Site-archief

Herinnering aan Willem Elsschot

Peter van Steen

.

In de rubriek ‘Dichters over dichters’ dit keer een gedicht van Peter van Steen over de schrijver en dichter Willem Elsschot (1882 – 1960). Het gedicht ‘Herinnering aan Willem Elsschot’ staat in ‘De spiegel van de Nederlandse poëzie, dichters van de twintigste eeuw’ uit 1983 samengesteld door Hans Warren.

Over Peter van Steen (1904 – 1971) is niet zoveel bekend, gelukkig vond ik via de geweldig rijke website https://www.dbnl.org een artikel over deze Amsterdamse dichter uit het Jaarboek van de Maatschappij Nederlandse Letterkunde uit 1975. Peter Mourits (de echte naam van Peter van Steen) begon als schrijver van romans maar in oorlogstijd ontdekte hij de poëzie. In de tweede wereldoorlog publiceerde hij anoniem en in eigen beheer drie boekjes; ‘Bezet gebied’ en ‘Nieuwe lente’ in 1944 en ‘Vijf dagen’ in 1944-1945 (eerste en tweede druk).

Peter van Steen was een onvoorwaardelijk bewonderaar van de romans van Willem Elsschot waar hij en zijn vrouw Riek af en toe gingen logeren. Willem Elsschot schreef een inleidend woord voor Peter van Steens novellenboek ‘Alarm in de spiegel’ (1951), waarin hij hem ‘de verpersoonlijking van de opstandigheid’ noemde, ‘niet alleen tegen de tyrannie, maar tegen alles wat laag is, gluiperig, laf of halfslachtig.’ Het is dan ook niet verwonderlijk dat Peter van Steen een gedicht aan zijn favoriete schrijver/dichter schreef dat eerst in het ‘Nieuw Vlaams tijdschrift’ in 1965 en later in zijn bundel ‘Aan het raam en erbuiten’ uit 1971 verscheen.

.

Herinnering aan Willem Elsschot

.

Zo vaak moet ik nog aan hem denken,

hij schreef niet meer

maar ’t was zo veilig dat hij er nog was;

nu kijk ik naar zijn dodenmasker.

Zó veel bleef ongezegd

van Bach en Mozart , Multatuli,

van communisme en het christendom;

hij zou ze samen laten gaan

maar in de duinen zong hij luid

met tranen in de ogen:

‘Und alle deine Tränen

und alle deine Tränen

und alle deine Tränen

mamita mia

werden wir rächen’

en hij schuwde het geweld,

sprak tandenknarsend van tederheid.

Maar uitdagend zong hij verder:

‘Und alle deine Knechtschaft

und alle deine Knechtschaft

und alle deine Knechtschaft

mamita mia

werden wir brechen.’

Maar het slijpen in de straten van Antwerpen is voorbij;

geen schuimend bier,

geen onverzettelijkheid,

geen snelle blik naar mooie vrouwen,

fini, afgelopen, uit.

‘De aarde is niet uit haar baan gedreven.’

.

 

Overdenking

(bijna) vergeten dichters

.
Fritzi Harmsen van Beek (1927 – 2009) was schrijfster, dichter en tekenaar. Haar oeuvre is klein, maar toch rekenen sommigen haar tot de beste Nederlandstalige dichters van de 20e eeuw. Ze publiceerde onder zowel haar officiële achternaam Ten Harmsen van der Beek als de verkorte naam F. Harmsen van Beek. Van 1957 tot 1960 was ze getrouwd met Remco Campert en ze maakte deel uit van de zogenaamde Leidsepleinscene ( een bonte verzameling van Amsterdamse dichters, schrijvers, journalisten, acteurs en schilders) waar ook onder andere Simon Vinkenoog en Cees Nooteboom deel van uitmaakte.
Harmsen van Beek debuteerde in 1958 met een gedicht in ‘Tirade’ en in 1965 met haar eerste bundel ‘Geachte muizenpoot en andere gedichten’. Voor haar debuutbundel had Hugo Claus haar al eens de beste hedendaagse dichter genoemd. Fritzl Harmsen van Beek liet een klein oeuvre na maar kreeg voor haar werk In 1975 de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en in 1994 de A. Roland Holst-Penning.
In 1975 verscheen in ‘Maatstaf’ jaargang 23 een aantal gedichten van haar hand waaronder het gedicht ‘Allerzielen 2 november 1974, Overdenking’.
.

Allerzielen 2 november 1974
Overdenking

.

Lieve Mamma. Hoe gaat het met je en Pappa,

en Oma en het wéér daarzo? Warm en vrolijk voor

.
jou en voor hem zeekleurig en geurend naar haven-
water, klotsend langs die schepen waar je nooit

.

niet op wou, eigenlijk, en voor Oma: prettig vinnige
kou, zodat ze je in huis kan houden, bedolven onder
.
zelfgebreid en onverslijtbaar ondergoed? (Die ribbels
aan je derrière, als je daarmee aan naar school en
.
uren op ze en de banken zitten moet, een ware kwelling
niet?) Is ginder ook nog van die andere muziek, van
..
die, die voor jullie vertrek nog niet bestond? En zijn
er zeker bibliotheken, die van Leuven hebben ze toch
.
wel bijgezet, naar ik hoop, sinds de brand in 1915,
was het niet -, die waar de oude schriftgeleerde, hoofd-
.
dignitaris, niet uit indignatie, maar van louter leed,
in tranen uitbrak, niet meer spreken kon, toen hij er
.
van getuigen moest, die hele boel, die is er toch nog
wel, niet? Zo leuk voor Pappa en oom Pim. En mij, later.
.
Hier is het heel prettig: het wordt weer lente, want
de vorige is definitief voorbij en wat de zomer aangaat
.
was het een heel zacht wintertje, dit keer. Op heden
heerst een koele natte herfst, onophoudelijk, die ruikt
.
naar inkt en rotte notenbladeren, beschimmelde kerken
en moeizaam ontvlammende vochtige houtvuren, ik neem
.
er toch zo graag notitie van, buitenshuis dan, binnen
lekt het. En hoe bevalt jullie het vliegen? Geen last
.
van remous of donderbuien, piraten en onvreetbare
cocktails met naast je een snurkende vreemdelinge? Met
.
paarse nagels aan en groene schoenen? Wegen die vleugels
je niet zwaar? Nee? Geen last van overbevolking of ver-
.
vuiling, is het waar dat dieren er niet in mogen? Wèl,
hè! O, dan ga ik en vast wij allen een schone toekomst
.
tegemoet. Met nog de liefste groeten van F, die jij
vroeger ooit lammetje noemde, bij vergissing, denkelijk.
.
Toen je naar het rijk van wat ik vroeger noemde,
ook vergisselijk, ‘der zachte vliegmachines’, vertrok
.
was je twee jaar ouder dan ik nu, die me toen, tot
mijn verbazing enigszins, in een klas bevond met een
.
pater, die, wat nog meer verwondering wekt, me een
Persoonlijke brief schreef met als aanhef: Agnus Dei,
.
Ora pro nobis. Was het geloof ik. Merkwaardigerwijs
voelde ik me daarmee persoonlijk vereerd en verplicht.
.
Ik kon het net begrijpen zonder mijn woordenboek. Het
is te hopen dat het echte Lam het er niet bij zitten laat
.
en dat het watuithaalt.
.

Poëzie uit Rhodesië

Bonus Zimunya

.

In 1975 heette Zimbabwe nog Rhodesië (pas in 1980 werd Zimbabwe een onafhankelijke natie). En zoals in alle landen in de wereld werd ook in Rhodesië aan poëzie gedaan. In Engeland kocht ik afgelopen jaar een klein bundeltje getiteld ‘Rhodesian Poetry’ no.12 1974-1975. The Twenty-fifth Anniversary Issue (1950-1975). Uitgegeven door The Poetry Society of Rhodesia and Published on a non-profitmaking basis.

In het voorwoord schrijft Stephen Gray  van de Rand Afrikaans University in Johannesburg onder andere dat poëzie die de woorden en het gedachtengoed van Keats gebruikt hem niet kan bekoren als het gaat om poëzie in Rhodesië. Hij is meer gecharmeerd door de poëzie met een sociale context en die past bij de ‘nieuwe natie’ die Rhodesië op dat moment is.

In de bundel een aantal typisch Engelse namen van al wat oudere dichters zoals D.E Borrel (1928). G.R. Brown (1928), Judy Edgar (1936) en Olive Robertson (1909) maar ook van een aantal jongere “Afrikaanse’ dichters als Viki Tapiwa, Enetia Vasilatos (1951) en Bonus Zimunya.

Bonus Zimuya (1949) wordt genoemd als Rhodesië African die gepubliceerd heeft in Chirimo in 1969. Inmiddels is Musaemura Bonas Zimunya een van Zimbabwes meest vooraanstaande schrijvers. In 1980 werd hij professor Engelse taal aan de University of Zimbabwe. Hij was secretary general van de Zimbabwean Writers Union en in 1992 ontving hij een Fulbright Scholarship aan de Pratt Institute in New York. In 1999 verliet hij Zimbabwe en momenteel is hij Director of Black Studies aan de Virginia Tech.

In de bundel staat het gedicht ‘Old Granny’ van hem en hieronder kun je het origineel en mijn vertaling lezen.

.

Old Granny

.

A little freezing Spider:

Logs and arms gathered in her chest

Rocking with flu,

I saw old Granny

At Harare market;

It was past nine of the night.

When I saw the dusty crumpled Spider –

A torn little blanket

Was her web.

.

Oud omaatje

.

Een kleine bevroren spin:

Stammen en armen verzameld op haar borst

Schommelend van de griep,

Ik zag een oud omaatje

Op de markt van Harare;

Het was na negen uur ’s avonds.

Toen ik deze stoffige verfrommelde Spin zag –

Een gescheurde kleine deken

Was haar web.

.

 

Antilliaanse poëzie

Luis H. Daal

.

Ik schreef al eerder over de Antilliaanse en Surinaamse poëzie en dat ik eigenlijk maar weinig weet van de dichters en poëzie van deze twee landen. Nu ben ik in het bezit gekomen van een dubbelbundeltje, eerder een tijdschrift, dat twee voorkanten heeft en getiteld is ‘kennismaking met de antilliaanse poëzie / kennismaking met de surinaamse poëzie’.  Deze uitgave werd aan de hoogste klassen van de scholen voor voortgezet onderwijs in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen aangeboden door de Nederlandse Stichting voor Culturele Samenwerking met Suriname en de Nederlandse Antillen (Sticusa) in het jubileumjaar 1973.

In deze bundel zijn gedichten opgenomen die zijn gekozen en ingeleid door dr. J. Ph. de Palm en mr. H. Pos. In de bundel namen die ik ken (Edgar Cairo, Michaël Slory, Albert Helman, Tip Marugg en Alette Beaujon) maar ook, voor mij, nieuwe namen als Elis Juliana, Thea Doelwijt en Bernardo Ashetu. En ook dichter Luis H. Daal.

Luis Daal was de schrijversnaam van Luis Henrique Plácido Daal (1919 – 1997), was een Curaçaos schrijver, dichter, essayist, columnist, vertaler en kinoloog. Hij was werkzaam op de Antillen en in Spanje. Van 1968 tot 1975 was hij werkzaam op het Bureau Toezicht Curaçaose bursalen. En vanaf 1975 tot zijn pensionering in 1984 was hij hoofd Culturele Zaken op het voormalige Antillenhuis in Den Haag. Hij was 10 jaar lid geweest van het bestuur van Sticusa (Amsterdam) en 6 jaar lid van de adviesraad voor Culturele Samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk.

Daal publiceerde in het Spaans en het Papiamentu, hij vertaalde veel poëzie naar het Papiamentu en hij werd voor zijn werk verschillende malen onderscheiden in Nederland, Spanje, België en Venezuela. In de bundel is het gedicht ‘Gebed voor alle dag’ opgenomen (in het Papiamentu ‘Orashón di tur dia’) in een vertaling van Jules de Palm.

.

Gebed voor alledag

.

Lieve vader in de hemel,

zorg dat ik het brood, dat ik eet,

nooit dat zal zijn, dat ontbreekt

op de tafel van een vriend,

noch is onttrokken aan de dorre mond

van het kind van een verachte moeder.

.

Maak dat mijn vreugde

nooit de wijn zal worden

die mij of mijn vrienden

zal benevelen;

.

Zie ook toe

dat in de nog reine ziel van uw zoon

zich nimmer zullen nestelen

het gif van de haat,

de azijn van de afgunst,

de aloë van de wrok.

.

Orashön di tur dia

.

Tata dushi, den bo shelu,

hasi pa e pan ku mi ta kome

nunka tá esún ku falta

riba mesa di un amigu

ni ranka foí boka seku

di un ju dio mama ultrahá.

.

Mira pa mi alegria

nunka jega ‘i tá en biña

ku lo tin di burachá

ni mi mes mi mi amígunan;

.

mira tambe pa den alma

te aínda limpi di bo ju,

nunka n’forma nan bibá

ni venenu di un odio,

ni binágr di envidia

ni sentebibu di renkor….

.


Het grijze gevaar

Rijmen voor Sinterklaas

.

Daags voor Sinterklaas zal er nog menig ouder in de stress zitten omdat er gedichten geschreven moeten worden. En met gedichten bedoelen we dan rijmpjes, versjes. En waar de meeste ouders niet veel verder komen dan “Sint zat te denken wat hij aan deze of gene zou schenken” is er natuurlijk best iets meer te halen uit deze oude traditie.

Rijmende verzen zijn er in vele maten en soorten. Kijk maar eens onder de rubriek ‘Versvormen’ op dit blog, dan kom je er veel verschillende tegen. Waar de meeste rijmende gedichten de mist in gaan is niet eens omdat ze niet rijmen, dat lukt de meeste mensen nog wel (met of zonder rijmwoordenboek), nee het is het metrum, het ritme waar menigeen de mist mee ingaat.

En dat het heel goed kan bewijzen vele light verse dichters. Een van de bekendste light verse dichters die ook humor in zijn poëzie stopt is John O’Mill. O’Mill (1915 – 2005) was het pseudoniem van Johan van der Meulen. Hij was tot 1975 leraar Engels aan de Rijks-HBS te Breda en schreef nonsensgedichten die vaak gebaseerd waren op een letterlijke vertaling van Nederlands idioom in het Engels. Hij werd hiertoe geïnspireerd door het werk van zijn leerlingen en wat ik camping Engels zou noemen..

O’Mills eerste bundel ‘Lyrical Laria in Dutch and double Dutch (1956) werd gepubliceerd in de hoge oplage van 5000 stuks, en werd daarna nog vijftien maal herdrukt tot 1983. Zijn werk kenmerkt zich niet alleen door een perfect ‘ritme’, maar tevens door een creatief gebruik van ‘Double Dutch. Johan van der Meulen werd door Hugo Brandt Corstius (auteur van onder andere ‘Opperlandse taal- & letterkunde’ ) omschreven als “Anglo-Opperlandicus”.

Van zijn hand verschenen maar liefst 18 bundeltjes. Uit de laatste (1984) ‘Beloney bellettrie’ een voorbeeld van zijn geweldige gevoel voor ritme en metrum.

.

Het grijze gevaar

.

Om hun ouders leed te besparen

(de kwalen van de oude dag),

at men ze op bij de barbaren,

wat iedereen als deugdzaam zag.

.

Vooral de moeders deed het deugd

op hun oude dag te weten

dat straks hun kroost (de lieve jeugd)

een week er goed van zouden eten,

.

terwijl de vader meer genoot

van gedachten aan de dagen

dat hij vlak na zijn vaders dood

’n hele week niet hoefde jagen.

.

Het volk, waarvan ik hier gewaag

(wilden die hun ouders aten),

vond zo het antwoord op de vraag:

‘Waar moeten we de oudjes laten?’

.

 

De keuze van Frankrijk in 1968

Henry Hes

.

In het kader van (bijna) vergeten dichters wil ik vandaag de dichter Henry Hes bespreken. Henry Hes, of H.Hes of ook wel H.H.J. Hes (1946) is een dichter en prozaschrijver uit Groningen. In de jaren ’60 was hij actief in de Groningse Provo beweging en Ín de jaren zeventig en tachtig was Hes betrokken bij literaire activiteiten in en rond Groningen-stad. Hij was onder meer redacteur bij de kleine uitgeverij De Zon. Henry Hes was medewerker aan onder andere ‘Krödde’ (Groninger poëzie pop) en Remco Camperts tijdschrift ‘Gedicht’.

Uit deze laatste uitgave nummer 6 uit 1975 nam ik het gedicht ‘de keuze van Frankrijk in 1968’.

.

de keuze van Frankrijk uit 1968

.

aan la frontière moetsen de spullen

uitgepakt worden, waaronder

een gave paardenschedel

gerold in een regenjas

.

afgrijzen bij de douane

om al die loszittende tanden

opluchting omdat het geen

mens was, al dat schrijfwerk

.

de verbeelding was nog niet aan de macht

de schedel werd te licht bevonden

en mij werd de ruimte keuze gelaten

.

niet naar Parijs te gaan

aan de belgische kant van de grens

te blijven of erg snel te verdwijnen

.

Staatsmijn Wilhelmina

Manuel Kneepkens

.

In ‘Gedicht’ een driemaandelijks tijdschrift voor poëzie onder redaktie van Remco Campert, nummer 6 uit 1975 staat het gedicht van dichter, publicist, politicus en jurist-criminoloog Manuel Kneepkens (1942) met de titel ‘Staatsmijn Wilhelmina’.

.

Staatsmijn Wilhelmina

.

Zomers rolde je er met de bolderwagen of autoped

Moedertje Rusland in: de toendras en de steppen

van de Slikvijvers

die zwarte open wonden van de Hades, verraderlijk

achter hun camouflage van de prinsesmargrieten

.

op vrijdagavond, na werktijd, mochten de kompels er

tussen knoopkruid, bereklauw, de geur van kruizemunt

een kruiwagen slik weghalen, extra loon

.

eigenlijk waren die vijvers zwaar Verboden Toegang

want het Meisje van Hans Andersen, die van het

Wittebrood

was daar verdronken en ook de plompe groene kikkers

op late zomeravonden kwaakten er zo zwaarmoedig

dat men zich waande onder de grote grauwe

.

paddestoel

.

boven de verlaten parken van Hiroshima

.

Gouden munt

Tj. A. de Haan

.

Op 30 november van het vorige jaar schreef ik over de bundel ‘Album van de Indische poëzie’ en ik plaatste uit die bundel een gedicht van de dichter Tj. A. de Haan. https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/11/30/indische-poezie/ Ik schreef toen ook dat ik niks had kunnen vinden over deze dichter. Niet lang daarna kreeg ik een reactie van de zoon van Tjaarda Aldert de Haan (want dat is de volledige naam van de betreffende dichter) dat hij wel meer informatie kon verstrekken over zijn vader. Deze Aldert Willem de Haan heb ik aan de telefoon gesproken en ik heb inmiddels heel wat informatie over een bijzonder mens en dichter, die ik hier met jullie wil delen. Aan de ene kant omdat Tjaarda Aldert de Haan een bijzonder mens en dichter was maar ook omdat dit voor mij de kracht van een blog weergeeft. Het feit dat mensen lezen wat ik schrijf en daarop reageren is voor mij altijd een enorme stimulans geweest om door te blijven gaan met hetgeen ik het liefste doe; schrijven over poëzie. Of dat nu is om me te verbeteren (typefouten, grammaticale fouten, inhoudelijke fouten, stuur ze me alsjeblieft toe, het helpt mij en de lezer) maar ook inhoudelijke reacties over dichters, omstandigheden, bundels, stromingen, reacties zijn altijd zeer welkom.

Aldert Willem de Haan vertelde mij dat zijn vader, geboren in Nederlands Indië en als arts opgeleid,  bij de marine officier-arts was. Tjaarda Aldert de Haan (1909-1984) was geboren in Makassar op Celebus (zijn vader was rechter in Makassar en had in Leiden het Adatrecht of ongeschreven recht gestudeerd dat in Nederlands Indie gold). In 1935 wordt hij vanuit Nederland uitgestuurd op een marineschip voor 4 jaar naar Nederlands Indië. Dan wordt het oorlog en de kruiser (de Java) waarop hij werkt, wordt door de Japanners tot zinken gebracht in de slag om de Javazee. Hijzelf is op dat moment gelegerd aan wal en in 1942 wordt hij krijgsgevangen genomen. Hij wordt te werk gesteld in een kamp in Thailand bij de aanleg van de Burma-spoorweg. Hij was daar actief vanwege zijn eed als arts aan Hippocrates. Hij werd bij de Japanse artsen gewaardeerd over zijn kennis van tropische ziekten waar ze geen weet van hadden en erg angstig van waren. Hij is zelfs bij afwezigheid van daartoe geschikte officieren een keer kampcommandant geweest.

Aan het einde van de oorlog op 3 mei 1946 wordt het gezin van Tjaarda naar Nederland gerepatrieerd. Tjaarda Aldert de Haan schreef altijd al veel verzen. Bij bijzondere gelegenheden zoals bruiloften, Sinterklaas en geboortes maar ook vrije verzen zoals over zijn tijd in Indië. Tijdens zijn leven publiceert hij drie dichtbundels. Twee in eigen beheer: ‘Zilveren fluit’ (1964) en ‘Gouden munt’ (1975)  en ‘Mnémosyné, sprekend verleden’  bij uitgeverij Moesson in Den Haag in 1981. Mnémosyné is een dochter van Uranus en Gaea en een Titanide. Zij is volgens de voorstelling der Griekse fabelleer, de vormster van het menselijk verstand, inzonderheid van het geheugen, welk geestvermogen voor de kennis der schrijfkunst zo bijzonder belangrijk was. (bron: colofon van de dichtbundel).

Deze bundels zijn nergens meer te krijgen. Van de dochter van Tjaarda Aldert de Haan, mevrouw A.M. Schermer – de Haan heb ik een exemplaar van ‘Gouden munt’ gekregen (waar ik heel blij mee ben) en de bundel ‘Mnémosyné’ heb ik in bruikleen gekregen. Uit deze laatste bundel heb ik gekozen voor het gedicht ‘Het spoor’ omdat ik denk dat dit gedicht gaat over een gebeurtenis die de dichter terug voert naar de tijd die hij doorbracht bij de bouw van de Burma-spoorweg.

.

Het spoor

.

Een treurwilg in zijn wintertooi

Zo koud, zo ijzig en zo mooi

Een bruine brug boven donker ijs

Daaronder diepten, zwart en grijs

Een tintelende zon aan een blauwe lucht

In de vroege morgen, geen enkel gerucht

.

Maar zij is des nachts hier voorbij gekomen

Een metgezellin uit mijn bange dromen

.

Ik zag het gebeuren in mijn droom

Een schrijdend fantoom bij de witte boom

En ten teken dat zij daar werkelijk was

Een duidelijk spoor in beijzeld gras

Een spoor dat eensklaps een einde vond

Bij verblekende maan in de morgenstond

.

Zij is hier vannacht voorbij gedreven

Op zoek naar mijn hart, op zoek in mijn leven

.

En nu in de morgen, geen enkel gerucht

Een vriendelijke zon aan de blauwe lucht

Daar vlak bij de boom. het eind van een spoor

Dat plotseling zich in het niets verloor

Of lijkt dat maar zo en is het bedrog

En zijn het mijn eigen schreden toch

.

er blijven geheimen om niet te doorgronden

De stille getuigen, aan tijd gebonden

.

Zij sloeg mij daarheen, een tijdelijke brug

En ik ging op weg, maar keerde weer terug.

.

Nachtelijk gesprek

Paul Rodenko

.

Paul Rodenko ken ik vooral als samensteller en bloemlezer van allerlei bundels zoals ‘Voorbij de laatste stad’,  ‘De muze viert feest’ en ‘Nieuwe griffels, schone leien’. Paul Rodenko (1920-1976) was echter veel meer, hij was dichter, criticus, essayist en vertaler. In de oorlog werkte hij mee aan de illegale tijdschriften Maecenas en Parade der Profeten. Zijn debuut als dichter maakte Rodenko in 1947 met zijn vertaling van Dvenatsat (De twaalf) van de Rus A. Blok (de vader van Rodenko was een Rus).

Door zijn essays en bloemlezingen over de experimentele poëzie in Nederland, ontstond een klimaat waarin de vernieuwende Beweging van de Vijftigers in de Nederlandse poëzie in steeds bredere kring werd geaccepteerd. Rodenko, die meteen na de oorlog enkele jaren in Parijs doorbracht, waar hij zich intensief met het surrealisme en het existentialisme bezighield, was zich al voor het optreden van de Vijftigers bewust van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog op de literatuur. Een goed voorbeeld is zijn gedicht ‘Bommen’ dat ik mop dit blog plaatste op 15 juli 2018 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/07/15/bommen/.

Uit de bundel ‘Orensnijder tulpensnijder’ Verzamelde gedichten uit 1975 het gedicht ‘Nachtelijk gesprek’.

.

Nachtelijk gesprek

.

We zitten moe als padden zo gedwee

in onze transparante tent

de nacht rondom is een immense zee

de woorden onze mond ontwend

zijn trage jonken op het tijloos water

.

Geen uurwerk tikt er in de nacht

geen tafel lacht

je onbeweeglijke gezicht

is van een wonderlijke naaktheid

.

Hoe lang reeds is de zin geronnen

van ons gesprek in deze tent

komt er dan nooit een end

de laatste spin heeft stil mijn tong bestegen

en is verveeld zijn grauwe web begonnen

.

Je stem heeft zich nu eindeloos verlengd

ik zie de voet slechts van een rijzig woord

je vissenmond kruipt langzaam naar mij toe

.

en wordt heel groot en onbegrijpelijk rond

.

Ik heb alleen woorden

Rutger Kopland

.

Ik hou enorm van poëzie, van dichters en van hun dichtbundels. En daarnaast hou ik heel veel van themabundels. Ik heb er inmiddels al vele over verschillende thema’s. Een van die themabundels is ‘Ik heb alleen woorden’ uit 1998, de honderd meest troostrijke gedichten over afscheid en rouw uit de Nederlandse poëzie. Verzameld door Hans Warren en Mario Molegraaf. Op de achterflap van de bundel staat te lezen: Er zijn eindeloos veel soorten van verdriet- maar ook eindeloos veel soorten troost. En dat is natuurlijk ook zo. Verdriet en troost zijn persoonlijke belevingen en hoe we daar mee omgaan, wat we als verdriet of troost ervaren is voor elk van ons anders.

Lezend in deze themabundel kwam ik een gedicht van Rutger Kopland tegen. Oorspronkelijk verscheen dit gedicht in de bundel ‘Een lege plek om te blijven’ uit 19975. Een gedicht zonder titel waarvan ik me afvroeg wat de troost is die in dit gedicht schuilgaat. Oordeel zelf.

.

Boven het hooi hangt de boer in

de balken. In de sneeuw ligt de blote

boerin.

.

Onder de warme vacht van het dak

heeft het varken vergeefs gewacht op slobber

en slacht.

.

Wat is er gebeurd. Dit is heel erg, dit is

een gedicht waarin de boer, de boerin en

het varken

.

Sterven. Als een leeg nest in de winter

is warmte. Ik ben de kat in dit huis,

ze zijn weg.

.

Maar ik hou van de plek waar ik lag.

 

 

%d bloggers liken dit: