Site-archief

Laat

T. van Deel

.

Uit de bundel ‘Strafwerk’ uit 1969 van T. van Deel het vakantiegedicht ‘Laat’. Een gedicht in de vorm van een herinnering waarbij aan het einde van het gedicht ineens de dichter reageert vanuit het moment dat hij het gedicht schreef.

.

Laat

.

Op warme zomeravonden

als het laat nog licht was

zaten we in de tuin en mocht ik

langer opblijven omdat slapen niet ging.

Ik ving sprinkhanen

en stopte die in mijn moeders nek.

Dikwijls stond een buurman

over het hekje geleund te praten.

Het scheen grappig te zijn

want er werd gelachen –

dat hoor ik voor het eerst.

.

Advertenties

Dag stoel naast de tafel

Paul van Ostaijen

.

Over de modernistische Vlaamse dichter en prozaschrijver Paul van Ostaijen schreef ik al een aantal keer. Omdat hij in de traditie van Dada allerlei bijzondere vormen meegaf aan zijn gedichten, over zijn graf en zijn geboortehuis en nu dus opnieuw. De reden dit keer is dat ik nu een bundeltje met zijn gedichten in bezit heb. Dit heb ik gekregen van een vaste lezer van dit blog Drager Meurtant. Het betreft hier een bundeltje uit 1969 met de titel ‘Dag stoel naast de tafel’ een bundel met de teksten van een programma van fragmenten uit het muzikaal, plastisch, literair oeuvre van de Vlaamse expressionistische dichter Paul van Ostaijen, gespeeld door Arena | De nieuwe komedie. De premiere van dit stuk vond destijds plaats in het Paviljoentheater in Scheveningen gelegen naast het Kurhaus.

Het bundeltje bestaat uit vier delen: introductie, deel 1, deel 2 en Music Hall. In de bundel is ook het gedicht ‘Voetbalmatch’ opgenomen met een onderschrift erbij uit een brief van Ostaijen  aan Jos. Leonard waarin hij schrijft “Wat gedicht ‘Voetbalmatsj’ betreft, dit gedicht is niet van mij. Een mistificatie van ik weet niet wie uit Avondlied samengeflikt.”

In dit bundeltje ook het gedicht ‘Nachtelijke optocht’ waar heel duidelijk één van zijn dominerende inspiratiebronnen uit naar voren komt namelijk beeld-klank-woord en in dit geval dus vooral klank.

.

Nachtelijke optocht
.
Taptoe oe oe taptoe
stapt al maar toe
zwart van de nacht dat dik drukt de stijve straat
breekt licht logge lucht
en muziekgeschetter

Licht van de laaiende lansen
laaiende stap van de lichtende lansen
lansen van het laaiende licht
dansende licht van de laaiende lansen
dansend laaien van de lichtende lansen
laaiende   lansedans

Lansgekletter
muziekgeschetter
lichtende kadans
laaiende lansen
laaiende kadans van lichtende lansen
lichtend lucht kadans en dans van laaiende lansen
kadans van laaiende lansedans
kadans    van    dans

Lichtende lampen
laaiende lampen
licht van laaiende lampen
dans van laaiende lampen
kadans van lichtende lampen
kadans van laaiende lampen
dans van de lucht in waaiende lampen
waaiende dans van de lucht in laaiende lampen
laaiende kadans in de waaiende lampedans
kadans van lampedans
licht van lampen

Lansgekletter
muziekgeschetter
geschetter van klare klarinetten
helder gekletter van klare klarinetten
helder gekletter klarinettegeschetter
Stappen op straat
stappen breken de straat
stramme stappen breken de straat
horizontaal
vertikaal
vooral    diagonaal
lampen lichte kadans
klare klarinetten dansen in de lansedans
klarinetten lampen en lansedans
transparant

Taptoe
oe oe
taptoe

.

Oud buiten

Rutger Kopland

.

Ik mag graag  zomaar blind uit mijn boekenkast een dichtbundel pakken en daar dan in gaan lezen. Het aardige daarvan is dat je niet weet wat je pakt en in hoeverre de gedichten in zo’n bundel dan passen bij de gemoedstoestand waarin je verkeert. Dat kan heel goed uitpakken en soms ook heel slecht maar daar gaat het niet om, Het gaat om het verrassingseffect van de blinde keuze. Vandaag greep ik naar ‘Alles op de fiets’ van Rutger Kopland. Als je, met de scholierendemonstraties voor een beter klimaat in je achterhoofd, zo’n titel leest kun je niet anders denken dan; verstandige titel.

Lezend in deze bundel uit 1969 bleef ik hangen bij het gedicht ‘Oud buiten’. De eerste zin leek ook wel zo van een spandoek of bord te komen van die demonstratie. Het gedicht daarna was verrassend genoeg weer van een hele andere orde.

.

Oud buiten

.

Het was zo mooi vroeger.

.

Maar de freule met de lekkere

kont is verdwenen met de tuinman

in de weiden, naar de geheimen van

bloemen en bijen op zoek zei ze.

.

De jachtopziener heeft de laatste

nachtegalen doodgeschoten voor

de schoorsteenmantel. Je lag

er maar wakker van zei hij.

.

Nesten hangen open en bloot in

de bomen. Iedereen kan het zien.

.

En in de nacht strompelt een koe

als een oude dichter uit de sloot

en doet op de stoep, bijgelicht

door makker maan, haar klappende

boodschap van vrede.

.

Klankdicht

Antony Kok

.

Als de dichter Antony Kok (1882-1969) al bekend is bij de poëzieliefhebber dan is dat als medeoprichter van het internationaal vermaarde kunsttijdschrift De Stijl en de schrijver van één gedicht: ‘Nachtkroeg’. De bekendheid van ‘Nachtkroeg’ is te danken aan Paul Rodenko, die het gedicht in 1954 opnam in zijn bloemlezing uit de poëzie der avant-garde: Nieuwe griffels schone leien. Op 17 maart 2013 schreef ik over deze bundel en mijn bijzondere exemplaar https://woutervanheiningen.wordpress.com/2013/03/17/nieuwe-griffels-schone-leien/. Inderdtijd was Kok daar toen wel blij mee. Hij had er zich al bij neergelegd dat zijn literaire werk in de vergetelheid zou raken.

In de periode tussen 1915 en 1923 stortte Kok zich in het avontuur van de experimentele literatuur. Dit werd mede veroorzaakt door zijn vriendschap met schilder, architect en schrijver Theo van Doesburg (1883-1931).  Vanaf het begin hebben ze in een briefwisseling elkaars ideeën over kunst en literatuur toevertrouwd. Van Doesburg probeerde zijn vriend tot grotere literaire prestaties te stimuleren. Op 11 februari 1916 schrijft hij aan Antony Kok: ‘Verzen lezen is verzen luisteren. Men leest de woorden en luistert naar den zin er van in zijn binnenste. Zoo heb ik je verzen gelezen: beluisterd’. Maar Van Doesburg wil meer van Kok: ‘ Je verzen zeiden me niet genoeg. Stuur mij verzen, die mij brengen, waar geen sterveling geweest is. Stuur mij verzen, die mij optillen van mijn stoel en mij plaatsen in den hemel. Naar zulke verzen snak ik!’

In 1920 schreven Piet Mondriaan, Theo van Doesburg en Antony Kok hun ideeën op in ‘De Stijl’ een manifest over de literatuur: over de oude en de nieuwe kunst, het individuele versus het universele en de hervorming van de kunst en cultuur. Op alle gebieden van de kunst en cultuur dus ook op die van de poëzie. Het gedicht ‘Klanken’ uit 1916 is een typisch voorbeeld van de beoogde nieuwe poëzie. In een aantekening geeft Kok aan dat hij de op straat door een voorbijganger uitgesproken zin: ‘De straat daar rechts daar zullen we heen’ verstond als ‘Statewets da wubbel dahee’.

.

 

Op de drempel van

Oud en Nieuw

.

Op deze laatste dag van het jaar wil ik mijn lezers en iedereen die de moeite heeft genomen te reageren op dit blog, vragen te stellen en kritisch te zijn, heel hartelijk danken en een heel mooi, poëtisch en voorspoedig 2019 te wensen. En natuurlijk doe ik dat, als altijd, met een gedicht. Dit keer het gedicht ‘Anti-nieuwjaar’ van Karel Jonckheere, uit de bundel ‘In de wandeling lichaam geheten’ uit 1969, als knipoog maar ook als reality check en overdenking naar het nieuwe jaar toe.

.

Anti-nieuwjaar

 

Altijd en ergens oudejaarsavond
op een ster in een boek of een brief
ik vier mijn tijd niet in namen
ik hef geen punch op een dief.

Eeuwen zo oud als mijn jaren
mijn jaren zo jong als de wind
die met datumloze gebaren
mij uit de kalenders ontbindt.

Deze avond blijf ik afwezig
betrek een aanwezigheid
op einders die mij genezen
van mijn vergankelijkheid.

.

Eerste gedicht voor Maria Magdalena

Paul Snoek

.

Op deze eerste zondag in oktober, nu de dagen weer korter worden en het weer guurder, is het tijd voor een erotisch gedicht van de Vlaamse dichter Paul Snoek (1933-1981)  pseudoniem van Edmond André Coralie Schietekat. Snoek was een van de bekendste dichters en prozaschrijvers van België. Hij was tevens kunstschilder. Zijn pseudoniem is afkomstig van de naam van zijn moeder Paula Snoeck. ‘Eerste gedicht voor Maria Magdalena’ komt uit de bundel ‘Gedichten 1954 – 1968’ uit 1969.

.

Eerste gedicht voor Maria Magdalena

.

Jij en je lichaam een sluipmoord

goddelijk heidens en honing.

.

Ik bid dat ik de bij ben aan je dijen

de angel van de wesp die je kust in mijn mond.

.

Dat ik liefdes droeve traangeur

aan de dijkbreuk van je heupen adem

.

en in de lippen van je sluitend lichaam drink je zout,

het hardgeworden eiwit van je zee.

.

Tinder

Seamus Heaney

.

Afgelopen week zat ik wat in de bundel ‘Opened Ground, Poems 1966 – 1996’ van Seamus Heaney te lezen toen ik het  gedicht ‘Tinder’ tegen kwam. Nu komt dit gedicht oorspronkelijk uit de bundel ‘Wintering Out’ uit 1972. In 1969 en 1970 bracht Heaney een sabbatical door in Berkeley (Verenigde Staten) op de University of California waar hij de gedichten uit deze bundel schreef.

Mijn oog viel op een gedicht getiteld ‘Tinder’ omdat het woord Tinder tegenwoordig bij heel veel mensen zo’n heel andere betekenis heeft gekregen (dating app). De juiste titel is eigenlijk ‘A Northern Hoard 5. Tinder’ maar in ‘Opened Ground’ staat het onder de titel ‘Tinder’ wat tondel betekent, licht ontvlambaar materiaal om vuur mee te maken. En dat past dan weer wel aardig bij een dating app.

.

Tinder

(from a Northern Hoard)

.

We picked flints,

Pale and dirt-veined,

.

So small finger and thumb

Ached around them;

.

Cold beads of history and home

We fingered, a cave-mouth flame

.

Of leaf and stick

Trembling at the mind’s wick.

.

We clicked stone on stone

That sparked a weak flame-pollen

.

And failed, our knuckle joints

Striking as often as the flints.

.

What did we know then

Of tinder, charred linen and iron,

.

Huddled at dust in a ring,

Our fists shut, our hope shrunken?

.

What could strike a blaze

From our dead igneous days?

.

Now we squat on cold cinder,

Red-eyed, after the flames’ soft thunder

.

And our thoughts settle like ash.

We face the tundra’s whistling brush

.

With new history, flint and iron,

Cast-offs, scraps, nail, canine.

.

Processed with VSCOcam with f2 preset

 

Leo Vroman

Duitsland

.

In 1969 gaf uitgeverij Querido de bundel ‘ Gedichten’  uit van Leo Vroman. In deze bundel staan de eerdere bundels van Vroman ‘ Manke vliegen’ uit 1963, ‘ Almanak’  uit 1965, ‘ God en Godin’  uit 1967 en ‘ Poems in English’ uit 1953. Daarnaast werden een aantal (toen) nog niet eerder in boekvorm gepubliceerde gedichten opgenomen. Deze gedichten verschenen eerder in De Gids, Hollands Maandblad, Maatstaf, Merlyn en Tirade. Een van de Engelstalige gedichten, ‘ To Youth’  verscheen in 1957 in Approach, een Amerikaans tijdschrift.

In deze verzamelbundel ook illustraties van Leo Vroman zelf, grappige tekeningen bij de gedichten, vooral in ‘ Manke vliegen’ en verspreide gedichten. Uit de bundel koos ik voor een gedicht dat komt uit het hoofdstuk verspreide gedichten getiteld ‘ Duitsland’.

.

Duitsland

.

Op een open trein op het water

dat plat is wanneer ik er aan denk

maar op andere tijden misschien echt is

(ijzeren stangen kruisten de stoelen

en blauwgroene bergen, nu heuvels?

kruisten per boot voorbij),

voeren we de Rijn op, en landden

toen, of een andere keer echt per trein,

in Herrenalb.

.

Is er sindsdien bloed geweest?

.

Ik zie hier op de grote kaart

geen puntjes voor de doden,

alleen een blauwe draad

maar er stroomt niets in mijn geheugen,

ik ben er alleen maar vier jaar oud

en we lopen over een wittige weg

door het zwarte, Zwarte Woud.

En ik sta in een houtig hotel.

Als ik mij te slapen leg

zuigt nog het lage harige spons

achtige bos kwaad groeiend langs de kanten

het licht weg van het zwijgend land en

benadert ook ons.

.

Lennaert Nijgh

Pastorale

.

In het onvolprezenmaandblad van het Genootschap Onze Taal, Onze taal, van december 2017 staat een mooi beschrijvend artikel van Guus Middag over de tekst/liedjesschrijver Lennaert Nijgh. Zie dat je dit tijdschrift te pakken krijgt en lees dit artikel. In het stuk behandelt hij de tekst van het lied ‘Pastorale’ gezongen door Ramses Shaffy en Liesbeth List, een duet dat Nijgh samen met Boudewijn de Groot schreef in 1968. Middag beschrijft in dit artikel de kosmische poëzie die in dit lied zit. Ik ben het met hem eens, de tekst van ‘Pastorale’ is, uitgeschreven gewoon een prachtig gedicht. Oordeel zelf.

.

Pastorale

 

Mijn hemel blauw met gouden harp
Mijn wolkentorens, ijskristallen
Kometen, manen en planeten, aah alles draait om mij
En door de witte wolkenpoort tot diep onder de golven
Boort mijn vuur, mijn liefde, zich in de aarde
En bij het water speelt een kind
En alle schelpen die het vindt gaan blinken als ik lach

‘k Hou van je warmte op mijn gezicht
Ik hou van de koperen kleur van je licht
Ik geef je water in mijn hand
En schelpen uit het zoute zand
Ik heb je lief, zo lief

Ik scheur de rotsen met mijn stralen
Verhoog de meren in de dalen en
Onweersluchten doe ik vluchten, aah als de regen valt
Verberg je ogen in een hand
Voordat m’n glimlach ze verbrandt
M’n vuur, m’n liefde, mijn gouden ogen
’t Is beter als je nog wat wacht
Want even later komt de nacht en schijnt de koele maan

De nacht is te koud, de maan te grijs
Toe neem me toch mee naar je hemelpaleis
Daar wil ik zijn alleen met jou
En stralen in het hemelblauw
Ik heb je lief, zo lief

Als ik de aarde ga verwarmen
Laat ik haar leven in m’n armen
Van sterren weefde ik het verre, aah het noorderlicht
Maar soms ben ik als kolkend lood
Ik ben het leven en de dude
In vuur, in liefde, in alle tijden
M’n kind ik troost je, kijk omhoog
Vandaag span ik mijn regenboog
Die is alleen voor jou

Nee nooit sta ik een seconde stil
‘k Wil liever branden neem me mee
Geen mens kan mij dwingen wanneer ik niet wil
Wanneer je vanavond gaat slapen in zee
Geen leven dat ik niet begon
En vliegen langs jouw hemelbaan
Je kunt niet houden van de zon
Ik wil niet meer bij jou vandaan

Ik heb je lief, zo lief
Ik heb je lief, zo lief
Ik heb je lief, zo lief
Ik heb je lief

.

Kaartlezers

Albertina Soepboer

.

Dichter, toneel- en prozaschrijfster Albertina Soepboer (1969) woont in Harlingen en heeft haar atelier in Groningen Ze studeerde Romaanse talen en culturen en Friese taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit in Groningen.

Haar Friestalige debuutbundel ‘ Gearslach’  verscheen in 1995. Hierna  volgden nog negen andere bundels. Naast het Fries heeft ze altijd in het Nederlands geschreven en ze ziet zichzelf dan ook als een tweetalig schrijver. In haar poëzie is die meertaligheid een belangrijk thema. Een ander belangrijk thema is landschap. Het wad komt vaak terug in haar poëzie, maar ook haar passie voor reizen speelt een grote rol.

Voor haar gedichten kreeg ze in 1996, 1997 en 1998 de Rely Jorritsma-prijs. Als dichter heeft ze op vele festivals opgetreden, o.a. op Poetry International in Rotterdam, De Wintertuin in Nijmegen, De Nachten in Antwerpen, Poesie International in het Oostenrijkse Dornbirn, Struga Poetry Evenings in Macedonië en The Ubud Writers&Readers Festival op Bali. Haar werk is vertaald naar het Engels, Duits, Frans en Slavisch-Macedonisch.

Uit de dichtbundel ‘ De hengstenvrouw’  uit 1997  koos ik voor het gedicht ‘ De kaartlezers’.

.

De kaartlezers

.

Dat het dichterbij kwam, daar
waren we wel zeker van. Als duin
zou het in ons huizen. En al
vielen meeuwen vaak uit wolken,
het was er, naderde en naderde.
Zoveel wisten wij.

Het pad, zeker, we tekenden het.
Zo zou het zijn. Alles was in kaart
gebracht en dan zouden we gaan.
Veters gestrikt. Fiets mee. Naar
zee, naar zee waar alles begint.
Zoveel wisten wij.

Maar hoeveel wisten wij niet.
Wij raakten het pad kwijt, konden
de kaart niet meer lezen en
verdronken in zee.

.

%d bloggers liken dit: