Site-archief

Bouwval

Jacques Perk

.

Ik lees in de serie ‘Vlaamse pockets, Poëtisch erfdeel der Nederlanden’ het deel over Jacques Perk uit 1962. Dit deel is verzameld en ingeleid door Garmt Stuiveling (1907-1985), een naam die ik wel vaker tegenkom, hij was literatuurhistoricus en criticus. In dit geval dus een bundel over predikant-literator, dichter Jacques Fabrice Herman Perk (1859-1881). Deze combinatie van functies (predikant-dichter) kwam in de negentiende eeuw vaker voor, andere bekende predikant-dichters zijn Busken Huet, Beets en Allard Pierson.

Ik schreef al vaker over Jacques Perk , zijn (veel te) korte leven en werk bijvoorbeeld op https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/05/05/vrij-2/ maar de reden dat ik vandaag een vers van hem plaats is omdat ik, al lezend bij het gedicht ‘Bouwval’ bleef hangen. Het deed me denken aan het gedicht ‘Leegstand’ dat ik schreef https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/09/03/nieuw-gedicht-49/, heel anders van vorm en toon maar thematisch herkenbaar.

Reden genoeg (elke reden is er een om een gedicht te plaatsen hier nietwaar) om dit sonnet, dat oorspronkelijk verscheen in ‘Verzamelde Gedichten’ uit 1957, hier met jullie te delen.

.

De bouwval

.

’t Is alles nu met duisternis omtogen,
En ’t starren-dak zendt stilte op ’t glanzend puin:
De kracht, de trots weleer van rots en kruin,
Het maanlicht glipt door holle vensterbogen;

.

Geen sprankje mos wordt door een zucht bewogen,
Geen leven slaakt geluid in ’t kil arduin;
Slechts in den onkruidruigen bouwvaltuin
Schiet klaterend, een springbron naar den hogen:

.

En ’t lage dal blikt op met vreze en beven
Naar ’t slot, waar zang en zwaardgekletter klonk,
Toen willekeur bevel vermocht te geven.

.

En ’t ziet in schemerschijn der nachtzon zweven
Het schimmenheir, dat in den dood verzonk,
Doch in den doodsen burg der nacht bleef leven.

.

Beetje praten

Huub Oosterhuis

.

De Nederlandse dichter Huub Oosterhuis (1933) is bij velen bekend als  theoloog, ex-jezuïet en uitgetreden priester. Zijn naam is verbonden aan de modernistische tendensen binnen de Nederlandse kerkprovincie na het Tweede Vaticaans Concilie en de daarmee gepaard gaande polarisatie tussen modernisten en behoudsgezinden. Hij publiceerde een groot aantal liederen en gedichten en beïnvloedde de modernistische denkbeelden over liturgie en kerkelijk leven in Nederland.

Toch is ook zijn staat als dichter en tekst- en liedschrijver groot. Zo ontving hij meerdere prijzen voor zijn poëzie waaronder de Herman Gorterprijs voor de bundel ‘Groningen’ in 1962 en de Anne Frankprijs in 1963. Hij debuteerde in 1961 als dichter  met de bundel ‘Uittocht’ en in de jaren tot nu publiceerde hij verschillende poëziebundels waaronder een aantal met Christelijke gedichten.

In 2003 verscheen, naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag de bloemlezing ‘Een maal zeventig’ een keuze uit de gedichten. Uit die bundel nam ik het gedicht ‘Beetje praten’.

.

Beetje praten

.

Wanneer ik oud ben leg me in een laatje

als een brief een witte steen.

.

Witte stenen horen

aan een Zuid-Frans strand.

.

Leg me aan een Zuid-Frans strand dan

op de vloedlijn.

.

Of ik leg je in een doosje

een gedroogde raadpleeg roos

een uitgebloeid horloge –

als je oud bent.

.

Als ik oud en bijna dood ben

maar nog niet

leg me aan de zonnenavel

waar het licht door stroomt

mijn ogen in.

.

Maar dat kan je niet betalen

veel te laag verzekerd – arme ouwe.

.

Tatoeëer me in je schouder

draag me op je rug.

.

Dat zal ik.

.

Ja dat zal je, ja je zal me –

.

Als een zegel op mijn hart.

.

Juni

Bijna vergeten dichter

.

Leo Ross (1934-2014) werd geboren in Zwartsluis. Op het gymnasium in Middelburg leerde Ross de drie jaar oudere Guus Vleugel kennen, de latere dichter Guus Valleide. In 1951 ging hij studeren in Amsterdam. Hij sloot toen een hechte vriendschap met Willem Wilmink, jaargenoot (als Neerlandicus) en dispuutgenoot.  Hij werd toen Lektor für niederländische Philologie aan de Universiteit van Münster, Westfalen.

Voor zijn ontwikkeling belangrijke reizen maakte hij in 1965 en 1966 naar Griekenland; hij leerde Grieks uit een Duitse grammatica. In 1969 keerde hij terug naar Amsterdam als docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde aan de Vrije Universiteit in 1994, gezamenlijk met collega-Neerlandicus Rob Delvigne.

In 1982 maakte hij deel uit van de jury voor de prestigieuze (Belgische) Europese literatuurprijs, toen een Griekse schrijver bekroond werd. In de PEN maakte hij zich verdienstelijk als lid van de werkgroep Writers in prison.

Leo Ross debuteerde in 1952 in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures (PC) met een gedicht uit zijn gymnasiumtijd. De debuutbundel ‘L’Amour vert’ (1962) stond onder de invloed van Hans Lodeizen. Met groter ernst gaat in ‘Classics’ (1967) ook meer reflectie over de poëzie gepaard.

Hoewel Ross zijn eerste essays publiceerde in 1954/1955 (in Propria Cures), dus ongeveer tegelijk met zijn vroege gedichten, slaat hij in beide door hem beoefende literaire genres een opvallend verschillende toon aan: de poëzie is zonnig en vrolijk, de essays venijnig en agressief.

In 2003 in het ziekenhuis begon Leo Ross distichons te schrijven, tweeregelige gedichtjes naar het voorbeeld van het grafschrift van Vondel. Tot 2009 verschenen er vier bundels ‘tweeregels’. Ross publiceerde in verschillende literaire tijdschriften als De Revisor, De Gids, Hollands Weekblad en Maatstaf.

Uit ‘L’Amour vert’ komt het gedicht ‘Juni’.

.

Juni

.

Ik wil mijn best doen zoals bloemen

hun best doen, van mijn leven

wil ik iets stijlvols maken, een reuzeneik

voor een kleurige vogel

.

maar ik lig op een strand in de zon

met een jongen die zachtjes snurkt en

speel met de tijd als met zand, dijken

bouwend en tunnels gravend.

.

 

Voor het vergeten

Peter Verhelst

.

Vandaag, zondag, dus de dichter van de maand december, het gedicht ‘Voor het vergeten’ uit zijn bundel ‘Wij totale vlam’ uit 2014. Later, in 2018, zou Peter Verhelst (1962) deze titel gebruiken voor de roman over het onverwachte overlijden van zijn moeder. Het boek wordt bekroond met de Ultima Letteren 2018.

.

Voor het vergeten

.

Zolang we niet vergeten, gaat niets verloren.

Laten we dus vergeten, maar alleen
zoals we door te praten iets uiterst traag kunnen laten verdwijnen – daar,
zie je het, zie je het nog nauwelijks, tegen de zon in?

Zolang we niet vergeten dat iets van ons niets verloren mag gaan, eindelijk –

zoals er een zwijgen bestaat dat tegelijk een vorm is van zingen
dat een vorm is van dragen, een lichaam zo te dragen
dat het door ons heen, alsof het uiterst traag voorover valt, iets als glas
onder vel, broos glas, misschien is dat het lichaam
dat als een wijnglas zingend
zwijgend gedragen wil worden, dat wij het zo in de lucht heffen
dat het almaar lichter wordt – daar, zie je het, zie je het nog, nauwelijks,
tegen de zon in?

Misschien brengen de kleuren waarin het licht breekt
ons naar huis terug.

.

Dichter van de maand

Peter Verhelst

.

Zondag in december dus opnieuw een gedicht van de dichter van deze maand de Vlaamse dichter Peter Verhelst (1962). Dit keer koos ik voor het gedicht ‘De dag dat we van de berg afdaalden’ uit de bundel ‘Zing zing’ uit 2016. Wie een uitgebreide analyse van dit gedicht wil lezen verwijs ik graag naar de website van Meander, onder de kop Meander klassiekers werd in 2018 een analyse van dit gedicht door Joost Dancet gepubliceerd https://meandermagazine.nl/2018/12/klassieker-226-peter-verhelst-de-dag-dat-we-van-de-berg-afdaalden/ .

.

De dag dat we van de berg afdaalden
_
We hoopten als na een lawine
helemaal opnieuw te beginnen.
_
We namen in onze voetstappen plaats – die leistenen
schoenen, kwarts, topaas, zirkoon.
We voelden vertrouwde kniepijn, raapten van de grond
wat we tijdens het klimmen hadden achtergelaten
of wat we ons niet langer herinnerden.
_
Bij de rivier brak het onzichtbare koor
zich in de stroming telkens weer in scherven.
_
De hele afdaling hadden we het gevoel
niet helemaal en tegelijk nooit eerder zo dicht te zijn gekomen.
Een kudde galoppeerde achter struiken en grassen,
okeren stofwolk, drijvende avondlucht.
_
We stampten onze voetstappen van ons af –
onyx, amethist, saffier.
_
Heel even dacht ik in de achteruitkijkspiegel te zien
hoe we op de achterbank – wang tegen de ruit
onszelf op de berg dachten te zien.
_
Glimlachend.
Nooit eerder
reden we zo traag van ons weg.

.

Dichter van de maand

Peter Verhelst

.

In de maand december zal ik elke zondag weer de dichter van de maand presenteren met een gedicht. Dichter van de maand december is de Vlaamse dichter Peter Verhelst. Peter Roger Arthur Marcel Verhelst (1962) is een Vlaams dichter, romancier en theatermaker.Verhelst is een gelauwerd dichter, zo ontving hij onder andere de Paul Snoekprijs, De Gedichtendagprijs, de Jan Campert-prijs, de Herman de Coninckprijs en de Ida Gerhardt Poëzieprijs voor zijn werk en werken.

Vandaag een gedicht van zijn hand uit de bundel ‘Wij totale vlam’ uit 2014 getiteld ‘Ik had je hier niet verwacht’.

.

Ik had je hier niet verwacht

.

Wil je even bij me zitten?

De wrijvende beweging van je vingers.

.

Ik heb nooit eerder aan iemand verteld hoe ik … toen ik klein was …

.

We zijn altijd op zoek geweest naar andere kleine dingen

die kleine dingen die pijn doen onschadelijk maken. het meest broze.

.

Je vingernagels glanzen alsof iemand ze in mijn mond heeft genomen.

.

We waren zo graag een bloem geweest,

een vliegtuigje, een reiger. Iets warms.

Alles zouden we proberen.

.

Net als je dacht te weten hoe iets te gebruiken, ging het stuk.

.

Het glas breekt….

Bijna vergeten dichters

.

Ik heb veel oude dichtbundels in bezit en een groot deel daarvan zijn verzamelbundels of bloemlezingen. Het aardige van deze bundels is dat er dichters in zijn opgenomen waar je nooit meer iets van leest of hoort, terwijl er ook onder deze (bijna) vergeten dichters heel fijne dichters zitten. Zo lees ik in ‘De stem van de dichter’ samengesteld door Antal Sivirski en uitgegeven door J.B. Wolters Groningen in 1962 . In deze bloemlezing van poëzie en proza geschikt om voor te dragen (in het voorwoord neemt Sivirsky de lezer mee over het doel van het voordragen (anderen te laten genieten van een kunstwerk), de klank, de waarde van het voordragen en de keuze van de kunstwerken) staan behalve gedichten ook een aantal prozastukken. Ik beperk mezelf dan tot de gedichten van veel bekende dichters maar af en toe zit er een dichter tussen die ik niet ken. Zoals de dichter Dezsö Kosztolányi.

Kosztolányi (1885-1936)  was een Hongaars dichter, schrijver, vertaler en journalist. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Hongaarse literatoren van de 20e eeuw.  Hij was vooral estheet en individualist, zijn werk laat een toenemende verdieping zien. In de communistische periode gold hij als burgerlijk en conservatief, maar ook toen werd hij erkend als voorbeeldig stilist.

In 1907 debuteerde hij en vanaf 1908 was hij actief voor het pas opgerichte, later leidende, Hongaarse letterkundige blad Nyugat, waarin van zijn hand een studie over Rilke verscheen. Hij kreeg vooral bekendheid door zijn in 1910 verschenen gedichtencyclus ‘A szegény kisgyermek panaszai’ (Klaagzang van een arm klein kind). In 1913 publiceerde hij de anthologie ‘Modern költők’ (Moderne dichters). Kosztolányi schreef makkelijk en snel, naast 12 bundels gedichten publiceerde hij veel krantenartikelen en korte verhalen. Hij was tevens belangrijk als literair vertaler. Hij vertaalde werk van Shakespeare, Rilke, Goethe, Verlaine en Rimbaud, maar ook ‘Alice in Wonderland’.

Van zijn hand is in ‘De stem van de dichter’ het gedicht ‘het glas breekt….’ opgenomen dar eerder in ‘De Muze kent geen Babel’ (Wereldpoëzie in vertaling) verscheen in 1959.

.

Het glas breekt….

.

Het glas breekt

En de tand valt uit.

.

Het kleed scheurt

En het oog verzwakt.

.

Sleutel en knoop gaan te loor

En de lust vergaat.

.

De kaars brandt op

En het bloed wordt traag.

.

De lamp stort neer

En het hart staat stil.

.

Wee mij en u

Wee onzer.

.

Glas

Voorbij de laatste stad

.

Van sommige dichtbundels heb ik meerdere exemplaren. Dat komt aan de ene kant doordat ze heruitgegeven worden met een totaal andere kaft of omdat ik ze cadeau krijg. De bundel ‘Voorbij de laatste stad’ van Gerrit Achterberg (1905 -1962) heb ik drie maal in mijn kast staan. Zowel een eerste druk uit 1955 als twee derde drukken uit 1962. Hoewel allebei als Ooievaar pocket uitgegeven prefereer ik de eerste druk met de geel/blauw/zwarte omslag. De achterflap van de derde druk is dan wel weer aardig, daar is een foto van Paul Rodenko (samensteller en inleider van deze bloemlezing) met Gerrit Achterberg afgedrukt. Twee heren in pak, met stropdas, de een een pijp in de hand (Rodenko) en de ander een sigaret (Achterberg).

De bundel ‘Voorbij de laatste stad’ staat vol prachtige, soms intellectuele en soms moeilijk te doorgronden poëzie (Achterberg werd tot een exponent van de Experimentele Poëzie gerekend die rond 1950 op kwam in Nederland) maar is altijd heel leesbaar. Zoals in het gedicht ‘Glas’

.

Glas

.

Ik ben van zoveel glas,

dat elke harde stem

een steen is en een barst.

Ik moet u spiegelen

zo breekbaar ver,

dat gij gaat wiegelen

voor ik u her-

over als ster,

en weer versmelt tot schuim en dras,

om in dit zingen op te gaan,

een zeepbel, groot; langzaam.

.

Zomergedichten

Dubbel-gedicht

.

Nu de zon weer schijnt in deze rare en ingewikkelde tijden vond ik het tijd om ook in mijn berichten wat vaker de zon te laten schijnen. Als hart onder de riem of gewoon als voorbode van betere tijden. Daarom vandaag een Dubbel-gedicht over de zon.

Het eerste gedicht ‘Zomer’ is van de dichter Jos De Haes (1920 – 1974) en komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1986. De Haes was een Vlaams dichter, essayist en radiomaker. Hij debuteerde in de collectieve bundel ‘Aanhef’ in 1941 met ‘De diepe wortel’, publiceerde gedichten in ‘Podium (1943 – 1944) waar hij hoofdredacteur van was, in de ‘Poëziespiegel’ en in ‘Dietsche Warande & Belfort’ waarvoor hij in 1950 recensent werd en in 1960 redactielid. Na zijn dood verscheen zijn verzameld werk in 3 delen in 1974, 1986 en 2004.

Het tweede gedicht ‘Zonlicht’ is van dichter Rogi Wieg (1962 – 2015) en komt uit de bloemlezing ‘Even zuiver als de ongeschreven brief’ uit 2015. Rogi Wieg was schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en muzikant. Hij debuteerde in 1981 met de bundel ‘Cis-trans’. Hij was redacteur van de literaire bladen ‘Tirade’ en ‘Maatstaf’ en hij was tussen 1986 en 1999 als poëziecriticus verbonden aan ‘Het Parool’. Wieg kreeg onder andere het Charlotte Köhler Stipendium voor ‘De zee heeft geen manieren’ en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverblijf’. stipendium voor ‘De zee heeft geen manieren’ en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Toverdraad van dagverdrijf’. 

.

Zomer

.

Stond op de plek een wagen

scheef in de grond ter ziele.

De zon stond hout te zagen.

Ik sliep tussen de wielen.

Ik sloeg de liefde gade

van kevers en van maden.

Tedere bakelieten

plezierden en verdrietten

elkaar met dunne vijlen,

met haken en met bijlen,

met tatertjes en sprieten

alaam van sodomieten.

.

Ik lag in hoge klaver,

de rode toppen blekten.

Ik lag in hoge klaver

met wijfjes van insecten.

.

Zonlicht

.

Veel grote mannen hadden wel

een gezin, een warm bord op

tafel, een balkon boven de zee.

Ben ik een groot man, sla dan

.

tenminste een spijker in mijn

werk die niet krom en roestig

verleden of toekomst uitbeeldt,

maar als spijker het oog

juist op de hoogte houdt

.

van wat het moet zien:

ik mis je zo, eeuwigheid,

dat ik haastig naar huis ga

uit het zonlicht om nog

.

tijd te hebben thuis te komen

uit het zonlicht.

Grootheid is het meervoud omarmen

van grammaticaal zeer ongelijke tijden.

.

 

Koor

Peter Verhelst

.

In 1987 debuteerde de Vlaamse dichter Peter Verhelst (1962) met de bundel ‘Obsidiaan’. Dertig jaar later, inmiddels een belangrijk en gelauwerd dichter ( Verhelst ontving onder andere de Paul Snoekprijs, De Gedichtendagprijs, de Jan Campert-prijs, de Herman de Coninckprijs en de Ida Gerhardt Poëzieprijs) verschijnt in 2017 de bundel ‘Koor’ een bloemlezing uit zijn meest opzienbarende poëzie.

In de bundel ‘Koor’ is door de dichter zelf een keuze gemaakt uit eerder gepubliceerd werk aangevuld met ongepubliceerde gedichten. Om uit zoveel bijzondere en mooie gedichten een keuze te maken is zelfs voor mij een opgave maar uiteindelijk kies ik voor het (liefdes-) gedicht ‘Tegen het vergeten’. Ik kies hier bewust voor dit gedicht omdat het mooi aansluit bij een categorie die ik hier alweer een paar jaar geleden begonnen ben; (bijna) vergeten dichters. Ook die dichters waar we nooit meer wat van horen hebben vaak zulke mooie poëzie geschreven, reden waarom ik ze regelmatig weer terug haal. Bij een dichter als Peter Verhelst zal dit waarschijnlijk niet snel gebeuren. Daarom is de combinatie tussen zijn gedicht en deze categorie dichters een waardevolle.

Oorspronkelijk verschenen in de bundel ‘Wij totale vlam’ uit 2014 ‘Tegen het vergeten’.

.

Tegen het vergeten

.

Niet hoe je was, hoe je op je ellenbogen achterover leunend, zo bleek was je,
hoe we keken – niet vergeten,
niet het zich zuchtend openvouwen – nooit vergeten,
niet hoe het had kunnen zijn, hoe we hadden willen zijn.
.
Wat van ons verloren is gegaan.
Wie van ons verloren ging.
Laten we ons elkaar zo herinneren
voor de herinneringen dingen met ons doen:
.
een dunne lijn rood, gloeiend in de avondlucht,
hoe we, op onze ellenbogen achterover leunend, naar elkaar keken,
een fonkeling in het wachten, een nauwelijks hoorbare zucht.
.
Wit
oplossend als suiker
in het vallende duister.
.
De echo van je zucht.
.
De echo van de echo van je zucht.

.

 

%d bloggers liken dit: