Site-archief

Festival of Britain

Poems 1951

.

In 1949 werd door de Arts Council of Great Britain samen met de Festival of Britain een poëziewedstrijd bedacht die open stond voor alle inwoners van the commonwealth (of het Gemenebest van Naties; is een vrijwillige verbintenis tussen 52 onafhankelijke soevereine staten, met de Britse koningin Elizabeth II als symbolisch hoofd).

Meer dan 1000 lange en nog eens 1000 korte gedichten werden ingezonden om mee te dingen naar de prijzen die in de lente van 1951 bekend zouden worden gemaakt. De jury deelden prijzen uit aan drie lange gedichten en vijf groepen korte gedichten. Opvallend was dat een groot deel van de winnende gedichten destijds van nog onbekende dichters was.

Penguin heeft samen met de organisatoren alle winnende gedichten samen gebracht in een Penguin pocket. Omdat de poëzie al meer dan een halve eeuw oud is is het taalgebruik soms nog wat archaïsch maar ik heb een gedicht uitgezocht van Clive Sansom dat goed leesbaar is getiteld ‘A child’.

Clive Sansom (1910 – 1981) was een in Engeland geboren, Tasmaanse dichter. Als dichter was Sansom vooral bekend om zijn voordrachten en zijn poëzie voor kinderen. Als dichter is hij bekend in het hele Engelse taalgebied en naast poëzie schreef hij ook toneelstukken.

.

A child

.

‘Let them come without hindrance:

The kindom is theirs,

Be with them and of them,

In your haerts and your prayers.

For freely they enter,

Unafraid, unawares….’

.

Like poems his talk was:

The words that he said

Were strung in the sunlight

Like pearls on a thread –

My face by his girdle,

His hand on my head

.

Advertenties

Maan

Nes Tergast

.

De Haagse Nes Tergast (1896 – 1974) was makelaar, dichter en kunstcriticus. Zijn echte naam was Albert Ernest Bruno Johannes en hij werd geboren in Java. Onder het pseudoniem Bruno van Nes werkte hij aanvankelijk met poëzie mee aan ‘Werk’ (1939). In 1940 verscheen de bundel ‘Glas en schaduw’, samengesteld uit de poëzie voor ‘Werk’ en het tijdschrift ‘Criterium’. Pas geruime tijd na de tweede wereldoorlog verscheen opnieuw poëzie in de bundel ‘Het moederland’ (1949), waarin zijn geboorteland Indonesië een belangrijke evocatieve rol speelt. Daarna volgden nog twee bundels gedichten: ‘Deliria’ (1951) en ‘Werelden’ (1953). De hem voor deze poëzie toegekende Jan Campertprijs 1955 weigerde hij. (Bron: DBNL.org).

De poëzie van Tergast kun je modern noemen zowel qua inhoud als qua vormgeving. Zijn werk sluit aan bij dichters als René Char, Prévert en Cummings. Onderstaand gedicht ‘Maan’ verscheen in Maatstaf.

.

Maan

.

Lach in de torens van mijn bloed

De weerhaken van je topazen rust

.

Zing de staalblauwe speren van je huid

In het weerbarstig huis van mijn gedachten

.

Ruk de vier windstreken van mijn verlangen

Met het stilet van je gebaar aan flarden

.

Dans in mijn ogen die op slapen staan

Nog enkele flitsen uit het ingewand

Van het hiernamaals over

.

O maan maanzieke maan

Die in de spiegel naast mij slaapt

Die achter in mijn dromen naast mij slaapt.

.

maan

 

 

Dichter van de maand September

Jean Pierre Rawie

.

Als dichter van de maand september heb ik gekozen voor Jean Pierre Rawie (1951). In de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw verkocht hij oplagen van dichtbundels waar romanschrijvers jaloers op zouden zijn. Dit was een zeer vruchtbare schrijfperiode voor hem. Uit deze tijd stamt ook de bundel ‘Intensive care’ waaruit het gedicht van vandaag komt (1982).

Rawie is een geboren Scheveninger (en als inwoner van stadsdeel Scheveningen heb je bij mij dan toch een streepje voor) maar groeide op in Groningen. Rawie is door twee dingen bekend; door zijn flamboyante levensstijl en zijn dandyachtige uiterlijk en door zijn werk dat in vaste versvormen is geschreven (sonnetten, rondelen). Ook het gedicht ‘No second Troy’ is hier een mooi voorbeeld van, in dit geval een sonnet.

De komende weken op zondag dus gedichten van deze dichter als dichter van de maand.

 

No Second Troy

Ik heb een vrouw bemind, die best
een tweede Troje zou verdienen,
en die door drank en heroïne
onder mijn ogen werd verpest.

Tot ziekbed kromp het liefdesnest,
en ik zou zachtjes willen grienen,
omdat alleen dit clandestiene
sonnetje van ons tweeën rest.

Zo’n veertien regeltjes waarmee je
een tipje van de sluier licht,
wat zout om in de wond te wrijven.

Wat zijn dat toch voor waanideeën,
Dat je, verdomd, in een gedicht
‘de dingen van je af kunt schrijven’?
.

IC

rawi001_p01

De vertraging

Remco Campert

.

Een dagje later dan normaal de Dichter van de maand juni; Remco Campert. Ik heb dit keer gekozen voor een gedicht uit zijn bundel ‘Vogels vliegen toch’ uit 1951. Goed beschouwd is dit zijn debuutbundel al gaf hij in 1950 ‘Ten lessons with Timothy’ uit dat hij in Parijs aan de man probeerde te brengen.

.

De vertraging

.

naar de vertraging der vlakten

verlang ik, naar het gras der rust,

naar wolken van eenzaam varen

en de wattenwind der zuiverheid,

naar de lommerdorpen van ontspanning

en pastorieën der voltooide liefde

.

Vogels

Ik, schaduw

Simon Vinkenoog

.

Als dichter, schrijver maar vooral als voordrachtskunstenaar was Simon Vinkenoog (1928 – 2009) een fenomeen. Op 21-jarige leeftijd begon hij het Nederlandse literaire blad ‘Blurb’ waarvan 8 edities verschenen in 1950-1951. De titel verklaarde hij als volgt: “Wij geloven niet meer in het vinden van scabreuze woorden in nog niet bestaande woordenboeken en wij hebben dus gekozen: blurb. Waarvan één betekenis gebrabbel is”.  Op 1 juni 1951 verscheen het achtste en laatste nummer met de woorden: “Laten we het mooi houden, er vooral geen literatuur van maken”. Dit kenschetst Simon Vinkenoog als geen ander. In 1961 begon hij het blad ‘Randstad’ en in 1964 het magazine ‘Kunst van nu’.

In 1950 debuteerde hij met de bundel ‘Wondkoorts’ en hij schreef in zijn leven meer dan 50 publicaties waarvan één van de bekendste toch wel ‘Atonaal’ uit 1951 is, het publieke manifest van de Vijftigers.

.

Uit de bundel ‘Spiegelschrift, gebruikslyriek’ uit ‘Vier gedichten tegen dood door angst’ het gedicht ‘Ik, schaduw’.

.

Ik, schaduw

.

Een ander ben ik,

gestoken in mijn kleren,

die met mijn naam wordt aangesproken.

.

Hij woont in hetzelfde huis als ik,

wij slapen met dezelfde vrouw

en lezen tezelfdertijd dezelfde boeken.

.

’s Morgens wordt hij in mij wakker,

staat met mij op, wast zich en scheert mij,

wij nemen samen afscheid, lopen samen door de straten.

.

Hij werkt, hij denkt, hij eet voor mij,

uit mijn mond komen ook zijn woorden.

Soms overvalt hij hersenschuddend mij

en grijpt de kans aan, in mij rond te moorden.

.

Ik haat hem; hij verraadt mijn geheimen.

Wat ik niet zeggen wil

schreeuwt hij voluit van de daken.

.

Ik weet niet meer wie ik ben,

ik weet niet waar hij mij zal leiden,

maar als ik niet meer leef

neem dan gerust zijn handschrift voor het mijne.

.

SV

Foto: Manuel van Loggem (Nederlands Fotomuseum)

De Gids

Internationale poëzie

.

Voor 50 luttele centen kocht ik in Hengelo in een kringloopwinkel een exemplaar van De Gids uit 1994, deel 11/12. Dit deel heeft Internationale Poëzie als onderwerp. Dichters als John Ashbery, Michael Ondaatje, Anne Duden, Peter Handke en Olga Sedakova ( en nog 20 dichters) zijn in dit deel vertegenwoordigd met gedichten. Bijna 150 pagina’s leesplezier.

Ik heb gekozen voor een gedicht van Bruno K. Öijer (1951). Ik kende deze Zweedse dichter niet dus even opgezocht voor iedereen die hem ook niet kende. Öijer is in Zweden een bekend dichter. Hij debuteerde in 1973 met ‘Sång för anarkismenof ‘Lied voor het anarchisme’. Öijer is waarschijnlijk het bekendst door zijn performances op het toneel. In de jaren ’70 was hij lid van de poëziegroep ‘Vesuvius’.

Hij ontving in Zweden verschillende literaire prijzen. Uit De Gids het gedicht ‘We leggen de zwarte puzzel’ vertaald door Hans Kloos.

.

We leggen de zwarte puzzel

.

ik kwam aan de macht

ik zo groen wordt blauw gespeld

en de avond is lang

wanneer deze richt op zijn slaap

.

tapkasten

dolken van neon

ik hoor bestelde liefde afzeggen

en jij woont donker, donkerder dan je denkt

je hart slaat je

.

ik weet nog toen ik moest

de boom was hoger dan hoog

zieken trokken strootjes

om wie het land moest gaan genezen

.

je weet waar het om gaat

ik heb mijn naam gezadeld

ik rijd een gewond dier

en er zijn geen regels

wanneer wij de zwarte puzzel leggen

.

ik zag wie je bent

de ruimte spant een koude haan

de lappenpop tuurt met ogen die ontbreken

en pas in onze slaap nemen wij elkaar

ik weet dat je hebt geroeid

het overgrote deel van elke nacht

tot je eindelijk voorbij alle hulp was verzeild

.

Öijen

De Gids

Kees Stip

Op een…

.

Kees Stip (1913 – 2001) was een Nederlands puntdichter en beroemd vanwege zijn dierengedichten. Vanaf 1951 schreef hij onder het pseudoniem Trijntje Fop honderden dierenversjes voor de Volkskrant.

Deze dierenversjes zijn bijzonder vormvast. Er wordt nooit met het metrum gesmokkeld: de versregels hebben zonder uitzondering vier heffingen. Het rijmschema is zonder uitzondering AABBCC (het zogenaamde gepaard rijm). Net als in een limerick wordt meestal ergens in het vers, vaak in de eerste regel, een plaatsnaam genoemd. De meeste van zijn dierenversjes bestaan uit zes regels; af en toe zijn het er acht en bij uitzondering een nog hoger even aantal. Er bestaat er ook een van twee regels. Af en toe bevatten de laatste regels een ouderwets geformuleerde pseudo-wijze les voor kinderen.

.

Op een kip

.

Een kip sprak peinzend tot een ei:

‘Wie was er eerder: ik of jij?

De wijsbegeerte mag misschien

op deze vraag geen antwoord zien,

maar ik heb, wat men ook mag zeggen,

nog nooit een ei een kip zien leggen.’

.

Op een koe

.

Een koe te Moskou sprak: ‘een koebel

kost amper anderhalve roebel.

en weet je wat ik heb ontdekt?

Een aardig klokkenspeleffect

bereikt men door met drie bellen

geweldig te gaan wiebelen.’

.

koekip

Met dank aan Wikipedia.

Kringloop

Jean Pierre Rawie

.

Regelmatig bezoek ik kringloopwinkels op zoek naar poëziebundeltjes. In de loop der tijd heb ik al heel wat aardige uitgaven voor weinig op de kop getikt in verschillende kringloopwinkels in Nederland en Vlaanderen. Toen ik langs een gedicht van Jean Pierre Rawie (1951) met als titel ‘Kringloop’ kwam was mijn nieuwsgierigheid meteen gewekt.

Het blijkt hier echter om een andere vorm van kringloop te gaan. Desalniettemin deel ik dit gedicht van deze bijzondere dichter graag met jullie. Uit de bundel ‘Oude gedichten’ uit 1993 het gedicht ‘Kringloop’.

.

Kringloop

.

Wij hebben ook vannacht weer niet geslapen,
wij hadden wel wat anders aan ons hoofd:
we leken even voor elkaar geschapen,
en alle leugens werden weer geloofd.

Toch hebben we zeer van elkaar gehouden,
het is gekomen als het is gegaan;
verder blijft alles altijd bij het oude:
de Moor kan gaan hij heeft zijn plicht gedaan.

Er stonden ’s morgens mannen in de bomen
en zaagden zinvol in de takken rond.
Ik ben gegaan zoals ik ben gekomen,
maar met de smaak van sterven in mijn mond.

.

Jean-Pierre-Rawie-e1422355828329

Regenboog

Hiroshi Kawasaki

.

Kawasaki (1930-2004) was kort na de oorlog bouwvakker, klusjesman en kantoorbediende. Vanaf 1951 verschijnen gedichten  van zijn hand in tijdschriften. Hij was één van de oprichters van het literaire tijdschrift Kai (1953). Hij debuteerde met zijn bundel ‘Hakucho’ (Zwaan) in 1955 en schreef daarna vele dichtbundels, luisterteksten, kinderboeken en essays. In 1980 nam hij deel aan Poetry International en in de bundel ‘Honderd dichters uit vijftien jaar Poetry International 1970 – 1985’ zijn twee gedichten van hem opgenomen in vertaling van Noriko en Pim de Vroomen. Hier het gedicht ‘Regenboog’.

.

Regenboog

.

Verstrooid stond ik stil in het gras.

‘Jullie twee daar, gaan jullie trouwen?

hoorde ik zeggen.

Ik antwoordde: ‘Ja!’

‘Welnu, als dat het geval is’ – met die woorden

verscheen er een prachtige regenboog.

.

Kawasaki

Regenboog

 

De muze op zee

Een bloemlezing

.

De inleiding van de bloemlezing ‘De muze op zee’ begint met de zin: Wij zijn een zeevarend volk. Het is dan ook niet vreemd dat er een bundel met ‘zeegedichten’ is samengesteld. Adriaan Morriën heeft deze bloemlezing met Nederlandse dichters met gedichten over de zee samengesteld ter gelegenheid van de Boekenweek 1951. Eigenlijk is het een Boekenweek uitgave voor jonge mensen, zoals op de titelpagina  staat te lezen. Uitgegeven door de commissie voor de propaganda van het Nederlandse boek, de voorganger van de huidige CPNB, de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels.

Hij eindigt zijn inleiding net de woorden; ‘Moge deze bloemlezing niet alleen de vaderlandse liefde tot de zee, maar ook de, ik zou bijna zeggen, onvaderlandse liefde tot de poëzie aanwakkeren.’

Een mooi en nobel streven. Ik weet niet of dit destijds gelukt is maar deze bloemlezing staat vol prachtige poëzie van onbekende dichters tot de groten uit ons taalgebied als Slauerhoff, Vasalis, Greshoff en Marsman. Aangevuld met fijne illustraties in zwart/wit van de hand van Fons Montens.

Een keuze maken uit zoveel mooie gedichten is niet eenvoudig dus heb ik gekozen voor twee gedichten uit deze bloemlezing, een van Achterberg en een van J.B. Charles.

.

Marsman

.

Juli 1940

Misschien dat eens de parelvisschers van Bizet hem vinden,

zooals hij neerligt op den bodem van den Oceaan

met centenaren water boven zich. Hij ziet de booten gaan

van Duitschland, engeland, Amerika en Insulinde

binnen zijn oogen als het ware; tot het jongst gericht.

.

Dan zullen wij hem op de waterheuvelen zien staan,

zeggend tegen de hoogste sterren dood’s diepzeegedicht

.

G. Achterberg

.

Een suite van de zee

.

De groene zee is mijn vriendin,

ik rust bij haar en speel er in,

en voor mijn onbevreesde voeten, geplant

op de verste vaste rand,

dit brosse gele suikerzand van ’t strand,

spoelt zij ze aan, de lieflijke geschenken

waarvan de zilte geur aan haar doet denken,

aan haar en aan zoveel in haar besloten dingen:

het wier, een Spaanse fles en schelpen

waarin de meermin en de eeuwigheid

tweestemmig zingen.

.

J.B. Charles

.

Muze op zee

Fons Montens

 

%d bloggers liken dit: