal ik zoeken

in dit nevel-leven dat ik veins met zwak belichaamd zelf

in de vermoeide natuur, die ik ophef met mijn zachte

erts

.

Het verlorene zal ik zoeken

in het hoofd met jaarringen om de koeieogen

dat ik vrees in de donkere spiegels van mijn bankroet

.

Valsemunter, reeds bevroedend het verdwenene in de

toekomst

reeds in tijdnood redde ik het vuil dat eenzaam brandt

en gaf niet op de wil een weerlicht in de nacht te

scheppen, terwijl ik op mijn arrestatie wachtte

.

Kindse boer die van de bossen en de wolven

droomde, vrijend om de zuiverheid

ondanks het nut dat ik in honderd bevlekkingen

wou telen, voltrokken aan de mannequins van mijn

begeerte

Ondanks hun deeg dat goed was om mijn kiespijn te

verzachten

hun knutselen dat ik als kunst verstond:

illusies te proberen het vergeefse

te betrappen het verzuimde, te horen langverstomde

ruzies

in het geritsel van de telefoon (haarscheurtjes

in de samenzwering tegen mijn persoon)

te dulden de paniek, naakt en onherstelbaar

van mijn voldongen zoon

.

Ziehier mijn zaligheid: in nooddruft het verlorene

te vinden, te vullen het gemis van groot wit ding

mijn schulden uit verboden bron te voldoen

(de bloedpis van een vis, uitmiddelpuntig

zwemmend om een eiland van ellende)

en me te verzoenen met de legende

.

Dat mijn vorst zal komen op een dag

.

O wereldwijze, in solovlucht galopperend

op de valwind

van bevrijdende herinneringen.

.

2015-10-11-15-31-42

Co. 7

Liefdesgedicht van Eriek Verpale

.

Omdat het alweer even geleden is vandaag een liefdesgedicht. Uit de bundel ‘Op de trappen van Algiers’ uit 1980 van de Vlaamse dichter Eriek Verpale (1952 – 2015) het gedicht ‘Co. 7’.

.

Co. 7

.

Geen foto wil ik van je dragen, geen brieven –

zelfs geen zakdoek die ooit jouw lippen vond:

niets daarvan wil ik bewaren, laat staan

in een verouderd vers als dit verdoken

tot het mijne maken.

.

Maar het dunne stof, geschud

uit diepe mantelzakken, oud

speelgoed dat eens op je kamer stond,

of de beduimelde bril

– ik bewonder de dikke glazen –

.

alleen dàt wil ik van je sparen.

.

Wat een ander niet krijgen wil

zal ik van je hebben:

.

het hoogste bod zal de wereld

niet eens verbazen.

.

love

Vijfendertig tranen

Ida Vos

.

Ida Vos (1931-2006) begon met schrijven in 1975. Ze publiceerde in dat jaar de gedichtenbundel ‘Vijfendertig tranen’ na jaren van zwijgen. De vijfendertig tranen verwijzen naar vijfendertig joodse kinderen die met elkaar in één klas hebben gezeten. Slechts vier van hen overleefden de oorlog en één van die vier kinderen was Ida Vos. Hierna volgde nog de bundel ‘Schiereiland’ (1979) en ‘Miniaturen’ (1980). Na deze poëzie voor volwassenen heeft ze zich toegelegd op het schrijven van kinderboeken.
De bundel ‘Vijfendertig tranen’ was lang niet verkrijgbaar. Het exemplaar dat ik bezit is een 6e druk uit 1983. Het Herinneringscentrum Kamp Westerbork heeft  een nieuwe en bijzondere uitgave gemaakt: een lees- en luisterboek.Kort voor haar dood werden de gedichten door Ida Vos zelf ingesproken.

In de bundel  geeft Ida Vos op ingetogen wijze een beklemmend beeld van het drama van de jodenvervolging. Dit doet zij in korte gedichten van soms maar een paar regels. In alle gedichten is het grote drama van de oorlog en de vernietigingskampen heel voelbaar en duidelijk aanwezig.

Ik wil hier twee gedichten uit deze bundel plaatsen. Het eerste  gedicht ‘aardrijkskunde’  doet bij veel mensen wel een belletje rinkelen al weet men vaak niet wie dit gedicht heeft geschreven (zo was het bij mij ook, ik herkende het gedicht toen ik het las maar had geen idee dat het uit deze bundel van Ida Vos kwam). Het tweede gedicht ‘naar buiten’  vind ik als gedicht gewoon heel erg mooi.

.

aardrijkskunde

.

zij had een onvoldoende

voor aardrijkskunde

die laatste dag

maar wist een week later

precies waar Treblinka lag

.

héél even maar

 

.

naar buiten

.

ze wil nu buiten spelen

gaan lopen in een bos,

rennen door sneeuw en regen

ze laten haar niet los

.

ze is er wel,

ze is er niet,

ze mag er niet meer zijn

.

de letters in haar sprookjesboek

staan niet meer op één lijn

.

ivos

vt

 

%d bloggers liken dit: