Site-archief

Begin van het einde van een regime

Ion Monoran

.

Op 16 december 1989 was het dertig jaar geleden, dat de revolutie tegen Ceaușesc ontketend werd in Timisoara, Roemenie. Ik herinner me dit nog goed, ik had in die periode een boek gelezen over het bizarre regime van Ceaușesc. Via collega dichter Serge van Duijnhoven ontving ik informatie over de dichter die de val van het Ceaușesc regime in gang zette. Uit een bericht op zijn website https://sergevanduijnhoven.wordpress.com/ : Een moedige dissidente dichter genaamd Ion Monoran, had de euvele moed een trolleybus te kapen. En met zijn verzen op te roepen op te staan tegen het “Genie van de Karpaten” en diens misdadige ultra-communistische regime. Binnen een dag leidde de pop-up opstand van Monoran tot veertig doden die voor de kathedraal van Timisoara werden neergeschoten door de Securitate en een dag later verbrand op last van Elena Ceaușesc in Boekarest. De rest is geschiedenis.

Ion Monoran (1953–1993) werd geboren in het dorp Petroman in Timis, Roemenië. Hij was journalist, dichter en uitgever. Zijn eerste gedichten werden in 1976 gepubliceerd in het tijdschrift Forum studenţesc. Hij gaf les in de literaire kring ‘Pavel Dan’ van het Studenten Cultuurhuis in Timişoara en hij werkte samen met en publiceerde in de literaire tijdschriften Orizont, Amfiteatru, Echinox en Luceafărul. Geen van zijn boeken zijn tijdens zijn leven gepubliceerd. Monoran was een icoon onder de Boheemse kunstenaars van Timişoara en werd een culturele held na de revolutie. Zijn prijzen zijn onder andere de Orizont-tijdschrift Poëzieprijs (1987), de Nichita Stănescu-prijs voor hedendaagse poëzie (1987), de prijs voor literaire creatie (Satu Mare, 1987) en de Literaire Unie Debuutprijs. Voor zijn werk, Locus periucundus, werd hij geëerd door de gemeente Timișoara door hem ereburger te maken.

Na zijn dood werd Monoran pas gepubliceerd in een poëziebundel. Deze bundel ‘Locus Periucundus’ bevat gedichten uit de periode 1975-1989. Deze biografische poëzie geeft de impulsieve, abrupte en vaak tegenstrijdige teksten van Monoran de ervaring van een ‘vrije geest’. Uit deze bundel het gedicht ‘Locus Periucundus (1)’ (wat zoveel betekent als (tweede) Kamer voor meineed in het Latijn). In een vertaling van Marius Surleac en Marc Vincenz.

..

Locus Periucundus (I)

.

Before
becoming a village
this cluster of ruins
gently sloped beneath the trees, beneath bending
boughs, so that from place to place
fragments of wall peer out of the foliage,
a clutter of refuse
collapses into silence,
interrupted only by the murmur of countless
flowing streams
on winding narrow streets
and by the chatter of villagers
or the wide-eyed, ignorant
shepherds
menacingly dangling their clubs
above the hill’s crest,
behind their herds,
and among the brambles and blackberries
that impede the ewes’ ascent.

.

It is essential
to venture up there
amid the vineyards dull and bright,
to admire the hills
bombarded with rural echoes,
and to roam the dung-speckled grasslands
to reach
these Loci Periucundi
as Pliny would say—
places infused with the mysterious
presence of spirits
which give you an unsettling feeling
even when they are spelled out on paper,
not to mention to encounter them here
frightening and cheerful,
throbbing
in a slow affected ostentation
on the muddy footpaths shaded by thickets
from which curious news arrives
in light and shadow,
sweetened by bird song
or muffled by a profusion
of serpentine creeper vines
winding through trees.

.

Time
perfected
this green daedal country
dominated
by the language of birds and flowers,
a country prepared to take back its fauns and satyrs
concealed in the rocks
overgrown with ferns and wild roses—
as if designed in mad disarray
by a frivolous gardener
and in chaotic succession,
as if especially intended for lovers
seeking a hidden place for love.

.

In these places,
ruling for millennia,
hawk, bat, or cuckoo
have fulfilled their roles as augurs,
as angels and archangels, but now
hang as simple decorations
or as red penalty cards,
torn apart by weather and neglect.
.
Despite
the urgency of this beautiful,
almost Rousseauian spontaneity,
churches still loom
abundantly
in the oppressive religiosity
of the peasants
who, notwithstanding their kindness and courtesy,
are more renowned
for the quality of their wines and brandy
than any worship of saints
or their practice of the Mysteries
dedicated to Zamolxis or Dionysus.
.
The peasants are simple,
a living material
of farmers or miners or shepherds
and live their lives in these villages
built from these high walls and rubble—
rather more medieval than ancient.
And only my imagination
helps me see them
dissolve into the dream-light of an antiquity
that swarms everywhere,
reviving from these stones
with uncertain meaning,
the great towers of an almighty
Dacian stronghold,
which, in their long-lasting wanderings,
the Romans besieged.

.

Stenen voor het begin

Fleur Bourgonje

.

De Nederlandse schrijfster en dichter Fleur Bourgonje werd geboren in 1946 in Achterveld. In 1968 vertrok ze naar Parijs, eind 1970 naar Zuid-Amerika. Ze woonde tijdens de regeringsperiode van Salvador Allende in Chili, daarna in Argentinië, tot ook daar een militaire staatsgreep een eind aan haar verblijf maakte. Eind 1976 vestigde ze zich in Venezuela. Gedurende deze jaren bereisde ze heel Midden-en Zuid-Amerika.

Bourgogne schrijft naast romans en gedichten ook lyrische en hoorspelen. Haar werk werd o.a. vertaald in het Duits, Engels, Frans, Italiaans, Spaans, Servisch en Bosnisch en voor haar literaire werk ontving ze meerdere nominaties en prijzen.

Ze noemt zichzelf een buitenstaander die het liefst mensen en gebeurtenissen observeert. Als vanuit een vogelvlucht overzicht houden en de betrekkelijkheid der dingen inzien. Haar leven noemt ze een biografie: “De werkelijkheid blijft hetzelfde, maar hoe ik deze ervaar verandert. Daardoor zijn mijn herinneringen altijd gekleurd.”

In 1987 verscheen bij uitgeverij Meulenhoff de bundel ‘Stenen voor het begin’ haar poëziedebuut. Rogi Wieg schreef in een recensie over deze bundel: De toon van dit werk is goed, gedreven, maar veel gedichten blijven vaag en lijken slechts een aanzet. Poezie met veel licht, stenen, tijd en ruimte. Goede regels, maar de essentie blijft onduidelijk: ‘Woorden alleen, niet/het verhaal;/niet de bomen,/wel het bos.’

Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Het huis’.

.

Het huis

.

De plant is over het balkon gegroeid,

de kale stam rust op de rand.

Zwaar van venijn

buigt haar bloem

naar de straat,

waar ik sta, vandaag.

.

Hoe kan een cactus voortbestaan,

bloeien in niets,

in leegte

na de vlucht.

.

Waarom overleeft een plant

wat in mij is doodgegaan.

.

Maffe zus

Nico Scheepmaker

.

In 1973 vertelde Nico Scheepmaker aan Guus Luijters: ‘Het moet allemaal een spel blijven, vind ik. Sommige gedichten zijn een spel met een serieus onderwerp, andere met een frivool onderwerp, maar het is allemaal spel. Het gaat erom de mensen een beetje leesgenot te verschaffen’. Hij deed dit in het Parool en deze passage is het begin van de bundel ‘De gedichten’ Bezorgd door Ivo de Wijs uit 1991.

De reden dat ik dit citaat overneem is omdat ik het zo eens ben met Nico. Alle literatuur is er (ook) om de mensen een beetje leesgenot te verschaffen. Voor poëzie geldt dit net zo. Natuurlijk zijn er vast nog vele andere redenen te bedenken waarom iets geschreven is maar door het simpele feit dat het geschreven is, is het altijd om gelezen te worden. En lezen zonder leesgenot is geen lezen.

Nico Scheepmaker (1930-1990) was columnist, (sport)journalist en dichter. In de jaren 50 kreeg hij succes als dichter. Hij debuteerde als dichter met de bundel ‘Poëtisch fietsen’ (1955) en in 1958 kreeg hij de Anne Frank-prijs voor jeugdige schrijvers. Scheepmaker schreef verschillende dichtbundels waaronder ‘Vinger in de hoed’ uit 1976, een dialoog in sonnetvorm tussen Scheepmaker en Jan Kal.

Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Maffe zus’.

.

Maffe zus

.

Het gaat in een gedicht niet om het rijm!

En ook sonnetten zijn nog steeds gedichten

al vallen zij als onvolwassen nichten

bij ’t eerste ’t beste halfrijm in zwijm.

.

Je hebt als sonnettist natuurlijk plichten,

maar een gedicht dat met een kwastje lijm

aaneengehaakt wordt, mist het groot geheim

op ongeëvenaarde vergezichten.

.

Neem nu alleen maar deze twee kwatrijnen:

‘rijm’ en ‘gedichtenazijn toch niet ontheemd

in een gedicht dat zonder tierlantijnen

zijn licht over de dichtkunst wil doen schijnen.

.

Maar ’t blijft natuurlijk wel een beetje vreemd

dat elk zijn maffe zus op sleeptouw neemt.

.

Geen man, want geen vrouw

Gerrit Krol

.

Er zijn schrijvers en dichters waarvan iedereen de naam wel kent maar waarvan, bij navraag, maar weinigen ooit een boek hebben gelezen. Dat geldt ook voor mij en in het bijzonder betreft dat schrijver, essayist en dichter Gerrit Krol (1934 – 2013). Ik dacht ooit, in de jaren ’80 wel eens een pocket van hem te hebben gelezen maar kan me niet meer herinneren welke.

Op zichzelf is dat natuurlijk helemaal niet erg, je kunt nu eenmaal niet van elke schrijver of dichter een boek lezen (hoewel er ongetwijfeld mensen zijn die hiertoe pogingen doen). In het geval van Gerrit Krol kan ik in ieder geval zeggen dat ik een dichtbundel van zijn hand heb gelezen. De bundel ‘Geen man, want geen vrouw’ kwam in 2001 uit en op de achterflap schrijft Krol:

“Sinds de succesvolle ontvangst van ‘De kleur van Groningen’ voer ik het certificaat van een hoogsteigen vorm. Die stelt mij in staat bijzonder snel en makkelijk gedichten te schrijven welke bovendien onbeperkt houdbaar zijn”, en “Het zijn krachtige, ijzersterke verzen zonder ook maar één enjambement. Geschreven in de derde persoon zouden deze balladen kunnen worden genoemd. Eerder episch dan lyrisch, zijn ze uitstekend bestand tegen de vaak zo persoonlijke gevoelens van deze tijd. Absoluut onmodieus!”

Dit schrijft hij omdat hij in de jaren daarvoor krampachtig poëzie probeerde te schrijven (na in 1976 zijn tot dan toe eerste en enige dichtbundel ‘Polaroid’ te hebben gepubliceerd) en dit maar niet lukte.

Opvallend in de gedichten in deze bundel, is de manier waarop Krol zichzelf steeds tegenspreekt, verbetert, aanpast, alsof er een tweede dichter met hem mee schrijft die als een soort redacteur samen met hem het gedicht vorm geeft. De epische (verhalende) vorm wordt hierdoor versterkt. Zoals in de gedichten ‘Roodborstje’ en ‘Geen wak’.

.

Roodborstje

.

Een roodborstje dat tegen het raam tikt.
Niet tegen het raam, maar tegen het ei waarin het zit en het ei breekt in tweeën.
Niet het ei, maar het ijs dat scheurt van Groenland naar beneden.
.
Een zwarte zee, waarin witte vlakten drijven.
Geen vlakten maar bergen.
Geen ijs, maar graniet.
Nodig voor het roodborstje om zijn snaveltje te scherpen.
.
Zijn snaveltje sterker dan het ei.
.
Sterker dan Groenland.

.

Geen wak

.

Het weiland, het voorjaar, de eerste koeien.

Geen koeien, maar pinken.

Geen voorjaar, geen riet.

.

De sloot, een blauwe lucht.

Niet het water, maar het wak.

Geen wak, maar ijs dat dunner dan glas.

.

Een eend draagt.

.

Vintage poëzie

Gedichten op vreemde plekken 

.

In de vrijwel onuitputtelijke serie ‘Gedichten op vreemde plekken’ hier een voorbeeld van poëzie op vintage blikken. Waarschijnlijk zat er in deze ouderwetse blikken chocolade. Op de deksel, en soms op de zijkant, eenvoudig toegankelijke poëzie. Zoals het gedicht van Henry van Dyke op het bovenste blik uit 1976.

.

Every house

where love abides

and friendship is a guest,

is surely home

and home sweet home

for there the heart can rest.

.

Over het sparen

Gerrit Krol

.

De Groningse dichter Gerrit Krol (1934 – 2013) studeerde wiskunde en was computerprogrammeur. Naast poëzie schreef hij essays, en romans. Hij debuteerde in 1962 met de roman ‘De rokken van Joy Scheepmaker en na nog eens 10 verhalenbundels, romans en essays kwam in 1976 zijn eerste dichtbundel uit met de titel ‘Polaroid’. Toch publiceerde Gerrit Krol al eerder gedichten zoals in Tirade 142 uit december 1968. Daarin zijn vier gedichten van hem opgenomen.

In deze gedichten (Over onze tekortkomingen, Over het sparen, Over het stukslaan van een ei, en Over het nut van borsten voor een vrouw en het gebruik van haar achterste) komt heel duidelijk het analytische denkvermogen van krol naar voren. In algemene zin gebruikte Krol regelmatig wiskundige elementen, schema’s en tekeningen. In het gedicht ‘Over het sparen’ ontleed Krol het sparen, hij werpt een stelling op en verbindt daar een conclusie aan die hij vervolgens weer tegen het licht houdt. In dit spel met de taal is de uitkomst even verrassend als onwaarschijnlijk.

.

Over het sparen

.

Sparen is nee zeggen tegen wat goed is.

Goed is datgene waartegen je

ja kunt zeggen, zoals slecht in het algemeen

datgene is waar je nee tegen zegt,

want wie ja zegt tegen het slechte

doet dat omdat het slechte

goed voor hem is.

.

Wat goed is

is slecht zodra het er niet meer is.

Het goede is datgene wat gekozen kan worden.

Het slechte wordt niet gekozen.

Daarom kan iets dat goed is veranderen in

iets dat slecht is.

Iets dat slecht is is goed

zodra het gekozen is.

Daarom kan het goede

dat slecht is omdat het er niet meer is

niet goed zijn omdat het

niet meer gekozen kan worden.

En daarom is het beter het slechte te kiezen hoewel dit

dus niet mogelijk is.

.

Rijmenderwijs

Jan Prins

.

In 1964-1965 werden op de schoolradio (ja die bestond toen) gedichten voorgelezen. De Stichting Nederlandse Schoolradio bracht in 1965 het bundeltje ‘Rijmenderwijs’ uit met de gedichten die op de radio werden voorgedragen. Samensteller was Jaap Maarleveld. In dit mooi geïllustreerde bundeltje staan vele grote namen zoals Willem Elsschot, Bertus Aafjes, A. Roland Holst, H. Marsman en Leo Vroman en Jan Prins.

Jan Prins (1876 – 1948) was een Rotterdamse dichter die actief was in de kring rond het tijdschrift ‘De Beweging’ van Albert Verwey. Prins (pseudoniem van Christiaan Louis Schepp) debuteerde in 1903. Zijn eerste dichtbundel verschijnt in 1911 en is getiteld ‘Tochten’. Prins vertaalde vele gedichten en in zijn eigen werk komt de liefde voor zijn geboortestad Rotterdam regelmatig voorbij. Of hij voor het gedicht ‘De zwerver’ uit ‘Rijmenderwijs’ inspiratie heeft opgedaan in Rotterdam is onduidelijk.

.

De zwerver

.

Door de leegen kouden akker

Loopt een oude, arme stakker,

Zoekend in den harde grond

Of-ie geen petatters vond.

.

Wroetend gaan de zwarte handen,

Klapperend de zwarte tanden,

Gulzig glimt de grauwe mond

Of-ie geen petatters vond.

 

In de avond nog, bedrogen,

Ging de moede schim gebogen,

Kroop de zwarte schaduw rond

Of-ie geen petatters vond.

.

En alvorens te beginnen

Aan het maal, zei de bazinne

Hoe een groote, vreemde hond

Zocht, of-ie petatters vond

.

 

 

Nachtelijk gesprek

Paul Rodenko

.

Paul Rodenko ken ik vooral als samensteller en bloemlezer van allerlei bundels zoals ‘Voorbij de laatste stad’,  ‘De muze viert feest’ en ‘Nieuwe griffels, schone leien’. Paul Rodenko (1920-1976) was echter veel meer, hij was dichter, criticus, essayist en vertaler. In de oorlog werkte hij mee aan de illegale tijdschriften Maecenas en Parade der Profeten. Zijn debuut als dichter maakte Rodenko in 1947 met zijn vertaling van Dvenatsat (De twaalf) van de Rus A. Blok (de vader van Rodenko was een Rus).

Door zijn essays en bloemlezingen over de experimentele poëzie in Nederland, ontstond een klimaat waarin de vernieuwende Beweging van de Vijftigers in de Nederlandse poëzie in steeds bredere kring werd geaccepteerd. Rodenko, die meteen na de oorlog enkele jaren in Parijs doorbracht, waar hij zich intensief met het surrealisme en het existentialisme bezighield, was zich al voor het optreden van de Vijftigers bewust van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog op de literatuur. Een goed voorbeeld is zijn gedicht ‘Bommen’ dat ik mop dit blog plaatste op 15 juli 2018 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/07/15/bommen/.

Uit de bundel ‘Orensnijder tulpensnijder’ Verzamelde gedichten uit 1975 het gedicht ‘Nachtelijk gesprek’.

.

Nachtelijk gesprek

.

We zitten moe als padden zo gedwee

in onze transparante tent

de nacht rondom is een immense zee

de woorden onze mond ontwend

zijn trage jonken op het tijloos water

.

Geen uurwerk tikt er in de nacht

geen tafel lacht

je onbeweeglijke gezicht

is van een wonderlijke naaktheid

.

Hoe lang reeds is de zin geronnen

van ons gesprek in deze tent

komt er dan nooit een end

de laatste spin heeft stil mijn tong bestegen

en is verveeld zijn grauwe web begonnen

.

Je stem heeft zich nu eindeloos verlengd

ik zie de voet slechts van een rijzig woord

je vissenmond kruipt langzaam naar mij toe

.

en wordt heel groot en onbegrijpelijk rond

.

Poëziepodia

Alkmaar, Rotterdam en Maassluis

.

Het is alweer een tijd geleden dat ik aandacht aan poëziepodia schonk. In de tussentijd zijn er weer bijgekomen, verdwenen of veranderd. Hier een drietal podia dat het al een tijdje volhoudt, voor ieder wat wils en met elk zo zijn eigen sfeer inhoud.

Reuring in Alkmaar

.

Onder de bezielende leiding van dichter en organisator Alja Spaan wordt alweer een paar jaar lang in Alkmaar podium Reuring georganiseerd. Elke maand (op 1 maand in de zomer na) nodigt Alja dichters uit in Grand café Koekenbier aan de Kennemerstraatweg 16 voor een middag met bekende en minder bekende dichters. De deelnemende dichters komen vaak uit de buurt van Alkmaar maar ook regelmatig vanuit andere windstreken van Nederland (en Vlaanderen). Helle van Aardeberg maakt elke maand een prachtige aankondiging. Toegang is gratis. Zie voor meer informatie https://reuringgedichten.nl/

.

Poëziecafé Woordkunst

.

Jaap van Oostrum, Jelle Ravestein en Henny Wesselius organiseren vier keer per jaar (februari, april, september en november) op de tweede dinsdag van de maand,  in Kevins Place aan de P.C. Hooftlaan 6 in Maassluis, poëziecafé Woordkunst. Daarnaast elk jaar een keer in een tuin in Maassluis. Er worden per podium 5 dichters gevraagd uit de omgeving maar ook van daarbuiten, er is muziek en een open podium. Toegang is gratis. Meer informatie op https://woordkunst.maassluis.nu/

.

De Poetsclub

.

Poëzie in de Schouw. Open podium. Dichters jong en oud, ervaren of beginnend zijn welkom, elke eerste woensdag van de maand, om hun gedichten voor te dragen. Wie wil optreden moet tenminste één tekst brengen die nog nooit is voorgedragen of gepubliceerd. Presentatie door Renato Miguel en Jeroen Naaktgeboren. De Poetsclub begint om 21.00 uur, toegang is gratis en je vindt café de Schouw aan de Witte de Withstraat 80 in Rotterdam.

.

Wil je steeds op de hoogte zijn van woordkunstpodia in Nederland en België, neem dan eens een kijkje op https://www.platformplank.nl/ waar 50 woordkunstpodia bij zijn aangesloten.

.

Om toch te eindigen met een gedicht, het gedicht ‘Sommige poëzie is met een…’ van Remco Campert uit ‘Alle bundels gedichten’ uit 1976.

.

‘Sommige poëzie is met een …’

.

Sommige poëzie

is met een klein mondje

nog kleinere dingen zeggen

.

erwtjes blazen naar de zon

.

net als een kleintje koffie

als je omkomt van de dorst

.

.

dankdag voor het gewas

rotterdam

.

In 1966 verscheen bij uitgeverij nijgh & van ditmar de bundel ‘dankdag voor het gewas’ van Wim Hazeu. In het exemplaar dat ik bezit heeft Wim Hazeu het volgende geschreven: “waar dichter en dokter tesamen komen, glanst de droppel die het leven is” Nieuwkoop 1972. Daaronder zijn naam en in pen er later bijgeschreven (door degene van wie de bundel was destijds waarschijnlijk) dat het hier een bundel uit 1966 betreft.  Deze uitgave (nieuwe nijgh boeken 14) is een duidelijk voorbeeld van hoe men met de taal omging in de jaren zestig; geen hoofdletters of leestekens, namen met een kleine letter geschreven (delft, rotterdam) maar wel wintercursus met een c en ekskursies met een k.

Toen ik de bundel kocht kwam ik erachter dat er in de bundel een getypt vel uit 1976 zat met daarin een behandeling van het gedicht ‘elegie’ dat overigens niet in deze bundel staat. Kortom een klein pareltje uit de dichtkunst van de afgelopen decennia. Wim Hazeu (1940) is een geëngageerd dichter met een uitgebalanceerd taalgebruik. Hazeu publiceerde een aantal poëziebundels, romans en is de laatste jaren vooral bekend van zijn biografieën van schrijvers en dichters (Vestdijk, Achterberg, Aafjes, Slauerhoff). Naast zijn schrijfwerk was Hazeu ook actief als journalist, radio- en televisieprogrammamaker en uitgever.

Uit ‘dankdag voor het gewas’ heb ik gekozen voor het drieluik ‘rotterdam’.

.

rotterdam

.

1

.

met de roltrappen

proberen zij

– de vrouwen

een stukje hemel te vergaren

en met een feestkleed

van f 49,50

dalen zij

– de vrouwen

de trappen af

met het feestkleed

voor iedereen

– de vrouwen

weggelegd

.

2

.

men slaat heipalen

in de trommelvliezen

die gemakkelijk scheuren

kraanmachinisten staan hoger

genoteerd

dan het beursgebouw

en het vrije volk

geeft het laatste metronieuws

over de doodgravers

.

3

.

hier

in de omarming van gebouwen

zijn wij overbodig

zittend op een terras

kijken miljoenen stenen

op ons neer

stenen van het laatste uur

.

%d bloggers liken dit: