Site-archief

Ons te vroeg ontvallen 4

Derrel Niemeijer

.

De laatste dichter waar ik bij stil wil staan door een te vroeg overlijden is, de in grote kring, legendarische Derrel Niemeijer (1977 – 2016). Op 13 oktober 2016 overleed Derrel  aan de gevolgen van slokdarmkanker. In het bericht dat ik daags na zijn overlijden schreef op dit blog https://woutervanheiningen.wordpress.com/2016/10/14/derrel-niemeijer/ noem ik Derrel een bron van verbazing, vermaak, ontroering, blijheid en verrassing. En daarnaast kon het ook een ongelofelijke rebel en dwarsdenker zijn. Zaken die ik stiekem juist heel erg in hem bewonderde. Derrel was autonoom en authentiek als dichter en als mens.

Ik weet niet precies wanneer ik Derrel voor het eerst zag, ik vermoed op een podium van Ongehoord! in Rotterdam. In het begin kwam hij altijd wat stilletjes binnen en zat dan ergens achterin met zijn altijd aanwezige opschrijfboekje, een blocnote of gewoon een stapeltje papier waarop hij zijn poëzie schreef. Gedichten die hij dan meestal ter plekken ook voordroeg. In het begin ook moest ik wat wennen aan zijn ongepolijste manier, zijn afraffelende voordrachten en zijn ‘stage presence’  maar al gauw leerde ik de mens achter de dichter kennen en bleek hij een allervriendelijkste en wellevende jongeman te zijn.

Ik herinner me een mini festival het B@M Fest, in een soort kraakpand in Eindhoven in Woensel Noord waar dichters en muzikanten bij elkaar kwamen. Derrel organiseerde dit met zijn toenmalige vriendin Nancy Meelens en zij, samen met Menno Olde Riekerink Smit redde dit festival want Derrel was ’s morgens om 10 uur al te dronken om nog maar iets te regelen. En ook dit vergaf iedereen hem, Derrel was soms een losse flodder, een ongericht projectiel maar altijd serieus wat betreft zijn poëzie.

Tijdens Route du Nord in Rotterdam trok ik de dag met hem op, kletsend, schrijvend en voordragend in een leegstaand gebouw en vanaf dat moment wist ik dat Derrel deugde. Zijn deelname aan de eerste toer van de Poëziebus, zijn betrokkenheid bij het dichtpodium in Eindhoven in de Gouden Bal, zijn medewerking en inzet bij Po-e-zine (toen nog volledig digitaal en tegenwoordig nog steeds actief maar in een fysieke vorm) en de bedenker en oprichter van uitgeverij MeerPeper (waar hij Burroughs ‘Life is a killer’ complete Poetry’ uitgeeft), het getuigde van zijn grote passie en gevoel voor poëzie en haar beoefenaars.

Na ‘Krankzinnig Aangedicht!!!!!” dat in 2013 in eigen beheer werd uitgegeven door Derrel, kwam in 2014 de solobundel ‘Hoop, geloof en liefde’ en in 2015 de bundel ‘Dubbeldichters’ bij uitgeverij Heimdall uit van Derrel samen met Mattie Goedegebuur. Na hun eerste ontmoetingen gaan deze twee dichters in 2014 een poëtische strijd aan via e-mail. Derrel (in de meeste gevallen) stuurde Mattie een uitdagend gedicht toe waarop de ander dan reageerde met een gedicht.

Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Ontkleed’ van Derrel en voor de volledigheid ook het tegen-gedicht ‘Bloot’ van Mattie.

.

Ontkleed

.

Hij kleedt zich uit.

Maar is dan nog

niet naakt genoeg.

.

Bedekt zijn lichaam

met persoonlijke poëzie.

.

Volledige openheid

ook al staat

het meeste

geschreven in

de witregels

en ertussen.

.

Zelfvernietigend gedrag

carving, automutilatie,

drugmisbruik

ze kunnen er beter

over ‘lezen’

dan het zien aan hem.

.

De woorden geklad op papier

worden

van hem afgetrokken.

.

Bloot

.

soms is een poëet

te openen

en leesbaar

.

letters in zijn huid

preuts bedacht

tot dek

.

zonnebrand

verbleekt het blank

tot onleesbaarheid

.

ongezien

kerft eigen schrift

trefzeker

.

woordeloos

tonen piercings

ruige historie

.

wauwelwoorden

verbergen dichters’

spiegelbeeld

.

ongelofelijk gefileerd

tot op het bot

dichter genaaid

.

 

 

 

Geduldig lijden

Levi Weemoedt

.

Als er één medicijn is tegen de algehele malaise waarin we ons door het Coronavirus bevinden, dan is het de poëzie van Levi Weemoed wel. Zwarte humor, melancholie en een heerlijk in en in pessimistische kijk op het leven die vrolijk maakt en opgelucht stemt; zo erg is het dus allemaal nog niet.

In de bundel ‘Gelukkig lijden’ buit 1977 staat een prachtig gedicht dat heel mooi aansluit bij de situatie op de scholen van vandaag de dag. Dus zonder verder commentaar hier het gedicht ‘Krijtwit’.

.

Krijtwit

.

Als meester Weemoed eens een uurtje vóór komt lezen,

zit heel de klas met doodsverstijving in de bank;

en bij: ‘ Het Jongetje Dat Nimmer Zou Genezen’

barst een orkaan los van gejammer en gejank.

.

Zie hoe de kind’ren kwijnend sloffen door de gangen

en hunk’rend loeren naar een koele kapstokhaak,

terwijl een enk’le al verdachte loopjes maakt

om zich aan capuchon of mutsje op te hangen.

.

Is het zijn piepstem? Komt het door zijn dode ogen

die op twee steeltjes tikken tegen ’t brillenglas?

Of is ’t de grap dat hij zijn bochel kan verhogen

tot boven ’t bord, onder zijn zwarte pandjesjas?

.

Hoe komt het dat veel ouders hem niet mogen

terwijl hij, kind nog, toch zo’n knuffeldiertje was?

.

Boer, land- en tuinbouw

Dubbelgedicht

.

Nu het rumoer rond de CO2 kwestie en het boerenprotest wat is gaan liggen door een andere belangrijker en actueler probleem, wilde ik in het kader van het Dubbel-gedicht hier twee gedichten van twee ogenschijnlijk totaal verschillende dichters plaatsen. Ogenschijnlijk want eigenlijk hebben beide dichters veel meer gemeen dan je misschien in eerste instantie zou denken. het betreft hier de dichters Jotie ‘T Hooft (1956 – 1977) en Jules Deelder (1944 – 2019). Twee dichters wier leven getekend is door hun drugsgebruik. Waar ‘T Hooft zelfmoord pleegde op 21 jarige leeftijd door een overdosis cocaïne te nemen, werd Jules Deelder ondanks een leven lang speedgebruik toch nog een respectabele 75 jaar.

Wat voor mij deze aflevering van het Dubbel-gedicht nog bijzonderder maakt is het onderwerp van de twee gedichten; de boer, land- en tuinbouwer. Een onderwerp dat je (ik niet in ieder geval) niet verwacht bij deze twee dichters die toch vooral om allerlei andere zaken bekend staan. Het eerste gedicht is van Jotie ‘T Hooft en komt uit de bundel ‘Junkieverdriet’ uit 1976 en is getiteld ‘Voor boer en tuinder’. Het tweede gedicht ‘Gedicht voor Land- en Tuinbouw’ is van Jules Deelder en komt uit de bundel ‘Dag en nacht geopend’ uit 1970.

.

Voor boer en tuinder

.

Mijn geboorte was geen verstilling

Maar regelrecht oorlog

Want tussen brandnetel en dovenetel

Ligt een verterend vuur.

.

Hoe huiverde ik in die tuin en zag

Het bewegen van gelederen ledematen

Vanuit het sprakeloos veld van de hersenen.

Bemest en bemoederd ontstond verdriet.

.

Om de duif die langzaam huiswaarts keert

Over de meren en gebieden, cirkelend

En haperend aan de dorst, de draden.

Om al wat in mijn maag verteert.

.

En na de brand, die dooft, na het rood

Der geraniums en het groen van agaves

Bemorst de kwasterige bloesem ons

Van een in herfstkou geteelde chrysant.

.

Gedicht voor land- en tuinbouw

.

Voor het eerst een merel

horen zingen.

Het eerste wilde viooltje

gevonden.

De kastanjes in bloei.

.

Het eerste speenkruidbloempje

gezien.

De eerste zwaluw waargenomen.

Voor het eerst gegeten zonder

lamp.

.

Bloeiend klein Hoefblad

gevonden.

Voor het eerst een koekoek

gehoord.

Het eerste gras gemaaid.

.

De kersebomen bloeien.

De peren in bloei.

De appels in bloesemtooi.

De eerste aardbeien.

De aalbessen rijp.

.

De kersen rijp.

De haver op het veld rijp.

De eerste peren.

De laatste maaltijd zonder

lamp.

.

De eerste appels.

De eerste druiven.

Het laatste bad in de open

lucht.

Het vertrek van de zwaluwen.

.

Het laatste gras gemaaid.

Voor het eerst de kachel aan.

De eerste rijp.

De laatste roos.

De eerste sneeuw gevallen.

.

 

Bont

Iris Brunia

.

Toen ik mijn boekenkast aan het herinrichten was (dat is nogal eens nodig) kwam ik de bundel van Iris Brunia (1977) tegen met de intrigerende titel ‘Laten we mijn lichaam delen’. Meteen begon ik weer te lezen. Ik herinner mij een optreden van Iris op het Zomerpodium in de Jacobustuin in Rotterdam tijdens een poëziepodium georganiseerd door Ongehoord!

Die voordracht van Iris, frêle maar heel stevig en dat in combinatie met haar zachte heldere stem maakte toen veel indruk op me. Haar bundel heb ik destijds, de bundel is uit 2013, met veel plezier gelezen. Daarom, bij uitblijven van nieuw werk van Iris, hier het gedicht ‘Bont’ uit de bundel ‘Laten we mijn lichaam delen’.

.

Bont

.

Zou ik de dingen die ik doe kunnen doen zonder schaamte, in de wetenschap

dat het jou – als het er op aankomt – niet werkelijk uitmaakt wat ik wel of niet laat

.

Ik vermoed dat het een geruststelling kan zijn

.

Alsof alles vanzelfsprekend was legden we hier onze huiden af. Met de kat

tegen mijn borst behelsde ik mezelf en jij omhelsde me

.

Aan jouw gezicht ontleende ik mijn oprechtheid. Je gluurde in mijn pupillen

week een tel

.

we waren slordig , de tijd spleet ons

.

Je kunt het nog zien: de peuk op de wasmachine, de kleding nat, de lakens opgepropt

.

Ik zou een verstaanbare pijn willen hebben – die te troosten is – zodat ik gestild kan

worden met een verleden dat van ons beiden is

.

…, want nooit wordt alles gezegd

Alphons Levens

.

Als het gaat om poëzie van de Antillen of Suriname heb ik op dit blog berichten gewijd aan R. Dobru, Michaël Slory en Alette Beaujon. Ik ben altijd op zoek naar werk van dichters uit Suriname of de Antillen maar vreemd genoeg vind ik maar zelden iets. Nu heb ik echter een bundel gedichten gevonden van de Surinaamse dichter Alphons Levens.

Alphons Levens (1949) werd op Curaçao geboren maar verhuisde op zijn 5e met zijn ouders naar Suriname. Van 1969 tot 1977 woonde Levens in Nederland waar hij o.a. psychologie studeerde. Weer terug in Suriname werkte hij als onderwijzer, correspondent van de Hilversumse VARA-radio en als redacteur van het weekblad ‘Pipel’ dat na de decembermoorden in 1982 door het militaire regime werd gesloten.

In 1971 had hij zijn debuut gemaakt bij de Vereniging Ons Suriname in Amsterdam met de dichtbundel ‘Bezinning en strijd’. Bekendheid verwierf hij met zijn sinds 1991 frequent verschijnende gedichten in het dagblad ‘De Ware Tijd’ en de ‘Weekkrant Suriname’ in Nederland. Hij publiceerde ze in de dichtbundels ‘Bezinning en strijd’ (1971), ‘Mogelijk’ (1996), ‘…, want nooit wordt alles gezegd’ (1998) en ‘Wee het volk dat niet meer denkt!’ (2002).

Zijn gedichten hebben een minimum aan poëtische eigenschappen maar zitten vol engagement en hebben een socialistische en anti-militairistische inslag. Levens denken, dichten en schrijven zijn sinds 1970 bijzonder beïnvloed door zijn directe en indirecte ervaringen bij de ontwikkelingen in Suriname en de rest van de wereld, en dan met name de derde wereld.

In de bundel ‘…, want nooit wordt alles gezegd’ staan 100 gedichten die door hun titels alleen al duidelijk maken waar het bij Levens om draait. Titels als ‘Het roer moet om!’, ‘Niet opgeven’, ‘Desinformatie’, ‘Emancipatie’ en ‘Censuur’ laten meteen zien dat hier een sociaal geëngageerde dichter aan het woord is. In het gedicht ‘Mobutu Sese Seko’ uit 1997 blijkt dat Levens geen onderscheid maakt tussen onrecht door kolonialisten of onrecht van het eigen volk.

.

Mobuto Seso Seko

.

Als op die dag de veel oudere

Nelson Mandela hem niet had opgetrokken,

was hij echt niet van die stoel kunnen komen.

.

Toch bleef hij vergaren en beschermen

miljarden gestolen rijkdommen

die zijn berooide volk toebehoorden

.

De laatste dagen van zijn leven

probeerde hij nog te leven,

maar dat was geen echt leven

.

Ik begrijp niet dat in deze tijd

van moderne telecommunicatie

er op aard’ nog zoveel Mobuto’s zijn

.

En er zelfs nieuwe bij komen.

.

Jotie T’Hooft

Ansicht

.

In 1981, vier jaar na zijn vroegtijdig overlijden aan een overdosis heroïne , verscheen bij uitgeverij Manteau in Antwerpen de bundel ‘ Verzamelde gedichten’ van Jotie T’Hooft (1956 – 1977). In deze bundel zijn de drie bundels die tijdens zijn leven werden gepubliceerd opgenomen, een boodschap die door zijn uitgever als Laatste gedichten werd gepubliceerd en een aantal ongepubliceerde gedichten opgenomen. Deze ongepubliceerde gedichten waren talrijk (honderden) en daarom werd een selectie gemaakt op basis van de literaire of de poëtische waarde van elke gedicht. In totaal omvatten alle gedichten in deze ‘Verzamelde gedichten’ zo’n tien jaar van het leven van Jotie.

Ik lees nog met enige regelmaat in deze bundel en elke keer sta ik weer versteld van het talent van deze jonge dichter. Hier wil ik het gedicht ‘ Ansicht’  met jullie delen uit de sectie ‘ Verspreide gedichten’.

.

Ansicht

.

Van vele reizen ben ik al teruggekeerd :

verbrand, verbleekt, verschroeid en stukgevroren

toch met al mijn breuken en gebreken duidelijker

deel van een geheel. Een reis is een wonde

die nooit meer geheel geneest en in zijn litteken

.

dat trekt en teugelt, de weg terug toont

naar waar het goed was, maar bij herhaling

nooit meer worden zal. Want de mens vat vlam

in zijn schede en woedt onzichtbaar geruis-

loos verder.

.

In den vreemde wordt de beschuit van stilte

verkruimeld tussen vingers van zonlicht

en lawaai : de herinnering verbleekt, drijft

tenslotte met de stroming als een strandbal

weg en wordt nauwelijks nagezwommen.

.

Terugreizen wist geen sporen uit :

wij zijn geen strand en leven haveloos verder

binnen onze bange dijken, ons huis is veranderd

onder de zonnebrand van tijd en ruimte,

huisdieren aan de wand geprikt, gestorven

.

en vergeeld.

.

Archeoloog

Riekus Waskowsky

.

Uit de bundel ‘Tant pis pour le clown’ uit 1966 van de Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky (1932-1977) waarvoor hij in 1968 de  Alice van Nahuys-prijs won, het gedicht ‘Archeoloog’.

.

Archeoloog

.

Hij is niet gelukkig, nu langzaam,

na jaren voorbereiding, zijn handen

de bedolven stad bevrijden.

.

Kranten en vakbladen

zullen over zijn vondsten juichen

maar hij is niet gelukkig.

.

Oude vormen van wanhoop, de resten van het leven

dat hij aarzelend blootlegt, vullen zijn hart.

.

1200 jaar voor christus sterft hij dan

bij de verwoesting van Mycene.

.

De koffer

John Ashbery

.

In 1977 staat Poetry International in het teken van de koffer, symbool van het reizen. Naast de gebruikelijke poëzie en dichters uit vele landen is er een tentoonstelling van oude reiskoffers. In 1977 staat de Amerikaanse dichter John Ashbery op het podium in Rotterdam. Ashbery (1927- 2017) werkte van 1955 tot 1965 voor The New York Herald Tribune in Parijs als kunstcriticus. Na zijn terugkeer in de Verenigde Staten werkte hij als docent Engels en was hij ook daar kunstcriticus. Ashbery was een avant-gardistisch dichter.

Ashbery’s vroege werk werd sterk geïnspireerd door door het werk van Auden, alsook door de obscure Franse surrealistische dichter Pierre Martory. Later werd zijn werk steeds meer modernistisch. In de jaren zestig verkeerde hij in avant-gardistische kringen, met wereldwijd de aandacht trekkende kunstenaars als Andy Warhol en John Cage.

Ashbery’s werk kenmerkt zich door vrije, spontane associatie, waarbij zijn gedichten meestal nauwelijks een echt onderwerp kennen. Hij kan heel vaag en poëtisch zijn over concrete alledaagse dingen, waarbij hij regelmatig de parodie als stijlmiddel gebruikt. Een overkoepelend thema is de relatie tussen chaos en het bewuste menselijk denken en met de kunst in zijn algemeenheid. Hoewel Ashbery vaak beweerd heeft voor een groot publiek te willen schrijven, geldt veel van zijn werk als moeilijk toegankelijk, niet in de laatste plaats door de semantische en linguïstische experimenten in zijn werk.

Uit zijn bundel ‘The double dream of spring’ uit 1970 het gedicht ‘The task’ en in een vertaling van Peter van Lieshout, ‘De taak’.

.

De taak

.

Ze maken zich klaar om opnieuw te beginnen:

Problemen, een nieuwe wimpel aan de vlaggemast

in een voorspelde romance.

.

Rond de tijd dat de zon laag boven het

Westelijk halfrond haar stralen vlijt, de kermis echoot,

Dringen de vluchtende landen onder andere namen bijeen.

Leegte neemt de plaats van vreugde in, en Ieder moet vetrtrekken

Weg, ver weg in de stokkende nacht, want zijn lot

Is vruchteloos terug te keren uit het licht

Voorgetoverd door verstrijkende tijd. Slechts

Luchtkastelen waren het, doorkneed in de kunst het verleden

Te grijpen en met pijn te beheersen. En de weg ligt open

Nu om regelrechtschapen te handelen in deze tijd

Verterende dichtheid waarin hij ooit leerde ademen.

.

Kijk eens naar de rommel die je gemaakt hebt,

Zie eens wat je hebt gedaan

Maar als dat dat al spijt mocht zijn raakt het nauwelijks

De kinderen die na het eten buitenspelen.

Belofte van kussens en meer in de nacht die straks valt.

Ik ben van plan hier wat langer te blijven

Omdat dit enkel ogenblikken zijn, ogenblikken van inzicht,

En omdat getast en gereikt nog moet worden,

Naar uiterst en vurig verlangen dat wegsmelt

Ondertussen, als afstand onder pelgrimsvoeten.

.

The task

.

They are preparing to begin again:
Problems, new pennant up the flagpole
In a predicated romance.

.
About the time the sun begins to cut laterally across
The western hemisphere with its shadows, its carnival echoes,
The fugitive lands crowd under separate names.
It is the blankness that follows gaiety, and Everyman must depart
Out there into stranded night, for his destiny
Is to return unfruitful out of the lightness
That passing time evokes. It was only
Cloud-castles, adept to seize the past
And possess it, through hurting. And the way is clear
Now for linear acting into that time
In whose corrosive mass he first discovered how to breathe.

.
Just look at the filth you’ve made,
See what you’ve done.
Yet if these are regrets they stir only lightly
The children playing after supper,
Promise of the pillow and so much in the night to come.
I plan to stay here a little while
f’or these are moments only, moments of insight,
And there are reaches to be attained,
A last level of anxiety that melts
In becoming, like miles under the pilgrim’s feet.

.

Iggy Pop

René Puthaar

.

Ik herinner het mij nog heel goed, mijn broer had een LP gekocht en die draaide hij in de kamer naast mij. Ik herkende de drum intro aan het begin van een singeltje dat toen net uit was en weleens gedraaid werd op Hilversum 3. Het was 1977 en de plaat was ‘Lust for life’ van Iggy Pop. Ik heb die LP toen behoorlijk grijs gedraaid al was het maar voor dat ene nummer. Later, 10 jaar later in 1987 was in in Werchter op het popfestival dat toen nog Torhout/Werchter heette, en daar speelde Iggy Pop het nummer ‘The Passenger’. Het was een warme zomerse dag, het veld was overbevolkt en je voelde de aarde onder je schudden zo danste en sprong iedereen mee met dat nummer. Sindsdien is The Passenger een van mijn favoriete nummers aller tijden.

In de bundel ‘Dansmuziek’ van René Puthaar uit 2000 staat het gedicht ‘Jesus, this is Iggy’ waarin hij zijn liefde voor Iggy Pop verwoordt.

.

Jesus, this is Iggy

.

Een bidprentje. Een hart

dat vlamt. Het bloed is oud

als gisteren, een zang

die in het avondrood

het heenkomen uitvond,

en stollen kan het niet.

.

De adem blijft het liefst

benzinedamp en lust.

I’m just a modern guy.

De passie zij geloofd

voor wat de dijken breekt

en al het hels kabaal.

.

Een zweetspoor. Theatraal.

Verliefdheid. IJzig vuur.

Iets met de sterren en

tabak. En met de huid,

de baaierd van een nacht.

We zijn wat moe. Slaap zacht.

.

Grutto Grutto Fuut Fuut

Robin Hannelore

.

De Vlaamse dichter Robin Hannelore (1937, pseudoniem van August Obbels) is vooral bekend in de Belgische Kempen. Hij kreeg in 1968 en 1977 de poëzieprijs van de provincie Antwerpen. Naast zijn auteursactiviteiten was hij tot 1997 leraar Germaanse talen in zowel Herentals als Antwerpen. Binnen zijn zeer ruime thematiek neemt Hannelore het dikwijls op voor de zwakkeren, de onderdrukten en de onmondigen. Deze voorkeur, die in zijn werk meermaals naar boven komt, kwam tot een hoogtepunt in ‘Een brief aan de koning’ (1979). In zijn veelheid van stijlen waagde hij zich enkele malen in het magisch realisme, wat hem de vriendschap opleverde met Hubert Lampo. Samen met Frans Depeuter en Walter van den Broeck was Hannelore ook medestichter van het satirisch-kritische tijdschrift ‘Heibel’, dat hij in 2007 met Depeuter opnieuw tot leven riep. Hannelore schreef zo’n 20 poëziebundels en hij debuteerde in 1958 met de poëziebundel ‘Waan en pijn’.

In 1978 verscheen in de serie ‘Poëtisch erfdeel der Nederlanden’ in de Vlaamse pockets, een bloemlezing van zijn werk onder de titel ‘Het koekoeksspog’. Wat dat precies betekent is me niet helemaal duidelijk, het Vlaams woordenboek geeft niet direct uitsluitsel, maar het lijkt een afgeleide van gespogen dat ‘heel erg gelijkend op’ betekent. Hierin gedichten uit zijn bundels uit de jaren ’60 en ’70.

De bundel begint met een ‘gedicht’ of een uitspraak van Hannelore waaruit blijkt dat hij het opneemt voor de onderdrukten en de onmondigen.

.

En kom je tenslotte toch naar de Kempen,

denk dan niet te lichtvaardig dat je

het koekkoeksspeeksel, het kikkerspog

of het lenteschuim ontdekte.

Ik loop hier namelijk in het voorjaar steeds

op, voor de voeten van, of in het gezicht van

de parvenu’s, de spekulanten, de mongoloïde politici

en de goden te spuwen.

.

Verder in de bundel blijkt dat Hanelore wel degelijk ook gedichten schrijft die minder activistisch zijn en de schoonheid van de Kempen en de natuur als onderwerp hebben zoals in het gedicht ‘Grutto Grutto Fuut Fuut’ dat nooit gebundeld werd.

.

Grutto Grutto Fuut Fuut

.

Ik lig hier als een driedubbele gek

Te lachen in het gras de witbol

Beroesd van tijm en koeiedrek

De schaduw van de eik zit vol

.

harig wilgeroosje en oud geluk

En gesjirp van een krekel een mus

De Kempen bulkt van de volle pluk

Halfapen toeren er rond in een bus

.

Onder dit groen orgiastisch gewelf

Op dit eeuwig wilde herdersfeest

Ben ik te gast bij de zwarte elf

.

Ik adem ril geniet als een beest

Verlaat hier tenslotte voorgoed mezelf

Nimmer is iemand zo vrij geweest.

.

%d bloggers liken dit: