Site-archief

De bedelaar

Willem Elsschot

.

Schrijver, dichter Willem Elsschot (1882-1960) was in zijn jonge jaren enige maanden redacteur van het Antwerpse jongerentijdschrift ‘Alvoorder’. Dit tijdschrift heeft precies 1 jaar bestaan (oktober 1900 – oktober 1901). In ‘Alvoorder’ werden een aantal jeugdgedichten van Elsschot gepubliceerd. In 1932 en 1933 publiceerde het tijdschrift ‘Forum’ ook al een aantal vroege gedichten van Elsschot onder de titel ‘Verzen van vroeger’.

Deze verzen van vroeger werden geschreven tussen 1907 en 1910. Kort daarna werden ze door Enschedé uitgegeven onder dezelfde titel in een bundeltje. In 1973 werden deze gedichten opnieuw gebundeld door uitgeverij Querido (en herdrukt in 1980). In deze uitgave worden de gedichten ingeleid door C. Bittremieux.  In mijn exemplaar staat een opdracht van de gever aan de ontvanger: “Als blijk van waardering voor uw hulp in de bibliotheek gedurende de cursus 1983-1984”.

De tien gedichten in dit kleine bundeltje zijn (op 1 na, namelijk in Parijs) allemaal geschreven in Rotterdam waar Elsschot toen woonde. Ik koos voor het gedicht ‘De bedelaar’ uit 1909.

.

De bedelaar

.

Ik word van lijf en leden veel te zwaar

om nog bij ’t volk erbarmen op te wekken.

Toch kan ‘k mijzelf niet tot een brandhout rekken,

noch kan dat iemand anders, is ’t niet waar?

.

Een apotheker geeft mij altijd pillen,

in plaats van geld: ’t zijn pillen voor het vet

dat zich meedogenloos heeft vastgezet

in dikke lagen, op mijn buik en billen.

.

Geen medicijnen brengen echter baat

noch zweten, vasten, biechten en novenen;

zij doen mijn vet niet smelten, maar verstenen.

Kom hier en voel, Mijnheer, en geef mij raad.

.

Als ’t God belieft, dan wordt het dertig jaren,

aanstaande Pasen, dat ik voor mijn brood

de hand reik en mijn schamel hoofd ontbloot.

maar wie kan Zijn beschikkingen verklaren?

.

De laatsten der Mohikanen

De nieuwe MUG komt eraan

.

De afgelopen twee maanden zijn we van MUGzine weer volop bezig geweest om een fonkelnieuwe en prachtige editie van dit mini poëziemagazine te maken. We zijn ontzettend blij dat vier dichters een bijdrage wilde leveren en een vermaard fotograaf. De dichters zijn Anton Korteweg (1944), Wim Hofman (1941), Jana Beranová (1932) en een nieuw Vlaams talent Amina Belôrf (1990). De illustraties zijn van internationaal werkend en exposerend fotografe Scarlet Hooft Graafland (1973).

De richting die MUGzine #12 meekreeg was een dichtregel van E.E. Cummings uit het gedicht ‘maggie and milly and molly and may’  die luidt: ‘it’s always ourselves we find in the sea’.

Omdat we dit keer een drietal oudere en ervaren dichters in MUGzine hebben vond ik het wel toepasselijk een gedicht van één van hen hier te plaatsen. Het betreft hier het gedicht ‘De laatsten der Mohikanen’ van Jana Beranová uit haar ‘Werkboek’ bloemlezing 1983-2010 uit 2011.

.

De laatsten der Mohikanen

.

Daar staan ze

gebakken uit zeldzame klei.

De punten van hun laarzen

wijzen omhoog

om de aarde

geen pijn te doen.

.

Ik weet geen raad met Biafra

K.H.R. de Josselin de Jong

.

Dat je geschiedenis zich herhaalt (in grote lijnen) mag bekend worden veronderstelt, in ieder geval voor degene die zich interesseren voor geschiedenis. Ik moest hieraan denken toen ik in de bundel ‘September is een lied van blauw’ van dichter K.H.R. de Josselin de Jong het gedicht ‘Ik weet geen raad met Biafra’ las.

Maar eerst de dichter, ik kende haar niet. Kitty Henriette Rodolpha de Josselin de Jong (1903 – 1991) was een Nederlands schrijver en dichter. Zij adoreerde de dichters P.C. Boutens en Adriaan Roland Holst en de prozaschrijvers Louis Couperus, Ina Boudier-Bakker en Top Naeff. In haar proza schreef ze in de lijn van psychologisch-realistische auteurs, waarmee ze in feite voortborduurde op de toen bestaande literatuur terwijl de jonge garde zich daarvan juist afzette. Haar poëzie was ook al alles behalve avant-gardistisch, ook daar de lijn van de traditie volgend.

Later inspireerde de – vaak tragische – actualiteit haar soms tot wat meer geëngageerde poëzie, waaronder verzetsgedichten. En het gedicht ‘Ik weet geen raad met Biafra’ kun je daar ook onder rangschikken. Voor de jonge lezers; de republiek Biafra was van 1967 tot en met 1970 een onafhankelijke staat in wat nu Nigeria is. Toen Biafra in 1967 zich als zelfstandige republiek uitriep kwam er een burgeroorlog met Nigeria. Dit werd een bloedige strijd, die twee en een half jaar later, nadat bemiddelingspogingen hadden gefaald, door capitulatie van Biafra beëindigd zou worden. Circa een half à twee miljoen Biafranen zijn in moordpartijen en van ontbering omgekomen.

Veel ouderen zullen zich Biafra herinneren als de eerste grote genocide in Afrika en met name de hongersnood die dat met zich mee bracht. Zelfs ik herinner me de uitspraak als je als kind iets niet lustte of wilde eten: de kindertjes in Biafra zouden er een moord voor doen (of variaties hierop).

Kitty de Jossling de Jong schreef dus een gedicht over deze oorlog, een dichter in verzet, een gedicht dat heden ten dagen weer net zo actueel is als toen. Het gedicht verscheen zoals geschreven in de bundel ‘September is een lied in blauw’ uit 1973.

.

Ik weet mij geen raad met Biafra

.

Dialoog.

.

‘Is het waar dat er honger is, zeg je,

Honger in de wereld van welvaart?’

.

‘God zij geklaagd, het is waar:

De honger schreeuwt uit de ogen,

Hij trekt de huid van de handen,

Hij zweert als koorts op de lippen,

Hij krimpt als pijn in de voeten.’

.

‘Wie zei dan: zalig te geven?

De rijke oogst van de akkers,

De overstromende bronnen,

Waar zijn die, zeg eens, waar zijn die?’

.

‘Ik weet niet, vraag mij niet verder,

Ik weet geen raad met Biafra

Waar honger kinderen stil maakt,

Zo stil, dat de dood er gaat spreken

En duizenden, duizenden sterven.

Maar help in Jezus naam, help dan…’

.

 

 

C.B. Vaandrager

Martin, waarom hebbe de giraffe…

.

In een tweedehandsboekenzaak vond ik, na daar lang gezocht naar te hebben, voor het eerst een bundel van de Rotterdamse dichter C.B. Vaandrager (1935 – 1992) met de bijzondere titel ‘Martin, waarom hebbe de giraffe…’. In deze derde dichtbundel van Vaandrager staan 49 gedichten over voorwerpen. Hij ‘behandelt’ daarbij allerhande objecten, variërend van een kurketrekker tot een stuiver en van een verkeersagent tot meeuwen en een bloemkool. De, vaak fonetisch getypte, gedichten zijn geïnspireerd en gekopieerd uit een onderzoeksrapport uit 1938 naar de woordenschat van Nederlandse kinderen.

Het lijken wel lemma’s uit een encyclopedie of woordenboek maar dan in (Rotterdamse) spreektaal. Deze bundel uit 1973 werd uitgegeven in de Sonde-reeks door de Rotterdamse Kunststichting waarin ook Jules Deelder, Rien Vroegindeweij en Wim de Vries poëzie publiceerden. De titel van deze bundel verwijst naar Martin Mooij en de speelgoedgiraf van dochter Isis Vaandrager.

Ik wil hier twee voorbeelden van deze wat absurdistische poëzie met jullie delen ‘ 41 Naaimachine’ en ’23  Plafond’.

.

41  Naaimachine

.

Naaivliegmachine.

Moeje goed mee naaie, heb manke Wim ook.

Koffiemole, mole, naaimole, wringer:

naasliggende bekende gezien.

Naaidinges.

Zamole (Zaagmolestraat? Snijbonemole?)

Nie te weinig:

handmachine om te stikke.

.

23  Plafond

.

Muur, 15x, kalkmuur, bovemuur,

muur in hoogte.

Zolder, dak, waartoe verleid door

plafondplaats kamer.

Zelfs: 10x lucht is zo te verklaren.

Weer andere: kalk, 10x.

Weer ander (te veel): roukamer met

plafond.

.

Doodsbeenderenboom

Rinske Kegel

.

In de nieuwe MUGzine, #10 die half december wordt gepubliceerd staan naast dichters Laura Mijnders en Jabik Veenbaas ook dichter Rinske Kegel (1973). Schrijver van poëzie en kort proza. Rinske heeft in verschillende literaire bladen publicaties gehad, waaronder Revisor, het Liegend Konijn, De Gids en Op Ruwe Planken. Op dichtsite Meander is een interview met haar te lezen. Ook is haar werk in verschillende verzamelbundels gepubliceerd, waaronder ‘Dichters uit de bundel; De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten.’ Samengesteld door Chretien Breukers en Diewertje Mertens.

Daarnaast was Rinske een tijdlang Dichter bij de Dag bij het radioprogramma Dit is de Dag op radio 1 van de E.O. Waarbij ze live in de uitzending een gedicht op maat maakte en heeft ze op een aantal festivals opgetreden waaronder Dichters in de Prinsentuin en Onbederf’lijk Vers. Van Rinske zijn 4 bundels/boekjes verkrijgbaar;  twee bij uitgevers en twee gemaakt in eigen beheer. Op haar website kun je nog veel meer lezen over haar en haar werk.

Bij uitgeverij De Zeef verscheen in 2019 de bundel: ‘Als het maar en vacht heeft’. Uit deze bundel komt het gedicht ‘Doodsbeenderenboom’.

.

Doodsbeenderenboom

.

We waren er allemaal behalve hij en iedereen
zei hetzelfde en niemand wilde het horen en mijn neefje
wilde slagroom op de chocomel maar dat hadden ze niet
en hij bleef lang boos en eigenlijk waren we allemaal boos.
Boos op de koning en boos op de lakeien
ook al kregen we extra koekjes en vlogen buiten de bijen af en aan
als kleine traumahelikopters.
Onder een van de bomen in het park waar we net gewandeld hadden
lagen grote zwarte peulen, binnenin de peulen rammelde het.

.

Voornemens

Guillaume van der Graft

.

In de jaren ’40 werden tijdschriften heel anders uitgegeven dan nu. Waar een tijdschrift tegenwoordig niet meer iets is wat bewaard wordt (behalve dan door sommige echte verzamelaars) daar werd in de jaren ’40 anders over gedacht. In de Helikon reeks, tijdschrift voor poëzie, werden kleine boekjes uitgegeven met een harde kaft, zorgvuldig vorm gegeven, met aandacht voor vorm en inhoud.

De Helikonreeks was een reeks dichtbundels die tussen 1941 en 1947 en in 1955 verscheen en uitgegeven werd door A.A.M. Stols (1900-1973). Stols was een Nederlandse uitgever en typograaf. Hij wordt gezien als een van de belangrijkste Nederlandse boekverzorgers uit het interbellum en gaf vooral dichtkunst uit in het Nederlands en Frans

In mijn boekenkast staat bijvoorbeeld No. 22 uit deze reeks uit 1946 getiteld ‘In Exilio’ van dichter Guillaume van der Graft. De dichter die achter dit pseudoniem schuilgaat is Willem Barnard (1920 – 2010) theoloog, schrijver en (vooral) dichter.

.

Voornemens

.

Het park met potlood en penseel beschrijven,

levensgroot naast een rijpe avond staan,

de beuken bij de boekerij inlijven,

munt uit de laagste zonnestralen slaan,

.

de meisjes die een vraag van mij bemant’len

verdiept het hof maken met pen en inkt

tot in de vijver waarvoor ze wand’len

de lichte aandacht van haar oogen zinkt,

.

haar hunkeringen languit laten drijven,

op de piano vlagvertoon aanslaan,

het witte tuinhuis in zijn onschuld stijven,

in het journaal dagteekenen: Voldaan.

.

De zangeres zonder stem

Hans Wap

.

In de jaren ’70 van de vorige eeuw kwam onder de leiding van poëziefanaat Martin Mooij, bij de sectie letteren van de Rotterdamse Kunststichting de Sonde-reeks uit. De reeks liep van 1971 met de eerste uitgave ‘Pat’ van Leyn Leynse tot de laatste uitgave in 1987. Koos Teeuwkens sloot de Sonde-reeks af met het 56ste deel maar liefst in de serie, die een prachtige dwarsdoorsnee vormt van wat er in Rotterdam tussen 1971 en 1987 op literair gebied gebeurde.

In de Sonde-reeks verschenen bundels van Dirk Kroon, Rien Vroegindeweij, Cor Vaandrager en Jules Deelder (een verzameling humor) maar ook van vele namen die inmiddels bijna of helemaal vergeten zijn.

In mijn bezit heb ik (volgens telling) het 17e deel uit 1974 van Hans Wap getiteld ‘De zangeres zonder stem’. Een bundel die zelfs is opgenomen in de Research Library van het Rijksmuseum.

Hans Wap (1943) is een Nederlands beeldend kunstenaar, actief als zeefdrukker, vervaardiger van houtsnedes, grafisch ontwerper, illustrator, wandschilder, tekenaar, schilder, dichter, en vervaardiger van gouaches, een veelzijdig man kortom. Als dichter is hij minder bekend dan als kunstenaar maar hij publiceerde in 1967 ‘Schoten en filtersigaretten’ in 1971 ‘Van wie is dat gekke koppie’ en in 1973 de telexrol ‘5 Electrische dichters. En in 1974 dus ‘De zangeres zonder stem’.

In ‘De zangeres zonder stem’ een bonte verzameling gedichten die doen denken aan Vaandrager en Deelder. Recht voor zijn raap en soms zo panklaar gebracht zoals ‘Leuk’.

.

Leuk

.

Leuk voor in de auto

deze zwerver met baard

compleet met ophanglusje

f 1,98

.

Maar ook een gedicht getiteld ‘Poëzie’ waarin de dichter zich aan het begin en einde de vraag stelt die jij misschien ook had na het lezen van ‘Leuk’.

.

Poëzie

.

Wat heeft het nog met poëzie te maken als

de kamer als een waanzinnige

om je heen draait

als overvloedig bewijs

dat de fles weer groter was

dan de glazen

.

of als je op een paardeharen matras

ligt te naaien

na een jarenlange vegetarische opvoeding

met een voldoende hoeveelheid grass

eet zelfs de meest verstarde planteneter

zijn hond op

.

ja, zo is dat

maar wat heeft het nog met poëzie te maken

.

Jong over oud

Willem Thies en Gerrit Komrij

.

Wanneer je er naar vraagt heeft vrijwel elke dichter een of meer favoriete dichters. Dat kan een dichter zijn die men waardeert of bewondert vanaf of voor het moment dat men zelf met dichten begon of het kunnen dichters zijn die men later heeft ontdekt. Ook ik heb favoriete dichters.

In mijn geval schreef ik al gedichten voor ik deze ontdekte. In de jaren ’80 van de vorige eeuw waren dat Johnny van Doorn en Jules Deelder en al vrij snel kwam Charles Bukowski daar bij. Nog iets later Remco Campert, E.E. Cummings, Herman de Coninck, Judith Herzberg en tegenwoordig een groot aantal dichters naast deze waaronder Esther Naomi Perquin, Menno Wigman en Lieke Marsman. Maar zoals gezegd er zijn er velen, bekende dichters en wat minder bekende dichters.

Toen ik op de website van dichter Willem Thies (1973) aan het lezen was (waar vreemd genoeg de agenda stopt in 2018 terwijl de nieuwste bundel van Thies ‘Mijn zoon hij zegt’ uit 2021 wel bij de publicaties staat) kwam ik het gedicht ‘De zekerheid van de zee’ tegen dat is opgedragen aan Gerrit Komrij, de reden dat ik moest denken aan welke dichter ik een gedicht zou opdragen (voor zover ik weet aan Johnny van Doorn en aan Jules Deelder begin jaren ’80 toen ik nog driftig aan het experimenteren was met vormen van poëzie) https://woutervanheiningen.wordpress.com/2009/12/03/twee-helden/

Willem Thies (1973) woont en werkt in Amsterdam. Hij studeerde geschiedenis te Groningen, was medeoprichter van het literaire punkrocktijdschrift Zeroxat, en redacteur van en schrijver voor cultureel jongerenmagazine Simpel. Thies publiceerde poëzie in onder meer Passionate, De Tweede Ronde, De Brakke Hond, Nymph, Krakatau, Hollands Maandblad, De Academische Boekengids en The Polranny Times. Zijn debuutbundel ‘Toendra’ werd bekroond met de C. Buddingh’ prijs in 2006.

.

De zekerheid van de zee                                       voor Gerrit Komrij

.

De hitte achter mijn ogen. De regen achter de serreruiten. Flinterregen.
Het landschap een verwilderde tuin, de weg leeg en laag in het optorenend
groen. Het kind in bad. Zingend. De vrouw met de handdoek,
de vrouw die jouw dood met mij deelde, op het drooggevallen strand.

.

Het tussenland was breed en verlaten, ik was tot de donkere rotsen gelopen,
tot bij een poel afgesneden van het moederwater. Een krabbetje kroop
achter een steen en wachtte tot de zee hem zou ontzetten.
Ik keerde terug en hoorde het. Dood.

.

Maar je stem suste het tumult in mijn hoofd, de druk
op mijn borst, het koude vel. In schuine regels valt de zee.
De luchten stromen vol met stervensoud water.

.

Kosmologie

Annemarie Estor

.

We leven in een rare tijd, het is een uitspraak die je eigenlijk niet meer kan doen, te platgetreden, te vaak en teveel gebruikt om naar de huidige stand van zaken in de wereld te verwijzen. Dat ga ik dan ook niet doen maar het heeft me wel aan het denken gezet over hoe wij als mensen leven, wat we aanrichten op de planeet (ik heb me niet voor niks aangesloten bij de klimaatdichters) en hoe we over ons bestaan denken.

Deze gedachten kwamen bij mij boven toen ik het gedicht ‘Kosmologie’ las van Annemarie Estor (1973). Het gedicht staat in haar bundel ‘De bruidsvlucht’ uit 2020 waarover Jozef Deleu schreef: ‘Feestelijke gedichten, gekleurd door het vitalisme en het onheil van de tijd.’  En juist de combinatie van vitaliteit en onheil las ik in dit gedicht. Twee termen die juist ook goed bij deze tijd passen.

De eerste twee zinnen van het gedicht zijn meteen heel treffend vind ik, juist door de manier waarop de dichter hier aangeeft hoe klein en nietig we eigenlijk zijn, welke gedachte in de rest van het gedicht nog wordt versterkt. Kortom een gedicht van nu waarin de mens treffend wordt beschreven in twee kleine zinnen: Wij loensen om ons heen / als poppen met knopenogen.

.

Kosmologie

.

Het universum is een fles Beaujolais
met onderin een paysage,
wat schaapjes en gras,
gestippelde paarden in een grot,
en wij op de péage langs een dorp,
in deze nacht, zoevend langs de bijna-tijd,
de mogelijkheid tot vuurwerk,
manden vol ambachten,
keukens met koperen pannen,
en op de fles hebben de goden
aangeschoten sterrenbeelden gedoodled.

.

Wij loensen om ons heen
als poppen met knopenogen
naar al die fijnzinnige tekeningen,
al hun betekenissen,
naar heel die braamkleurige kosmos
waarin de werelddelen worden vertekend
door flashende bollingen, dolle groothoeken
façon de Venise uit Constantinopel
en we zien ongelukken passeren, trollen grijnzen,
ratten hopen, we vangen zelfs glimpen op
van vrijages op campings,
van de wellustige namen van dorpen,
van Afrodites jarretelles
en van haar werkelijke leeftijd.

.

De dictators

Pablo Neruda

.

In 1948 werd Chileense dichter en latere winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur Pablo Neruda (echte naam Ricardo Eliécer Neftalí Reyes Basoalto, hij vernoemde zichzelf naar de Tsjechische dichter Jan Neruda) door de Chileens president Gonzales Videla buiten de wet gezet. Neruda was op dat moment senator voor de communistische partij en die werd door Videla verboden. Diezelfde Videla zou later in 1973 de staatsgreep van generaal Augusto Pinochet steunen.

Neruda (1904-1973) voltooide tijdens zijn vlucht in 1948 over het Andesgebergte zijn bekendste werk ‘Canto General’. In dit werk van meer dan 670 pagina’s geeft Neruda het hele continent van Latijns Amerika een poëtische stem. Niet alleen de mooie dingen als de natuur, de flora en fauna, de landschappen maar ook de geschiedenis, geologie, de politiek en de sociale strijd van het volk.

De uiteindelijke versie van Çanto General’ zou in 1950 voor het eerst verschijnen in Mexico maar werd al snel over de hele wereld vertaald. In het Nederlands werd dit gedaan door Mark Braet, Willy Spillebeen en Bart Vonck.

Pablo Neruda schreef al poëzie op jonge leeftijd. Op zijn 13e stuurde hij al gedichten naar de lokale krant en op zijn 20ste bediende hij zich van zijn pseudoniem. Hij debuteerde in 1920 met ‘Het lied van het feest’ en vanaf dat moment verschenen om de paar jaar bundels van hem. In 1973 overleed Neruda onder dubieuze omstandigheden.

Omdat Neruda zich altijd heeft afgezet tegen de onderdrukkers van het volk wil ik hier het gedicht ‘De dictators’ uit de ‘Canto General’ plaatsen uit het hoofdstuk ‘Amerika, ik roep je naam niet tevergeefs aan’ in een vertaling van Willy Spillebeen.

.

De dictators

.

Een geur bleef hangen in de suikerrietplantages:

een mengsel van bloed en lijken, een doordringende

walgelijke bloesemgeur.

Onder de kokospalmen liggen de kuilen

vol kapotte skeletten, doodsreutels.

De verfijnde satraap converseert

met bekers, gouden kragen en linten.

Het kleine paleis blinkt als een klok

en de vlugge gehandschoende lachjes

doorlopen soms de smalle gangen

en voegen zich bij de dode stemmen

en de blauwe pas begraven monden.

Het schreien verschuilt zich als een plant

die onvermoeibaar haar zaad op de grond stort

en zonder licht haar grote blinde bladeren laat groeien.

De haat heeft zich schub na schub gevormd,

slag na slag, in het gruwelijke water van het moeras,

met een muil van slijk en stilte.

.

%d bloggers liken dit: