Site-archief

Crypto gedicht

Gedichtencode

.

‘The Life That I Have’ (ook wel bekend onder de titel ‘Yours’) is een kort gedicht geschreven door Leo Marks en werd gebruikt als een gedichtencode in de Tweede Wereldoorlog. In de oorlog werden beroemde gedichten gebruikt om berichten te coderen. Dit bleek echter onzeker te zijn omdat vijandige crypto-analysten het origineel uit gepubliceerde bronnen konden lokaliseren. Leo Marks ging dit tegen door zijn eigen geschreven creaties te gebruiken.

‘The Life That I Have’ was een origineel gedicht dat tot stand kwam op kerstavond 1943 en werd oorspronkelijk geschreven door Marks ter nagedachtenis aan zijn vriendin Ruth, die net was overleden bij een vliegtuigongeluk in Canada. Op 24 maart 1944 werd het gedicht uitgegeven door Marks aan Violette Szabó, een Franse agent van Special Operations Executive die uiteindelijk werd gevangengenomen, gemarteld en gedood door de nazi’s.

Het werd beroemd door de opname in de film uit 1958 over Szabo, ‘Carve Her Name with Pride’, waar het gedicht de creatie was van Violette’s man Etienne. (Marks stond toe dat het werd gebruikt onder de voorwaarde dat de auteur niet kon worden geïdentificeerd.) In haar biografie Violette Szabó: ‘The Life That I Have’ uit 2002 beweerde auteur Susan Ottaway ten onrechte dat het gedicht eigenlijk was geschreven voor de film uit 1958.

In het Engelse plaatsje Tempsford staat een gedenkzuil (het Tempsford SOE memorial) met het gedicht voor Violette Szabó.

.

Code poem for Violette Szabó

.

The life that I have.

Is all that I have. And

the life that I have. Is

yours. Of the life that

I have. Is yours and

yours and yours. A

sleep I shall have  .

A rest I shall have .

Yet death will be

but a pause. For the

peace of my years .

In the log green

grass. Will be yours

and yours and yours.

.

Het gedicht van Marks is ook gebruikt als versiering van een pillendoosje

Van Dante tot Neruda

Steinn Steinarr

.

In de bundel ‘Van Dante tot Neruda’ 123 wereldgedichten om uit het hoofd te kennen, samengebracht door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem, staat een gedicht van de IJslandse dichter Steinn Steinarr. Nu lijkt het me een hele opgave om de 123 gedichten in deze bundel uit het hoofd te leren maar er staan vele prachtige gedichten in van evenzoveel prachtige dichters. De dichter Steinarr (1908 – 1958) kende ik niet.

Steinn Steinarr wordt soms beschouwd als de eerste belangrijke IJslandse modernistische dichter , maar hij had ook een goede beheersing van de traditionele IJslandse poëzie. Zijn poëzie is verrassend goed verouderd. In feite is het tegenwoordig op veel manieren actueler dan het was toen het werd geschreven. Een reden kan zijn dat zijn favoriete thema, de strijd van de eeuwige eenling / buitenstaander tegen de diepgewortelde tirannie van corrupte macht, nu minstens zo waar klinkt als in de jaren dertig en veertig. Een andere reden kan zijn dat de werken van Steinnarr een spin-off zijn van een van ’s werelds grote literaire tradities: de poëzie van de middeleeuwse IJslandse ‘skalds’ (wat ‘dichter’ betekent, is over het algemeen een term die wordt gebruikt voor dichters die in de Vikingtijd en in de middeleeuwen aan het hof van Scandinavische leiders hebben gecomponeerd), beroemd om hun complexe en raadselachtige stijl, hoewel Steinnarr ook een van de eerste IJslandse dichters was die wegging van de dominantie van strikte meter en alliteratie. (Bron: Wikipedia).

Het gedicht dat in ‘Van Dante tot Neruda’ is opgenomen is getiteld ‘Kind’ en komt oorspronkelijk uit ‘Letters’ uit 1995 en is vertaald door Claude Van De Berge.

.

Kind

.

Ik was een klein kind

en speelde bij het strand.

Twee zwartgeklede mannen

gingen voorbij

en groetten mij:

goedendag, klein kind,

goedendag.

.

Ik was een klein kind

en speelde bij het strand.

Twee bleekharige meisjes

gingen voorbij

en fluisterden:

ga met ons mee, jongeman,

ga met ons mee.

.

Ik was een klein kind

en speelde bij het strand.

Twee lachende kinderen

gingen voorbij

en riepen:

goedenavond, oude man,

goedenavond.

.


Schilderij Hallgrímur Helgason

Maffe zus

Nico Scheepmaker

.

In 1973 vertelde Nico Scheepmaker aan Guus Luijters: ‘Het moet allemaal een spel blijven, vind ik. Sommige gedichten zijn een spel met een serieus onderwerp, andere met een frivool onderwerp, maar het is allemaal spel. Het gaat erom de mensen een beetje leesgenot te verschaffen’. Hij deed dit in het Parool en deze passage is het begin van de bundel ‘De gedichten’ Bezorgd door Ivo de Wijs uit 1991.

De reden dat ik dit citaat overneem is omdat ik het zo eens ben met Nico. Alle literatuur is er (ook) om de mensen een beetje leesgenot te verschaffen. Voor poëzie geldt dit net zo. Natuurlijk zijn er vast nog vele andere redenen te bedenken waarom iets geschreven is maar door het simpele feit dat het geschreven is, is het altijd om gelezen te worden. En lezen zonder leesgenot is geen lezen.

Nico Scheepmaker (1930-1990) was columnist, (sport)journalist en dichter. In de jaren 50 kreeg hij succes als dichter. Hij debuteerde als dichter met de bundel ‘Poëtisch fietsen’ (1955) en in 1958 kreeg hij de Anne Frank-prijs voor jeugdige schrijvers. Scheepmaker schreef verschillende dichtbundels waaronder ‘Vinger in de hoed’ uit 1976, een dialoog in sonnetvorm tussen Scheepmaker en Jan Kal.

Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Maffe zus’.

.

Maffe zus

.

Het gaat in een gedicht niet om het rijm!

En ook sonnetten zijn nog steeds gedichten

al vallen zij als onvolwassen nichten

bij ’t eerste ’t beste halfrijm in zwijm.

.

Je hebt als sonnettist natuurlijk plichten,

maar een gedicht dat met een kwastje lijm

aaneengehaakt wordt, mist het groot geheim

op ongeëvenaarde vergezichten.

.

Neem nu alleen maar deze twee kwatrijnen:

‘rijm’ en ‘gedichtenazijn toch niet ontheemd

in een gedicht dat zonder tierlantijnen

zijn licht over de dichtkunst wil doen schijnen.

.

Maar ’t blijft natuurlijk wel een beetje vreemd

dat elk zijn maffe zus op sleeptouw neemt.

.

Voor een onbekende Nederlander

Jos Verstegen

.

In de Volkskrant van 17 september jongstleden stond een groot artikel over meneer B. Hij werd aangetroffen in een woning en bleek al maanden daarvoor overleden te zijn. Waarschijnlijk betreft het de 79-jarige huurder van de woning, meneer B., die een teruggetrokken leven leidde. Niemand weet het zeker: meneer B. had geen kinderen, geen partner en geen vrienden. Het lichaam werd onderzocht, celmateriaal veiliggesteld. Door de verregaande staat van ontbinding kon geen vingerafdruk worden afgenomen. Aanwijzingen voor een onnatuurlijke dood waren er niet. Schrijver Joris van Casteren schrijft in dit artikel vanuit zijn rol als coördinator eenzame uitvaarten. In de Volkskrant doet Van Casteren voortaan regelmatig verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator. Ter introductie het relaas van de meest recente eenzame dode: de excentrieke meneer B. die officieel meneer B. niet is.

Negen eenzame uitvaarten maakte schrijver Joris van Casteren tot op heden mee. Hij is de opvolger van F. Starik (1958-2018), die in Amsterdam de Poule des Doods oprichtte, waarbij een dichter een gedicht schrijft en voorleest tijdens de stille uitvaartdienst van iemand zonder familie, vrienden of bekenden.

Bij het artikel werd het gedicht ‘Voor NN’ geplaatst van Jos Verstegen. Josephus Wilhelmus Johannes (Jos) Versteegen (1956) is dichter, biograaf en vertaler. Hij is ook bekend onder de namen Robert Alquin, Alkwin en Jacob Steege. In 1982 debuteerde hij met ‘Ongrijpbare jeugd’, een lang homo-erotisch gedicht. Hij publiceerde vervolgens een bundeling gedichten onder de titel ‘Het lustprieel’ die voor een groot deel eerder werden gepubliceerd in het Nijmeegse blad ‘Pink’. Hij was jarenlang redactiesecretaris van het tijdschrift ‘De tweede ronde.

.

Voor NN,

.

Daar zat u, in uw eenpersoons kasteel,
uw bolwerk in de buitenwijk, uw donker fort
met landbouwplastic voor de ramen.

.

Een vrouw die in uw woning kwam,
zij heeft uw benen nog omzwachteld
en laatste woorden aangehoord
over de grote liefde in dit huis:
jasjes van patchwork, met pailletten.

.

Er woonde boosheid in uw straat
die op een dag door muren heen zou breken,
dat wist u zeker, en dan zat u klaar
in glinsterende jasjes, dichtgeknoopt en mooi:
uw harnas in uw eenpersoons kasteel
met landbouwplastic voor de ramen.

.

Geen kruimel viel er uit de muur,
geen vuist brak door een ruit naar binnen.
Uw stoffen harnas hing nog om u heen.

.

You do something to me

Paul Weller

.

Een van de mooiste liefdesliedjes die ik ken is het nummer van Paul Weller ‘You do something to me’ van de CD ‘Stanley Road’ uit 1995. Weller (1958) werd bekend als zanger en bandlid van The Jam en The Style Council maar dit nummer is van daarna, toen hij als solo artiest doorging. In dit nummer is de tekst in harmonie met de muziek en waar sommige liedjes nogal eens lange tekststukken hebben of herhalen blinkt dit nummer uit in eenvoud maar wel eenvoud met veel zeggingskracht.

.

You do something to me

.

You do something to me, something deep inside
I’m hanging on the wire
for a love I’ll never find
You do something wonderful then chase it all away
Mixing my emotions that throws me back again
Hanging on the wire, I’m waiting for the change
I’m dancing through the fire,
just to catch a flame
An’ feel real again

You do something to me somewhere deep inside
I’m hoping to get close
to a peace I cannot find

Dancing through the fire
just to catch a flame
Just to get close to, just close enough
To tell you that…..

You do something to me something deep inside.

.

Binnenhof

Lieven Rens

.

De Vlaamse dichter Lieven Rens (1925 – 1983) schreef elf dichtbundels. Hij was recensent in diverse kranten en tijdschriften, gerenommeerd wetenschapper inzake het renaissancedrama in de Nederlanden in het bijzonder de werken van Joost van den Vondel. Daarnaast was hij hoogleraar Europese en Nederlandse cultuurgeschiedenis aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (UFSIA).

In 1948 debuteerde hij met de bundel ‘Schrikkeljaar’waarna hij tot zijn voortijdige overlijden (in 1983 overlijdt hij aan de gevolgen van een tragisch ongeval) om de paar jaar een dichtbundel publiceert.

Als dichter behoorde hij aanvankelijk tot de groep van ‘Nieuwe Stemmen’ een tijdschrift van de katholieke jongeren, waarvan hij van 1951 tot 1958 redactielid was. Zij streefden een katholiek reveil na, en gingen aldus in tegen die andere naoorlogse stroming het existentialisme, die, volgens hen, teveel nihilistisch van aard was. Ook keerden ze zich af van de experimentelen en geloofden in de kracht van de grote klassieke traditie.

Zijn dichterschap is in drie delen te beschouwen: de eerste 11 jaar dicht hij vooral over de liefde en de verwording van de westerse cultuur. In de acht jaar die daarop volgen verwoordt hij de spanning tussen het menselijk verblijf in het aardse en de hemelse bevrijdingshunker. en verinnerlijkt en vergeestelijkt hij  zijn poëzie in een reeks, landschappen, stillevens en portretten. In de laatste 7 jaar van zijn dichterschap evolueert hij naar een soort woordpoëzie, die haar eigen vorm en ritme vastlegt. Versregelbouw en woordschikking worden grilliger, associaties en referenties verruimen zijn poëtische wereld.

Voor zijn werk ontvangt hij enkele prijzen waaronder de Guido Gezelleprijs 1972-1976 van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor de dichtbundel ‘Leander’.

Uit de tweede periode van zijn dichterschap stamt de bundel ‘Op gouden grond’ (1971) waaruit het gedicht ‘Binnenhof (St.-Ignatius, Antwerpen)’ is genomen.

.

Binnenhof (St.-Ignatius, Antwerpen)

De platgetreden wegen,
Het gladgeschoren gras,
Alles ligt effen als een plaat van glas.

Heel even een bewegen
Van mus en mus, en soms
Een rilling onder de geraniums.

Ik voel de wereld wegen –
Iets is op til –
Iets moet gebeuren of de tijd valt stil.

.

Jan Glas

Dichter op verzoek

.

Van Jaap Bakker kreeg ik onder andere de naam van Jan Glas door als dichter op verzoek. Jan Glas (1958) is dichter/beeldend kunstenaar en zanger. Hij dicht in het Nederlands en in het Gronings. Hij is hoofdredacteur van het tijdschrift ‘Krödde’ dat inmiddels niet meer bestaat maar is overgegaan in de website Oader.nl)  en redacteur van ‘Webloug’. Hij treedt regelmatig op en in juni 2013 stond hij als eerste Groningstalige dichter op het podium van Poetry International.

In 2004 debuteerde Glas met ‘De vangers van zummer’. De bundel werd bekroond met de Literaire Pries van Stichting ’t Grunneger Bouk. Jan Glas was mede samensteller van ‘De 100 mooiste Groningse gedichten’ en ‘Verrassend Nedersaksisch’. Hij vertaalde zeven gedichten van Rilke in het Gronings voor het boek ‘Rilke Sieben’. Glas won diverse literaire prijzen, waaronder de Duitse Freudenthal-prijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur en het Belcampostipendium. Jan Glas heeft een eigen website op https://volglas.wixsite.com

Uit de bundel ‘Als was zij mijn vrouw’ uit 2012 het gedicht

.

De hotelmanager

De hotelmanager heeft mij verlaten.

Ik mis hem zo erg dat het pijn doet.

Ik moet opnieuw leren slapen.

Ik heb grote fantastische herinneringen.

We zwommen elke ochtend baantjes in ‘De Parel’

voor hij naar het hotel ging.

We lieten onze tanden bleken,

er brak een eindeloos mooie zomer aan.

Wij fietsten veel. Hij zwaaide naar voorbijvarende boten.

Het was ideaal.

Mijn zus was blij voor me dat ik eindelijk

iemand had gevonden.

Ik wilde alles van hem weten.

Hij vertelde over zijn jeugd, z’n moeder,

over z’n werk als hotelmanager.

Het hotel had bijvoorbeeld 34 kamers.

Hij had een paar leuke collega’s.

Toen begon ik hem vast te houden

en dat moet je nooit doen,

dat staat in alle boeken.

.

Grutto Grutto Fuut Fuut

Robin Hannelore

.

De Vlaamse dichter Robin Hannelore (1937, pseudoniem van August Obbels) is vooral bekend in de Belgische Kempen. Hij kreeg in 1968 en 1977 de poëzieprijs van de provincie Antwerpen. Naast zijn auteursactiviteiten was hij tot 1997 leraar Germaanse talen in zowel Herentals als Antwerpen. Binnen zijn zeer ruime thematiek neemt Hannelore het dikwijls op voor de zwakkeren, de onderdrukten en de onmondigen. Deze voorkeur, die in zijn werk meermaals naar boven komt, kwam tot een hoogtepunt in ‘Een brief aan de koning’ (1979). In zijn veelheid van stijlen waagde hij zich enkele malen in het magisch realisme, wat hem de vriendschap opleverde met Hubert Lampo. Samen met Frans Depeuter en Walter van den Broeck was Hannelore ook medestichter van het satirisch-kritische tijdschrift ‘Heibel’, dat hij in 2007 met Depeuter opnieuw tot leven riep. Hannelore schreef zo’n 20 poëziebundels en hij debuteerde in 1958 met de poëziebundel ‘Waan en pijn’.

In 1978 verscheen in de serie ‘Poëtisch erfdeel der Nederlanden’ in de Vlaamse pockets, een bloemlezing van zijn werk onder de titel ‘Het koekoeksspog’. Wat dat precies betekent is me niet helemaal duidelijk, het Vlaams woordenboek geeft niet direct uitsluitsel, maar het lijkt een afgeleide van gespogen dat ‘heel erg gelijkend op’ betekent. Hierin gedichten uit zijn bundels uit de jaren ’60 en ’70.

De bundel begint met een ‘gedicht’ of een uitspraak van Hannelore waaruit blijkt dat hij het opneemt voor de onderdrukten en de onmondigen.

.

En kom je tenslotte toch naar de Kempen,

denk dan niet te lichtvaardig dat je

het koekkoeksspeeksel, het kikkerspog

of het lenteschuim ontdekte.

Ik loop hier namelijk in het voorjaar steeds

op, voor de voeten van, of in het gezicht van

de parvenu’s, de spekulanten, de mongoloïde politici

en de goden te spuwen.

.

Verder in de bundel blijkt dat Hanelore wel degelijk ook gedichten schrijft die minder activistisch zijn en de schoonheid van de Kempen en de natuur als onderwerp hebben zoals in het gedicht ‘Grutto Grutto Fuut Fuut’ dat nooit gebundeld werd.

.

Grutto Grutto Fuut Fuut

.

Ik lig hier als een driedubbele gek

Te lachen in het gras de witbol

Beroesd van tijm en koeiedrek

De schaduw van de eik zit vol

.

harig wilgeroosje en oud geluk

En gesjirp van een krekel een mus

De Kempen bulkt van de volle pluk

Halfapen toeren er rond in een bus

.

Onder dit groen orgiastisch gewelf

Op dit eeuwig wilde herdersfeest

Ben ik te gast bij de zwarte elf

.

Ik adem ril geniet als een beest

Verlaat hier tenslotte voorgoed mezelf

Nimmer is iemand zo vrij geweest.

.

De dichter en de erotiek

Anne Vegter

.

Anne Vegter (1958) staat bekend om het erotiek gehalte in veel van haar werk. In een artikel in de Groene Amsterdammer uit 2011 wordt dit mooi beschreven https://www.groene.nl/artikel/erotisch-slagveld

In de jaren dat ze dichter des Vaderlands was schreef ze het gedicht ‘Materiaal voor schedelboog, lijn van borst, fallus of kont uit vloeibare klei’ bij de opening van de tentoonstelling ‘Sexy ceramics’ in Keramiekmuseum Princessehof (2016). In deze tentoonstelling kon je aan de hand van femmes fatales en ondeugende herders door alle fases van het liefdesspel lopen. Van de eerste aanraking en voorzichtige hofmakerij tot expliciete seks. Er waren Klassieke Griekse vazen, verfijnd Aziatisch porselein en moderne kunst die de zintuigen prikkelde en je met een heel andere blik naar keramiek liet kijken. Je kon er verborgen symbolen, suggestieve vormen en erotische objecten tegen komen, maar maakte ook kennis met de sensualiteit van het materiaal klei zelf.

Aan de hand van deze beschrijving van de tentoonstelling en de tentoonstelling zelf uiteraard schreef Anne Vegter het volgende gedicht:

.

Materiaal voor schedelboog, lijn van borst, fallus of kont uit vloeibare klei

‏Je makersbewegingen over het breekbare, natte binnenste –
‏buiten raakten mijn vormen jouw tong aan, openden je mond

‏in mijn roos, we bedreven lovescience met de modderige maten
‏van mijn kleivrucht. Kijken is pijnloos nadoen. Toen ik wilde weten

‏wat je vingers weten legde je verhitte dingen in ons bed. Je zei:
‏‘Dickrider, Tietenvaas, Models, Fallen Woman en wij.’ Ik zei:

‏‘Mooie Mensch, Flame, Potential Stillness en wij, sloeries van klei.’

.

Spel en drank

Eric van der Steen
.

In Helikon, tijdschrift voor poëzie, onder redactie van Ed. Hoornik, verscheen in 1940, het bundeltje ‘Cadans’ gedichten door Eric van der Steen.  Eric van der Steen was het pseudoniem van Dirk Zijlstra (1907 – 1985) dichter, schrijver en journalist. Als dichter debuteerde van der Steen in 1932 met ‘Gemengde berichten’ en zette zijn dichterlijke carrière aanvankelijk krachtig door. Zijn poëzie valt op door nuchterheid en droge humor. Veel van zijn boeken kenmerken zich door frisse, ongewone uiterlijke vormgeving. In de jaren veertig begon hij proza te publiceren. Na 1958 droogde zijn schrijfader op.

In totaal zou van der Steen 11 dichtbundels publiceren maar ook essays, aforismen en proza. Het bundeltje ‘Cadans’ bevat 25 gedichten en werd gedrukt in een oplage van 300 stuks. Uit dit mooie bundeltje het gedicht ‘Spel en drank’.

.

Spel en drank

.

Omdat geboren spelers ongelukkig zijn –

wij zullen ook op ons verlies niet snoeven,

wij spelen verder, al kreeg één de troeven,

dat is de Dood, en hij is groot, wij klein

en blind als paarden in een smalle mijn:

de droomen die wij overnacht behoeven,

zij slaan ons ’s morgens met hun blinde hoeven,

wij drinken om verdooving voor de pijn.

.

God en de goden lachen nu misschien

om deze sluwheid en dit slinkchse slooven:

de ooren om te hooren, om te zien

twee lichte oogen, maar om te gelooven

niets dan de koele, zorgelooze wijn –

maar ben ik dan een blinde en een doove?

.

%d bloggers liken dit: