Site-archief

Oud

Jeroen van Merwijk

.

Heel hard lachen kan heel troostrijk zijn. Toen ik de bundel ‘Wat zijn de vrouwen groot’ uit 1999 van Jeroen van Merwijk (1955) kreeg, wist ik dat ik hier plezier aan ging beleven. De laatste keer dat ik hem in het theater zag (met Harrie Jekkers samen) moest ik ook onbedaarlijk hard lachen. Dat beloofde dus veel en die belofte is volledig ingelost door deze bundel met liedteksten/gedichten. De bundel opent met het heerlijke gedicht ‘Veel is het niet’ waarin meteen de toon wordt gezet voor de rest van de bundel. Veel zelfspot, de misantropie druipt er aan alle kanten vanaf maar het is allemaal ongelofelijk grappig. Omdat ik bezig ben met het plaatsen van troostgedichten heb ik een gedicht uitgekozen dat naast erg leuk ook troost biedt.

.

Oud

.

Niet alle oud is even oud

De klei waarmee men huizen bouwt

Was in het pleistoceen nog hout

Dat is pas oud

.

Niets wat de mensheid heeft gemaakt is oud

Geen brug is oud, geen kerk is oud

Niets is een kwart zo oud als goud

Goud is pas oud

.

Geen boek, geen schilderij is oud

Geen stad, geen platteland is oud

De lucht is oud, het regenwoud

Het regenwoud is oud

.

Pas als wij water zijn en zout

En lucht en goud en regenwoud

De klei waarvan men huizen bouwt

Dan zijn wij oud

.

Ik ben gong

Henri Michaux

.

In de boekenbijlage van de Volkskrant van afgelopen zaterdag stond een korte beschrijving van een boek (een getekende roadmovie) van Nicholas de Crécy waarin de Belgische dichter Henri Michaux een hoofdrol speelt. Omdat ik deze dichter niet ken ben ik op zoek gegaan naar zijn leven en werk. Volgens het bericht in de krant is bekend dat Michaux met mescaline en LSD experimenteerde en dat maakte me nog eens extra nieuwsgierig. Zoals de regelmatige lezer van dit blog waarschijnlijk wel bekend is mag ik graag de rafelranden van de poëzie opzoeken en drugsgebruik (en zeker hallucinerende drugs) zijn soms een aanleiding tot, laat ik het vriendelijk zeggen, bijzondere poëzie.

Henri Michaux (1899 – 1984) was een Franstalig Belgisch schrijver, dichter en schilder. Hij werd Frans staatsburger in 1955. Zijn werk wordt vaak gerekend tot het surrealisme, al maakte hij zelf geen deel uit van deze kunstbeweging. Michaux ontving in 1965 de ‘Grand Prix National des Lettres’ en weigerde deze in ontvangst te nemen. Hij ontwikkelde in zijn leven onder andere compassie en toewijding voor mensen met psychose. Hij experimenteerde persoonlijk met exploratieve psychische belevingen vanuit de rede (gebruik van hallucinerende drugs) en keerde in ruime zin daartoe terug. Zijn twee bekendste werken zijn ‘Misérable miracle’ uit 1972 en ‘Les Grandes Épreuves de l’esprit et les innombrables petites’ uit 1966.

Michaux is vooral bekend om zijn esoterische romans en gedichten die zijn geschreven in een toegankelijke maar grillige en soms zenuwslopende stijl.  Zijn oeuvre omvat poëzie, reisverslagen en kunstkritiek.Tijdens zijn reizen door Azië maakte Michaux kennis met de oosterse cultuur en ontstond zijn interesse voor kalligrafie en zijn voorliefde voor Oost-Indische inkt. Om in beeld te brengen wat in taal onmogelijk te zeggen was, begon de dichter te schilderen.

In het literaire tijdschrift ‘Ad Interim’ uit 1949 verscheen het gedicht ‘ik ben gong’ (vertaling Koos Schuur) van Henri Michaux.

.

ik ben gong

.

In het lied van mijn gramschap is een ei,
En in dat ei zijn mijn moeder en vader en kinderen,
En in dat al is vreugde en verdriet gemengd en leven.
Grote stormen die mij bijstand gaven,
Zomerzon die mij gedwarsboomd heeft,
Er is haat in mij, sterk en van oude datum,
En wat de schoonheid aangaat ziet men later wel.
Ik ben inderdaad hard geworden slechts door schilvers;
Als men eens wist hoe mollig ik welbeschouwd bleef.
In ben gong en watten en sneeuwig lied,
Ik zeg dit en ik ben er zeker van.
.
.
                                                                                                        Zonder titel, 1960 (Museum Of Modern Art)

Liedjes

Dubbel-gedicht

.

Vandaag als dubbel-gedicht twee gedichten die het lied of de chanson als onderwerp hebben. De een is triest lied en de ander een slaapliedje.

Het eerste gedicht is ‘Chanson triste’ van Pierre Kemp (1886 – 1967) dat oorspronkelijk verscheen in het tijdschrift ‘Roeping’ uit 1955. Dit katholieke literaire tijdschrift werd opgericht in 1922, door dr. H. W. E. Moller. Moller was een letterkundige die de R.K. Leergangen in Tilburg had opgericht, voorloper van de Katholieke Universiteit Brabant.

Het tweede gedicht ‘Slaapliedje’ is van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) dat verscheen in ‘De Nieuwe Stem’ uit 1954, een tijdschrift met proza, non-fictie en poëzie, dat verscheen tussen 1946 en 1967. Beide gedichten werden opgenomen in ‘Erts’ een bloemlezing uit de poëzie van heden, samengesteld en ingeleid door Bert Voeten uit 1955.

.

Chanson triste

.

Daar ga ik weer met die trechter

vol sterren op mijn hoofd.
Vroeger liep ik veel rechter,
maar toen heb ik nog geloofd,
dat er bruiden konden komen
en die sterren nemen aan
voor hun sluier, doch die dromen
zijn nu wel verdaan.
Haast is niets meer mij gebleven,
als dit lichaam zonder geven
en ontvangen, bovendien

kunnen mijn ogen geen bruiden meer zien.

.

Slaapliedje

.

Of wij nu links of rechts zijn
wij gaan slapen
omdat wij moe zijn
 .
ook het koper der trompetten
alsof het goud was
van voor de ijstijd
 .
de stemmen van hoog tot laag
worden van twijfel vochtig rose
 .
de ogen voorspellen het einde
en slaan de nacht aan zichzelf
 .
de wereld staat eenzaam buiten
wij hebben veel mensen vermoord
om de mens met de mens te bewijzen –

.

Voordracht

Richard Minne

.

Hoewel ik een paar boekenkasten vol poëzie heb en dus alle mogelijkheid om van poëzie te genieten, mis ik toch iets. En dat iets is het in levende lijve aanschouwen en aanhoren van dichters die hun werk voordragen. Er gaat niets boven zelf voordragen en al helemaal niet als je op een podium staat met andere dichters. Zo heb ik bijvoorbeeld dit jaar de podia van Ongehoord! In Rotterdam en de Haarlemse dichtlijn enorm gemist. Op 1 dag met zoveel dichters en op verschillende podia voordrachten. Dat is waarlijk genieten.

En omdat het momenteel niet mogelijk is om zelf voor te dragen op een podium of om naar andere dichters te luisteren, heb ik als pleister op de wonde een gedicht opgezocht dat over de edele kunst van het voordragen gaat. Het is het gedicht ‘De voordracht’ van de dichter Richard Minne (1891 -1965).

Minne was een Vlaams dichter en prozaschrijver. Hij debuteerde in 1927 met de bundel ‘In den zoeten inval’. Zijn gedichten verschenen in allerlei literaire tijdschriften. Met name in de jaren dertig en vijftig werd veel van zijn werk gepubliceerd in tijdschriften als ‘De Gids’, ‘Forum’ en Nieuw Vlaams tijdschrift’. Het gedicht ‘De voordracht komt uit ‘In den zoeten inval’ dat in 1955 werd heruitgegeven.

.

De voordracht

.

Wie durft er cynisch te beweren

dat schoonheid geen gemeengoed is?

Vol dames is de zaal en heren

voor des dichters belijdenis.

.

Daar troont hij op het spreekgestoelte,

met zijn Zondagse kleren aan

(Door ’t open raam speelt de onweerszwoelte).

Een volk dat leest kan niet vergaan.

De dichter spreekt in keurge termen:

‘koopt boeken!’ Maar in zijn gemoed

is het alsof de vlammen zwermen.

Koopt boeken? ’t Is ook brandbaar goed.

.

Hong Kong

Albert Hagenaars

.

Met een naam die naar de hofstad verwijst en een gedicht dat de titel draagt van een stad waar de afgelopen jaren veel aan de hand was kom je vanzelf in mijn vakantiegedichten. Albert Hagenaars (1955) schrijver en dichter heeft als belangrijkste thema’s in zijn boeken reizen, interculturele relaties, vervreemding en identiteit. In zijn bundel ‘Drijfjacht’ De ongebundelde gedichten 1979 – 2004 uit het jaar 2005 bevat het gedicht ‘Hong Kong’ waarin het thema interculturele relaties als uitgangspunt dient voor het gedicht.

.

Hong Kong

.

voor Lai Lai Hui

.

Over het gladde water van de haven kringelt

de wierook uit de tempels die de stad haar naam gaf

en mij de roes in de vrouw die jij elke nacht werd.

.

In de tempel van Man Mo met haar begroeide

daken en versleten tegels gingen ze ooit door

de knieën: de soldaat en de koopman en de arts

.

maar nooit de dichter. Wij wachtten, jij en ik

en je moeder die volgens haar wetten over ons

heerste, wachtten tot het ene stokje uit de koker

.

zou vallen waarmee de priester onze toekomst

moest duiden maar ik wist het al; toen jij je benen

om de mijne klemde en trok. Er vielen er vier.

.

Cadeautje

Forough Farrokhzad

.

De Iraanse kunstenaar, documentairemaakster en dichter Forough Farrokhzad (1935 – 1967) was nog erg jong (15) toen ze naar de kunstacademie ging en al even jong toen ze trouwde (16) waarna ze ook alweer heel jong alleenstaand moeder werd (19). Farrokhzad ontwikkelde zich tot een rebelse dichter die de taal van de Iraanse poëzie vernieuwde en (mede daardoor) veel betekende voor de emancipatie van vrouwen. Ze overleed opnieuw erg jong als gevolg van een auto ongeluk. Na de Islamitische revolutie werd haar werk lange tijd verboden door het regime.

Ze debuteert met de dichtbundel ‘De gevangene’ (‘Asir’) (1955) waarin ze haar leven tot dan toe bespiegelt. Hierna volgen nog drie bundels in 1957 en 1958 en in 1964. Na haar dood wordt in 1968 postuum nog de bundel ‘Laten we geloven in het begin van het koude seizoen’ gepubliceerd.

Het gedicht ‘Cadeautje werd nooit gepubliceerd maar door dichter Amir Afrassiabi vertaald naar het Nederlands.

.

Cadeautje

.

ik spreek over de bodem van de nacht

ik spreek over de bodem van de duisternis

en de bodem van de nacht

.

als je bij mij thuis komt, vriend

breng mij een lichtje

en een raampje waardoor ik

naar de gelukkige drukte van de straat kan kijken

.

Glas

Voorbij de laatste stad

.

Van sommige dichtbundels heb ik meerdere exemplaren. Dat komt aan de ene kant doordat ze heruitgegeven worden met een totaal andere kaft of omdat ik ze cadeau krijg. De bundel ‘Voorbij de laatste stad’ van Gerrit Achterberg (1905 -1962) heb ik drie maal in mijn kast staan. Zowel een eerste druk uit 1955 als twee derde drukken uit 1962. Hoewel allebei als Ooievaar pocket uitgegeven prefereer ik de eerste druk met de geel/blauw/zwarte omslag. De achterflap van de derde druk is dan wel weer aardig, daar is een foto van Paul Rodenko (samensteller en inleider van deze bloemlezing) met Gerrit Achterberg afgedrukt. Twee heren in pak, met stropdas, de een een pijp in de hand (Rodenko) en de ander een sigaret (Achterberg).

De bundel ‘Voorbij de laatste stad’ staat vol prachtige, soms intellectuele en soms moeilijk te doorgronden poëzie (Achterberg werd tot een exponent van de Experimentele Poëzie gerekend die rond 1950 op kwam in Nederland) maar is altijd heel leesbaar. Zoals in het gedicht ‘Glas’

.

Glas

.

Ik ben van zoveel glas,

dat elke harde stem

een steen is en een barst.

Ik moet u spiegelen

zo breekbaar ver,

dat gij gaat wiegelen

voor ik u her-

over als ster,

en weer versmelt tot schuim en dras,

om in dit zingen op te gaan,

een zeepbel, groot; langzaam.

.

Poëzie hardop

Hans & Monique Hagen

.

Vorig jaar bracht het schrijvende en dichtende echtpaar Hans (1955) en Monique Hagen (1956) de leuke bundel ‘Poëzie hardop uit bij uitgeverij Querido. In deze bundel staan 35 columns met 95 gedichten van 65 dichters. Het leuke aan deze bundel is dat volwassenen en kinderen samen poëzie kunnen ontdekken.

Hun poëziecolumns verschenen eerder in het Parool en wat mij altijd weer opvalt is met hoeveel enthousiasme en humor Hans en Monique hun boeken en bundels schrijven. Je voelt bij het lezen dat ook zij er veel plezier in hebben en compassie voelen bij, in dit geval, in het bij elkaar zoeken van gedichten, dichters en het verhaal dat erbij wordt verteld.

Een mooi voorbeeld vind ik het verhaal, of de column, over een gedicht van Leo Vroman getiteld ‘Al het nodige’. Leo Vroman was een vluchteling in de Tweede Wereldoorlog, hij kwam terecht in een Jappenkamp maar overleefde de oorlog. Hij werd uiteindelijk 98 jaar oud en in het gedicht ‘Al het nodige’ verteld hij zijn vrouw Tineke dat ze niet bang hoeft te zijn als hij er niet meer is.

.

Al het nodige

,

Zie je langs een lege straat

een beweging in het gras

waar geen uitleg voor bestaat

neem dan aan dat ik het was:

.

hoor je midden in de nacht

iets wapperen dat niet wapperen kan,

schrik eerst en vertel mij dan

wat ik zo tot wapperen bracht:

.

mijn hese woorden in de wind,

mijn handen op je lieve hoofd

dat in wonderen gelooft,

geloof maar wat je nodig vindt.

.

 

Hoe de stemming er in te houden

20 jaar Paard

.

Je kan je de verrassing, die zich meester van mij maakte, voorstellen toen ik in een kringloopwinkel in Drouwenerveen de bundel ’20 jaar Paard’ literaire bundel tegen kwam. In al de jaren dat ik in Den Haag kringloopwinkels bezoek en daar naar poëziebundel speur was ik deze bundel nimmer tegen gekomen. Sterker nog, ik wist van het bestaan niet af. In 1992 werd deze bundel uitgegeven ter gelegenheid van het 20 jarig bestaan van Cultureel Centrum ’t Paard en samengesteld door Adriaan Bontebal, Erik Lindner en Marianne Kukler.

Nu is het op zichzelf niet heel bijzonder dat er een literaire bundel wordt uitgegeven door ’t Paard, deze Haagse poptempel heeft een lange geschiedenis van literaire activiteiten (denk aan ‘Puur Gelul’). Het is dan ook niet verwonderlijk dat er grote en bekende namen hebben bijgedragen aan deze bundel zoals Joost Zwagerman, Carla Bogaards, Alfred Birney, Frank Starik, Ingmar Heytze en Jan Rot. Maar ook Haagse namen als Bart Chabot, Boozy en A. Moonen en er is zelfs een bijdrage van Allen Ginsberg opgenomen.

Ik heb uit al deze namen die van Arthur Lava gekozen. Arthur Lava, (1955) is het pseudoniem van Howard Krol, Arthur naar Rimbaud. Hij was in 1988 één van de initiatiefnemers van de groep dichters die zichzelf de Maximalen noemden, naar hun eerste bundel.  Deze dichters, streefden naar een soort poëzie waarin meer straatrumoer zou doorklinken. Zij keerden zich tegen de verstilde, ingekeerde en autonome poëzie van veel van hun voorgangers en eisten daarentegen een poëzie van het volle en eigentijdse leven. De Franse dichter Arthur Rimbaud was voor de meeste Maximalen het grote voorbeeld.

.

Hoe de stemming er in te houden

.

Hé bermtoerist

langs de uitvalsweg van je verlangens.

.

Hé vaandelzwaaier

op de afslag Wanhoop-Noord.

.

Laat je toch niet verneuken man,

je hoofd is echt geen voddenkraam

vol halfvergane geestdrift.

Wie heeft je dat ooit wijsgemaakt?

.

Kom op, de vlegeljaren zijn

nog altijd op de pof.

Vannacht gaan we de kroegen af

en maken zelfbedrog het hof.

.

Naar men zegt

Ellen Warmond

.

Het is de eerste kerstdag en daarom wilde ik een toepasselijk gedicht plaatsen. Omdat ik niet in de val wilde trappen van een ‘traditioneel’ gedicht over Kerstmis maar eerder een gedicht zocht dat de geest van Kerstmis zou weergeven, ben ik bij het gedicht ‘Naar men zegt’ van Ellen Warmond uitgekomen. Het gedicht komt uit de bundel ‘Erts’ een bloemlezing uit de poëzie van heden uit 1955.

.

Naar men zegt

.

Naar men zegt is dit

het leven der wijzen:

.

niet meer bewegen stilstaan als een berg

zeer ouderwets liefdesbrieven lezen

een kerkboek copiëren zonder lachen

bij willekeurige voorbijgangers

naar hun gezondheid informeren

.

1 boek bezitten met het alfabet

letter voor letter op een ander blad geschreven

daar lang in lezen

dan tevreden als een varen

het lichaam samenvouwen

en gaan slapen.

.

%d bloggers liken dit: