Site-archief

Hoe je verder moet

Remco Ekkers

In zijn woonplaats Zuidhorn is afgelopen vrijdag dichter, essayist en prozaïst Remco Ekkers (1941 – 2021) overleden. Ekkers debuteerde in 1965 als dichter en bleef zijn hele leven poëzie schrijven. Afgelopen april verscheen van hem nog de bundel ‘Hop over de sofa’.

Remco Ekkers studeerde Nederlandse taal en literatuur in Groningen waar hij na zijn studie is blijven wonen (in de provincie). Zijn eerste gedichten verschenen in het Groninger satirische tijdschrift ‘De Nieuw Clercke’. In 1979 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel ‘Buurman’. Voor zijn bundel ‘Haringen in de sneeuw’ uit 1985 ontving Ekkers de Zilveren Griffel. Het was de eerste keer dat deze prijs voor jeugdliteratuur naar een dichtbundel ging. Vanaf midden jaren 70 organiseerde Ekkers in Zuidhorn en Leek het poëziefestival Dolersheem. Veertig jaar lang (tot eind 2016) maakte hij deel uit van de redactie van de Gentse Poëziekrant. Ekkers was van 1986 tot 1992 poëziecriticus van De Gids. In de Leeuwarder Courant verzorgde hij tien jaar lang poëzierecensies. In het blad Schrijven verschenen zijn interviews met dichters. Werk van Ekkers werd gepubliceerd in landelijke tijdschriften en lexicons als De Gids, Maatstaf, Tirade, Bzzlletin, De Revisor en Hollands Maandblad.

In Raster nummer 92 uit 2000 verscheen het gedicht ‘ Hoe je verder moet’  van Ekkers en dat vond ik een heel mooi en toepasselijk gedicht om bij dit bericht over zijn overlijden te plaatsen.

.

Hoe je verder moet

.

Stap opgewekt voort
al weet je niet zeker
waar naar toe. Vooruit
.
over het glimmende asfalt
tussen de kale bomen
hoofd scheef, wuivend
naar het huis dat al in de mist
is verdwenen en straks vergeten.
.
Je zet een voet vooruit
en dan een andere.
Je kijkt niet naar de spiegeling
in de plassen, het beeld
van de takken waar je
tussen hangt, pats!
in het water.
.
Zo kom je verder
weg van wat is geweest.

.

Illustraties

Anthonie Donker

.

In de nieuwe editie van het leukste en kleinste poëziemagazine MUGzine, editie 8 alweer, een editie met light verse poëzie, worden de illustraties verzorgd door de New Yorkse kunstenaar en illustrator Karen Stolper. In de keuze voor illustraties kwam ik een fraaie tegen die we waarschijnlijk niet gaan gebruiken (te breed voor zo’n heerlijk klein magazine op A6 formaat). Omdat ik het zo’n leuke illustratie vind ben ik op zoek gegaan naar een bijpassend gedicht.

Dat gedicht heb ik gevonden bij dichter Anthonie Donker (pseudoniem van hoogleraar Nederlands, letterkundige, essayist, schrijver, literair vertaler en dichter Nico Donkersloot 1902 – 1965). Het betreft hier het gedicht ‘Kinderen’ uit de bundel ‘Grenzen’ uit 1928. Het bijzondere aan dit gedicht vind ik dat, hoewel het al 93 jaar geleden geschreven werd, het nog steeds actueel is.

.

Kinderen

.

Diep in hen is het donker begonnen,

Het langzaam, onafwendbare bederf.

Alles vermolmt, alles wordt overwonnen,

Het held’re, teed’re in hun ogen sterft.

.

De wereld is voor ons ook niet geweest,

Vóór wij de duisternis zijn ingedreven.

Wij waren spelende en onbevreesd,

Maar waarom moesten wij dat overleven?

.

Problemen

Frank van Pamelen

.

Frank van Pamelen (1965) http://frankvanpamelen.nl/  is geboren in Terneuzen en woonachtig in Tilburg. Hij studeerde Letteren aan de Katholieke Universiteit Brabant en is schrijver van literaire thrillers en jeugdboeken, dichter en kleinkunstenaar. Ook schrijft hij cabaretprogramma’s, musicals, kinderliedjes, columns en teksten voor radio en televisie.

Sinds 1990 publiceert Frank van Pamelen gedichten. Voornamelijk light verse, vormvaste gedichten, meestal met een humoristische onderlaag. Zijn verzen worden gepubliceerd in literaire tijdschriften als De Tweede Ronde, Parmentier en Ballustrada, in NRC Next, in de wekelijkse rubriek Poëzie Politiek in Trouw (1999-2007), en verder in vele bloemlezingen, scheurkalenders en gelegenheidsuitgaven. Hij ontpopt zich sindsdien steeds meer als de cabaretier onder de dichters, en de dichter onder de cabaretiers.

Frank van Pamelen won de Publieksprijs op het Amsterdams Kleinkunst Festival (1995), de Zilveren Reissmicrofoon met het radioteam van KRO’s Theater van het Sentiment (2001), de Kees Stipprijs voor zijn light verse-oeuvre (2005) en de Tilburg Trofee voor verdiensten in zijn woonplaats (2013).

In literair tijdschrift  ‘De Tweede Ronde’, jaargang 13  (1992) verscheen van zijn hand de terzanelle ‘Problemen’. Een terzanelle is een poëtische vorm die aspecten van de villanelle en de terza rima combineert. Het is in totaal negentien regels, met vijf drielingen en een afsluitend kwatrijn. De middelste regel van elke triplet-strofe wordt herhaald als de derde regel van de volgende strofe, en de eerste en derde regel van de oorspronkelijke strofe zijn de tweede en laatste regels van het afsluitende kwatrijn; zeven van de regels worden dus herhaald in het gedicht.

.

Problemen (een terzanelle)
.
Ik staar al uren naar mijn lege glas

De wereld is vergeven van problemen

Ik wou dat daar een oplossing voor was

.

Ach, waarom zou ik zelf niets ondernemen

Bedenk ik wel eens met een zwaar gemoed

De wereld is vergeven van problemen

.

En er is niemand die er iets aan doet

Zo diep zijn wij als mens dus al gezonken

Bedenk ik wel eens. Met een zwaar gemoed

.

Besef ik nu hoeveel ik heb gedronken

Dan denk ik over goed en over kwaad

Zo diep zijn wij als mens dus al gezonken

.

Ik zeg het hier maar zo waar het op staat

Gewoonlijk praat ik vaker over drinken

Dan, denk ik, over goed en over kwaad

.

Het mag in dit verband merkwaardig klinken

Gewoonlijk praat ik vaker over drinken

Ik staar al uren naar mijn lege glas

Ik wou dat dáár een oplossing voor was
.
.

Juni

Bijna vergeten dichter

.

Leo Ross (1934-2014) werd geboren in Zwartsluis. Op het gymnasium in Middelburg leerde Ross de drie jaar oudere Guus Vleugel kennen, de latere dichter Guus Valleide. In 1951 ging hij studeren in Amsterdam. Hij sloot toen een hechte vriendschap met Willem Wilmink, jaargenoot (als Neerlandicus) en dispuutgenoot.  Hij werd toen Lektor für niederländische Philologie aan de Universiteit van Münster, Westfalen.

Voor zijn ontwikkeling belangrijke reizen maakte hij in 1965 en 1966 naar Griekenland; hij leerde Grieks uit een Duitse grammatica. In 1969 keerde hij terug naar Amsterdam als docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde aan de Vrije Universiteit in 1994, gezamenlijk met collega-Neerlandicus Rob Delvigne.

In 1982 maakte hij deel uit van de jury voor de prestigieuze (Belgische) Europese literatuurprijs, toen een Griekse schrijver bekroond werd. In de PEN maakte hij zich verdienstelijk als lid van de werkgroep Writers in prison.

Leo Ross debuteerde in 1952 in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures (PC) met een gedicht uit zijn gymnasiumtijd. De debuutbundel ‘L’Amour vert’ (1962) stond onder de invloed van Hans Lodeizen. Met groter ernst gaat in ‘Classics’ (1967) ook meer reflectie over de poëzie gepaard.

Hoewel Ross zijn eerste essays publiceerde in 1954/1955 (in Propria Cures), dus ongeveer tegelijk met zijn vroege gedichten, slaat hij in beide door hem beoefende literaire genres een opvallend verschillende toon aan: de poëzie is zonnig en vrolijk, de essays venijnig en agressief.

In 2003 in het ziekenhuis begon Leo Ross distichons te schrijven, tweeregelige gedichtjes naar het voorbeeld van het grafschrift van Vondel. Tot 2009 verschenen er vier bundels ‘tweeregels’. Ross publiceerde in verschillende literaire tijdschriften als De Revisor, De Gids, Hollands Weekblad en Maatstaf.

Uit ‘L’Amour vert’ komt het gedicht ‘Juni’.

.

Juni

.

Ik wil mijn best doen zoals bloemen

hun best doen, van mijn leven

wil ik iets stijlvols maken, een reuzeneik

voor een kleurige vogel

.

maar ik lig op een strand in de zon

met een jongen die zachtjes snurkt en

speel met de tijd als met zand, dijken

bouwend en tunnels gravend.

.

 

Laatste heer

Jan Wit

Het aardige van veel poëziebundels in huis hebben is dat je soms vergeet dat je een speciale of obscure bundel bezit. In mijn boekenkast kwam ik een mooie stevige bundel tegen met plastic beschermlaag (kom daar nog maar eens om) van de mij onbekende dichter Jan Wit (1914 – 1980). Jan Wit werd ook wel de blinde dichter van het licht genoemd. Deze dominee-dichter werd vrijwel blind geboren (op zijn 6e jaar kreeg hij twee glazen ogen) vandaar dat er waarschijnlijk zoveel licht  en verwijzingen naar licht in zijn kerkgezangen en gedichten voorkomt. Jan Wit is voornamelijk bekend van zijn bijdragen aan de psalmberijming en zijn liederen in het Liedboek voor de Kerken van 1973.

Maar de Groningse Jan Wit was ook bekend als vertaler, toneelschrijver, bloemlezer en dus dichter. Als dichter debuteerde hij met de bundel ‘Rites de passage'(1950) gevolgd door ‘In den metalen stier’ in 1954. In 1965 verscheen de bundel ‘Nederlandse gedachten en andere gedichten’ van hem bij Uitgeversmaatschappij Holland. In deze bundel staan vier afdelingen: Programmatisch (proeve van moraliserende poëzie), Nota bene (proeve van informatieve poëzie), Van liever leden (proeve van bevindelijke poëzie) en Nederlandse gedachten ( een evocatie van het tot zichzelf en de ander komen door een verre en onmogelijke reis). Uit de afdeling ‘Nota bene’ nam ik het gedicht ‘Laatste heer’ waarin ook weer het licht een rol speelt.

.

Laatste heer

.

Nu heeft ook Ad den Besten

een Opel Kadett en oom,

dat is te zeggen Guillaume

beweegt zich hulp-gemotoriseerd

door zijn autonome gemeente.

.

Dat gaat zo niet langer: ik neem

een geleidster met blinkende brilleglazen

en super-gevulde boezems

of, mocht dat niet lukken, een rode

hond met dito achterlicht.

.

 

Het ziekenhuis

Ik wou wel weer een beetje ziek zijn

.

Het is grappig te merken dat in deze tijd van pandemie ineens dingen een heel andere (bij) klank krijgen. Zo blijkt het Corona biertje ineens niet meer zo gewild (terwijl het nog steeds best smaakt). Maar dit geldt ook voor poëzie. Zoals bijvoorbeeld de bundel ‘Ik wou wel weer een beetje ziek zijn’ Honderd gedichten waarvan je beter wordt, samengesteld door Mario Molegraaf uit 2007. Als er toch iets is dat je momenteel niet wilt, is het wel een beetje ziek zijn nietwaar.

Desalniettemin is deze bloemlezing met de mooiste Nederlandse en Vlaamse gedichten over ziekte en beterschap een heel aardige bundel. Bekende namen en minder bekende namen met poëzie over werkelijk elk aspect van ziek zijn staan in deze bundel. Zo ook gedichten over het ziekenhuis. Het gedicht ‘Het ziekenhuis’ van de Vlaamse dichter Jan van Nijlen (1884 – 1965) sprong er voor mij uit vandaar hier dit gedicht. Het verscheen oorspronkelijk in ‘Verzamelde gedichten 1903 -1964’ dat werd gepubliceerd in 2003.

.

Het ziekenhuis

.

Van zorgen kan ik dezen nacht niet slapen.

Ik staar door ’t venster doelloos voor mij uit…

Werd zó de wereld van eerstaf geschapen

met maan en wolken, zonder een geluid

.

en zonder licht? Waar ik vanmorgen zag

de bomen met hun gele en groene verven

raad ik het ziekenhuis, waar dag aan dag

gemartelden in duizend angsten sterven.

.

’t Is anders, overdag, een rustge buurt,

mijn buren hebben tuinen met veel peren

maar met mijn woning heb ik niet gehuurd

den vrede dien ik immer moet ontberen.

.

Nu glimt alleen het lage, doffe licht

van ’t somber huis waar altijd wordt gewaakt

en ‘k vraag mij af, bij dit verdoemd gezicht,

wat mij zo week en zo lafhartig maakt.

.

Ik ben gong

Henri Michaux

.

In de boekenbijlage van de Volkskrant van afgelopen zaterdag stond een korte beschrijving van een boek (een getekende roadmovie) van Nicholas de Crécy waarin de Belgische dichter Henri Michaux een hoofdrol speelt. Omdat ik deze dichter niet ken ben ik op zoek gegaan naar zijn leven en werk. Volgens het bericht in de krant is bekend dat Michaux met mescaline en LSD experimenteerde en dat maakte me nog eens extra nieuwsgierig. Zoals de regelmatige lezer van dit blog waarschijnlijk wel bekend is mag ik graag de rafelranden van de poëzie opzoeken en drugsgebruik (en zeker hallucinerende drugs) zijn soms een aanleiding tot, laat ik het vriendelijk zeggen, bijzondere poëzie.

Henri Michaux (1899 – 1984) was een Franstalig Belgisch schrijver, dichter en schilder. Hij werd Frans staatsburger in 1955. Zijn werk wordt vaak gerekend tot het surrealisme, al maakte hij zelf geen deel uit van deze kunstbeweging. Michaux ontving in 1965 de ‘Grand Prix National des Lettres’ en weigerde deze in ontvangst te nemen. Hij ontwikkelde in zijn leven onder andere compassie en toewijding voor mensen met psychose. Hij experimenteerde persoonlijk met exploratieve psychische belevingen vanuit de rede (gebruik van hallucinerende drugs) en keerde in ruime zin daartoe terug. Zijn twee bekendste werken zijn ‘Misérable miracle’ uit 1972 en ‘Les Grandes Épreuves de l’esprit et les innombrables petites’ uit 1966.

Michaux is vooral bekend om zijn esoterische romans en gedichten die zijn geschreven in een toegankelijke maar grillige en soms zenuwslopende stijl.  Zijn oeuvre omvat poëzie, reisverslagen en kunstkritiek.Tijdens zijn reizen door Azië maakte Michaux kennis met de oosterse cultuur en ontstond zijn interesse voor kalligrafie en zijn voorliefde voor Oost-Indische inkt. Om in beeld te brengen wat in taal onmogelijk te zeggen was, begon de dichter te schilderen.

In het literaire tijdschrift ‘Ad Interim’ uit 1949 verscheen het gedicht ‘ik ben gong’ (vertaling Koos Schuur) van Henri Michaux.

.

ik ben gong

.

In het lied van mijn gramschap is een ei,
En in dat ei zijn mijn moeder en vader en kinderen,
En in dat al is vreugde en verdriet gemengd en leven.
Grote stormen die mij bijstand gaven,
Zomerzon die mij gedwarsboomd heeft,
Er is haat in mij, sterk en van oude datum,
En wat de schoonheid aangaat ziet men later wel.
Ik ben inderdaad hard geworden slechts door schilvers;
Als men eens wist hoe mollig ik welbeschouwd bleef.
In ben gong en watten en sneeuwig lied,
Ik zeg dit en ik ben er zeker van.
.
.
                                                                                                        Zonder titel, 1960 (Museum Of Modern Art)

Ik herhaal je

Ingrid Jonker

.

In de kringloopwinkel kocht ik het boek ‘Ik herhaal je’ gedichten van Ingrid Jonker ( 1933 -1965) met gedichten in het Afrikaans en in vertaling naar het Nederlands van Gerrit Komrij. Ook in dit boek een biografie van Ingrid Jonker door Henk van Woerden. Op de achterkant van het boek staat onder andere te lezen dat Nelson Mandela bij de opening van het Zuid-Afrikaanse parlement in 1994 het gedicht ‘Het kind dat doodgeschoten is door soldaten bij Nyanga’ voordroeg.

Nu wist ik dat ik al een keer aandacht had besteed aan deze gebeurtenis en dat klopt https://woutervanheiningen.wordpress.com/2013/06/03/nelson-mandela-en-ingrid-jonker/ . Daar is echter alleen het Engelse gedicht te lezen en omdat ik, terwijl ik het gedicht in het Nederlands las, me realiseerde dat Engels niet voor iedereen vanzelfsprekend makkelijk is, wil ik deze klaagzang tegen het apartheidsregime in de vorm van een gedicht hier ook in de Nederlands vertaling delen. 

.

Het kind dat doodgeschoten is door soldaten bij Nyanga   
.

Het kind is niet dood
het kind heft zijn vuist naar zijn moeder
die Afrika schreeuwt   de geur schreeuwt
van vrijheid en heide
in de townships van het omsingelde hart
.
Het kind heft zijn vuist naar zijn vader
in de optocht van de generaties
die Afrika schreeuwen   de geur schreeuwen
van gerechtigheid en bloed
in de straten van zijn gewapende trots
.
Het kind is niet dood
noch bij Langa noch bij Nyanga
noch bij Orlando noch bij Sharpeville
noch bij het politiebureau van Philippi
waar het ligt met een kogel door zijn hoofd
.
Het kind is de schaduw van de soldaten
op wacht met geweren pantserwagens en knuppels
het kind is aanwezig bij alle vergaderingen en wetgevingen
het kind loert door de vensters van huizen en in de harten van moeders
het kind dat alleen maar wilde spelen in de zon bij Nyanga is overal
het kind dat een man is geworden trekt door heel Afrika
het kind dat een reus is geworden trekt door de gehele wereld
.
Zonder pas 
.

De eerste foto van God

Cees Nooteboom

.

Pas geleden was ik in het GEM, het museum voor actuele kunst in Den Haag en in een van de tentoonstellingen, een overzichtstentoonstelling van het werk van fotograaf Eddy Posthuma de Boer, hing een foto van hem met daarbij een gedicht. Het betrof hier het gedicht ‘De eerste foto van God’ van Cees Nooteboom.

Dit gedicht en deze foto verschenen voor het eerst in het tijdschrift Avenue, in het september nummer van 1982. Avenue was een Nederlands modetijdschrift opgericht in oktober 1965 en het heeft bestaan tot 1994. Het was een glossy, geïnspireerd op het toonaangevende Parijse modeblad Vogue. De bedenker was Joop Swart, een van de grondleggers van World Press Photo. Hij werd ook de hoofdredacteur.

Ik herinner mij de Avenue als een mooi vormgegeven, voornaam en stevig magazine waar inderdaad de fotografie belangrijk was maar waar ook ruimte was voor reportages, literatuur en poëzie. In dat magazine verscheen dus de foto van Eddy Posthuma de Boer waarbij dichter/schrijver Cees Nooteboom het gedicht ‘De eerste foto van God’ schreef.

.

De eerste foto van God

.

Zo zag ik eruit na die eerste dag
Ik alleen met mijn stenen van steen.
Ik alleen met mijn luchten van lucht.

.
Dat was de dag waarop ik nog gelukkig was,
de aarde nog woest en ledig.
Pas daarna schiep ik de bomen,
de dieren, het leger en die fotograaf.

.
Dikwijls heb ik heimwee naar de dag
waarop ik hem maakte, als allereerste.
Hij en ik, samen in mijn schepping,
ik in mijn paarse jasje tussen mijn luchten van lucht,
hij met zijn oog als een spiegel op mijn stenen van steen,

.
en verder niets.

.

Ik had gedacht

Ingrid Jonker

.

Het was alweer even geleden  dat ik las in ‘Vlam in de sneeuw’ , de geheime brievenwisseling tussen de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker (1933 – 1965) en schrijver André Brink (1935 – 2015). Geheim want indertijd was André Brink getrouwd en niet met Ingrid Jonker met wie hij een affaire had. ‘Vlam in de sneeuw’ is zo’n boek dat je niet in één keer moet of kan uitlezen (ik niet in ieder geval). Elke keer een stuk werkt beter voor mij. Nu ik weer (verder) aan het lezen ben realiseerde ik me dat ik nog geen vertaald gedicht van Ingrid Jonker hier plaatste. Wel wat poëzie in het Afrikaans en in het Engels maar dus nog geen vertaling.

In de klassieke bundel ‘Ik herhaal je’ uit 2000 zijn de gedichten van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker verzameld. De fraaie vertaling is van Gerrit Komrij en Henk van Woerden schreef de biografische schets over Jonkers bewogen leven. Komrij maakte een keuze voor deze bundel uit ‘Versamelde werke’ uit 1994.

Uit deze bundel koos ik voor het gedicht ‘Ik had gedacht’ een liefdesgedicht maar tevens een gedicht met een trieste afloop, een gedicht dat wat mij betreft heel passend is bij het leven van Ingrid Jonker.

.

Ik had gedacht

.

Ik had gedacht dat ik je kon vergeten,
en in de zachte nacht alleen kon slapen,
maar in mijn onschuld heb ik niet geweten
dat ik bij elke windvlaag zou ontwaken:
.
Dat ik de lichte trilling van je hand
weer langs mijn sluimerende hals zou voelen –
Ik dacht dat het vuur dat in me brandde
als de witte sterrenbaan zou zijn afgekoeld.
.
Nu weet ik dat onze levens zijn als een lied
waarin de smarttoon van onze scheiding klinkt
en waar alle vreugde terugvloeit in verdriet
en uiteindelijk in onze eenzaamheid verzinkt.

.

%d bloggers liken dit: