Site-archief

Louter droefheid

Karel Bralleput

.

Simon Carmiggelt (1913 – 1987) is als schrijver en columnist natuurlijk heel bekend. Zijn Cursiefjes op televisie zijn legendarisch. Als dichter schreef hij aanvankelijk onder het pseudoniem Karel Bralleput. Drie gedichtenbundels zijn er verschenen van Karel Bralleput, te weten ‘Het jammerhout’ (1948), ‘Al mijn gal’ (1954) en ‘Fabriekswater’ 1956). Later werden deze titels allemaal samen gebracht in een verzamelbundel met de echte Carmiggelttitel ‘Torren aan de lijm’. De keuze voor het pseudoniem zegt iets over de manier waarop Carmiggelt aankeek tegen het dichtersvak. Vanuit de diepte van een put komen geluiden met veel eigenwaan.

Rijm en strak metrum zijn de twee hoofdingrediënten in het werk van de dichter Carmiggelt. Het zijn ambachtelijke gedichten met een ironische ondertoon. Zoals in het gedicht ‘Louter Droefheid’ uit de bundel ‘het jammerhout’ waarin viervoetige jamben, omarmend rijm (abba), aan het einde een klein enjambementje: ‘te kijk / in ‘Gouden aren’ (…).

.

Louter droefheid

.

Ik voel mij somber. Ei, wat zal ik doen?
Een platte geest dronk nu een glaasje.
Maar ik ben een poëtisch baasje
en ga mijn weemoed in een versje doen.

.

Dat is het voordeel van mijn gave.
De burger kan zijn ei niet kwijt,
terwijl ik, rustig, mijn neerslachtigheid
gelijk een paardje voor mijn kar laat draven.

.

Is het volbracht, dan ben ik opgelucht.
‘k Heb schoonheid uit mijn pijn gewrongen.
Mijn lieve pen heeft mooi gezongen.
Ik stap in bed. Ik geeuw en zucht.

.

En staan mijn versjes later soms te kijk
in ‘Gouden aren’ of in ‘Dichterschat’,
dan zegt de leraar bij deez’ pennenspat
‘Kijk jongens, hier had hij het moejelijk.’

.

Henny Vrienten

Tussen de regels

.

Afgelopen week overleed bassist, zanger, liedjesschrijver en poëzieliefhebber Henny Vrienten (1948-2022). Jarenlang (nog van voor hun doorbraak met ’32 jaar (sinds een dag of 2)’ was ik al fan van Doe Maar. Pas toen hele volksstammen zich als fan melden haakte ik langzaam af.

In 2019 verscheen de solo-cd van Henny Vrienten, ‘Tussen De Regels’. Het is het derde deel uit een drieluik. De eerste twee delen verschenen in 2014 en 2015. De drie platen uit het drieluik vertellen hun eigen verhaal. Bij de Taalstaat op radio 1 hoorde ik het titelnummer  van ‘Tussen de regels’ en wist toen dat ik dit nummer hier in tekst wilde plaatsen, de taalvaardigheid van Henny Vrienten komt hier prachtig in naar voren.

.

Tussen de regels

.

Ik zwijg want alles is gezegd
Ik schrijf het liever op
En stop het in de la van later
En als jij dit later leest
Dan vind je nog het meest
Tussen de regels

Tussen de regels staat precies wat ik bedoel
Tussen de regels lees je mijn gevoel
Achter de woorden zie je staan: het is gedaan

Alles is niet wat het lijkt
Dus als je beter kijkt
Zet ik mezelf te kijk
Tussen de regels
Zie je er staat niet wat er staat
Maar dat waar het om gaat
Tussen de regels

Tussen de regels staat precies wat ik bedoel
Tussen de regels lees je mijn gevoel
Achter de woorden zie je staan: het is gedaan

En dan denk ik weer aan die allereerste keer
Het eerste hoofdstuk van een triest verhaal

Tussen de regels staat precies wat ik bedoel
Tussen de regels lees je mijn gevoel
Achter de woorden het besluit: dit boek is uit

Later als je dit dan leest
Mis ik je nog het meest
Tussen de regels

.

The day after

Frank Eerhart

.

Op de dag na Koningsdag wilde ik nog een keer aandacht besteden aan de Plint poëziekalender. Het betreft hier weliswaar de editie van 2021 maar Plint heeft ook dit jaar weer een poëziekalender uitgebracht. Op 28 april 2021 staat er een liefdesgedicht van dichter Frank Eerhart (1948). Het betreft hier het gedicht ‘schuilplaats’ dat komt uit zijn bundel ‘veldwerk’ die hij in 2017 in eigen beheer uitgaf. Eerhart richtte tijdens zijn docentschap Nederlandse taal- en Letterkunde in 1979 stichting Plint op.

.

schuilplaats

.

wat uit het zicht is

kan terugkeren of

worden teruggehaald

door wie het gaan liet

.

wat verborgen is

kan worden gevonden

door wie het bezit of

bij toeval door een ander

.

zo schuilt liefde soms

wachtend tot iemand haar

vangt in zijn greep of

vindt in een vlaag.

 

 

Zwaanzang

Anneke Brassinga over Lucebert

.

In de categorie dichters over dichters, vandaag het gedicht ‘Zwaanzang voor Lucebert’ dat Anneke Brassinga schreef. In de bundel ‘Huisraad’ uit 1998. Anneke Brassinga (1948) debuteerde als dichter in 1987 maar had toen al verschillende dichtbundels vertaald (zoals ‘Ariel’ van Sylvia Plath). Ze debuteerde met de bundel ‘Aurora’ waarna nog verschillende bundels zouden volgen. Brassinga heeft verschillende literaire prijzen op haar naam staan, zo kreeg ze onder andere de Herman Gorterprijs, de Paul Snoekprijs, de Ida Gerhardt Poëzieprijs, de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooft-prijs.

In haar bundel ‘Huisraad’ staat het gedicht van vandaag, ‘Zwaanzang voor Lucebert’ dat op het eerste oog misschien wat raadselachtig klinkt maar als je weet dat de motieven in deze bundel allusies (toespelingen of zinsspelingen) zijn op andere literatuur (die van Lucebert in dit geval), natuurbeelden, de interesse in woordconstructies en ironie om de eigen persoon op afstand te houden, dan krijgt dit gedicht al meer betekenis.

.

Zwaanzang voor Lucebert

.

Ons gevederd vriendje kan niet meer fietsen

wij voeren een leeg rijwiel mee aan de hand-

van ons kanarie zijn de pootjes afgeknipt

door een vroegoud kind met tuinschaar dat hem

op de roltrap naar den hoge heeft gepleurd

vanuit de broeihoop, bijenkast, vliegengodkast.

.

Onder het negenenzestigen is hij verrast.

Laat ons hopen dat hij zich volledig heeft gebeft

aan de wijbeense zwerk en de eenvouds verlichte

klatering hem nu ontsluit als veren een zwaan

in het buitendijks onvertogene. Van tedere woede

zijn wij beroofd.

.

Brassinga en Whitman

Dichter over dichter

.

In de bundel ´Het wederkerige´ uit 2014 schrijft dichter Anneke Brassinga (1948) een aantal gedichten over andere dichters. Zo wijdt ze gedichten aan de Franse dichter Stéphane Mallarmé  (1842 – 1898), de Amerikaanse dichter T.S. Eliot (1888 – 1965) en aan de Amerikaanse dichter Walt Whitman (1819 – 1892) steeds met een titel die begint met ‘ Denkend aan’ .

Zo luidt het gedicht dat ze over Walt Whitman schrijft ‘ Denkend aan Walt Whitman ontplof ik’. Een titel die nieuwsgierig maakt. Daarom hier het gedicht.

.

Denkend aan Walt Whitman ontplof ik

.

‘Zuiver en lieflijk is mijn ziel… zuiver en lieflijk

al wat niet mijn ziel is.’  Berovingen, slachtpartijen,

bommen; monstrueus van nostalgie, zou ik woudreus

Whitman willen zijn – een wezen dat zich samen weet

te vouwen tot dit ene gouden blad op straat, waar

naderende bladblazers razen. Hoe lieflijk onbestaand

klaart zuiverheid zich op, nu glorie naar mij over-

buigt, vermorzelend: omhelzing die geen weemoed kent.

.

Eik

Anneke Brassinga

.

In mijn tuin staan twee enorme eikenbomen. Of eigenlijk staat 1 in mijn tuin en 1 in de tuin van de buurman. Maar hun eikels en bladeren die ze in deze herfst afschudden zorgen ervoor dat ik een hele dag bezig ben met het ruimen van bladeren, takken en eikels om het pad en de directe omgeving een beetje bereikbaar te houden. Dichter Anneke Brassinga (1948) heeft in haar bundel ‘Het wederkerige’ uit 2014 een mooi gedicht gepubliceerd over de Eik. Toen ik dat gedicht las wist ik meteen dat ik dat hier wilde plaatsen in dit seizoen waar ik, maar jullie ongetwijfeld ook, genieten van de prachtige kleuren en af en toe zuchten onder de enorme hoeveelheid bladeren die deze majestueuze bomen laten vallen in de herfst.

.

Eik

.

Stug loof uit kromme takken barstend, quercus robur,

wát u zegt! – meer heb ik niet te geef behalve schaduw,

als wolkendek ontbreekt. Dus hou uw mond,

.

tenzij u eikels vreten wou; ze vallen

straks na eerste kou. Mijn jas? Ik zou beschaamd zijn

u zo ruig doorgroeid te zien, vol mos.

.

En blijf ook af van al dat tere schemerweefsel

ondergronds, het treurt nog om Dodona

waar ik op rotsen stond en ruisend met mijn

.

doorwaaid blad uw god het woord gaf.

Licht was daar lavend vuur. Wat komt is duister:

ik voorspel mijzelf een stomme boom in windstille

.

verstuiving.

.

 

Jaargetijden

Dubbel-gedicht

.

Van Juliana kreeg ik een doos met dichtbundels van haar opa en oma Cor en Juul Nobel. Bundels uit de jaren ’30, ’40 en ’50 met een paar hele mooie titels (daarover later zeker meer). Lezend in de bundels kwam ik op het idee van een dubbel-gedicht.

In ‘Het zilveren boek van de W.B.-Vereniging’ uitgegeven ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan der Wereldbibliotheekvereniging in 1950 las ik het gedicht van Mies Bouhuys (1927 – 2008) ‘Winter’. Ze schreef dit gedicht op jonge leeftijd dat waarschijnlijk ( ik heb het niet kunnen ontdekken in de bundel) is genomen uit haar debuutbundel. Zij debuteerde in 1948 bij D.A. Daamen’s Uitgeversmaatschappij met de gedichtenbundel ‘Ariadne op Naxos’, waarvoor zij de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving.

Het andere gedicht las ik in ‘Dichters van deze tijd’ uit 1941. Hier betreft het het gedicht ‘Najaar’ van de dichter N.E.M. Pareau. Dit gedicht verscheen oorspronkelijk in De Gids in 1941. N.E.M. Pareau is het pseudoniem van Herman Jan Scheltema (1906 – 1981) een jurist en een Nederlandse hoogleraar rechtsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen van 1945 tot 1977 en tevens schrijver/dichter.

.

Winter

.

Vogel, nu het bos verdorde

om uw zomernachtverblijf,

is de wereld klein geworden,

kleiner dan uw eigen lijf.

.

En de ander lokt geen fluiten

meer naar ’t nest o middelpunt;

enkel leegte ligt daarbuiten,

tot op het eigen hart gedund.

.

En gij lokt nog, maar al zachter,

uit een keel, die angst voorspelt,

en een vogelstrik kan achter

iedre stam zijn opgesteld.

.

Stilte hangt tussen de bomen

en uw vleugels zijn verstard,

nu de lege dagen komen

en het sneeuwt over uw hart.

.

Najaar

.

Nu gagel bruint en thijm en heidebloemen

gekruide geuren stuwen in het laat getijd’,

nu blinde bijen in het zonlicht zoemen

en ’t kouter door de stoppelvelden snijdt,

.

praat nu niet over ergerlijke dingen

maar ziet in ’t bloemrijk bermgras zittend naar

den dans der barrevoetse dorpelingen

met eikenloof gewonden in het hair.

.

De oogst gaat uit. Twee maal de zeisen zwaaiden

door ’t zware gras. De graanschuur beidt zijn last.

Bergt met getaande landlieden ’t gemaaide

op ’t stoffig veld in garven opgetast;

komt dan als nachtegalenzangen klinken

krachtigen wijn uit tinnen kroezen drinken.

.

Lévi Weemoedt

Jesaja II, vers 6

.

Vandaag een vrolijk stemmend vakantiegedicht van de meester van het korte vers met glimlach Lévi Weemoedt (1948). Uit zijn bundel ‘Rijk verleden’ uit 1999 het gedicht ‘Jesaja II, vers 6’.

.

Jesaja II, vers 6

.

’t Wordt eind’lijk rustig, zo’k vernam,

in ’t Vrederijk van onze Heer:

.

o, daar verkeert de wolf bij ’t lam,

de panter ligt bij ’t bokje neer,

de leeuw en ’t muisje spelen dam,

de bij rijdt paardje op een beer!

.

En slechts mijn buren, ’t echtpaar Stam,

gaan krijsend tegen elkaar tekeer.

.

De actrice

Simon Carmiggelt

.

Vele wat oudere mensen zullen schrijver en journalist Simon Carmiggelt (1913 – 1987) kennen als de schrijver van Kronkels. Een groot aantal van hen zal ook weten dat Carmiggelt actief was als dichter. Eerst onder het pseudoniem Karel Bralleput en later onder zijn eigen naam. Uit de bundel ‘Het jammerhout’ dat voor het eerst werd gepubliceerd in 1948 komt het gedicht ‘De puber’.

.

De puber

.

Ik ben verliefder dan ik zeg.

Als onheil drukt het op mijn maag.

Ik kus haar – ja, dat doe ik graag.

Maar eig’lijk wil ik ook wel weg.

.

Want geurig is de eenzaamheid.

O – ’s avonds zwerven in haar straat

en vrezen dat ze met een ander gaat…

Als ‘k aanbel, sterft die heerlijkheid.

.

Soms is er twist, omdat ze zei:

‘Vandaag heb ‘k niet aan je gedacht.’

Wrange confessie! Een doorwaakte nacht

scheidt ons van de verzoeningshuilpartij.

.

Daat staat Oom Karel. Hij lacht zuur

en zegt: ‘die kinderen zijn gek.

Capitulantje met je varkensnek,

hoed af – dit is de liefde puur.

.

Kraantje lek

Lévi Weemoedt

.

Lévi Weemoedt (1948) is zo’n dichter waar je altijd, wanneer je zijn poëzie leest, blij van wordt. Ik toch in ieder geval. Op zichzelf is dat verwondelrijk want de gedichten van L’evi zijn zelden opgewekt of optimistisch van aard. Kijk bijvoorbeeld eens naar zijn bundel ‘Geduldig lijden’ een uitgave in de serie ‘Grote lijsters’ uit 2000. Vrijwel alleen maar treurnis en ellende en toch, wanneer ik het lees is een glimlach of lach nooit ver weg.

In het gedicht ‘Kraantje lek’ bijvoorbeeld waarin Weemoedt terugkijkt naar zijn jeugd en waaruit al blijkt dat het op jonge leeftijd al zo gesteld was met hem. Eigenlijk is Lévi Weemoedt in zijn eentje verantwoordelijk voor een heel eigen stroming binnen de Light verse, de ‘Niet zo light verse’.

.

Kraantje lek

.

‘k Was dertien als de eerste grijze haren

door ’t korte kuifje braken: moeder in paniek!

Wat was er in haar broekeman gevaren!

‘Wat heb je dan gegeten? Ben je ziek?

.

Ach moedertje! met vijf was ik volwassen.

Zat op mijn tiende volop in de overgang.

‘k Had vrouw en kinderen verloren; wist allang

niet meer waarop ik nog moest vlassen.

.

En slechts om ú en vaatje niet te schokken

bleef ik het ventje dat zo vrolijk in zijn blokken-

doos en spoortrein op kon gaan.

.

Maar ik proefde al de pit van het bestaan!

En daarom rolde er achter moeders rokken

uit ’t pijpje van mijn broek een stille traan.

.

%d bloggers liken dit: