Site-archief

Illustraties

Anthonie Donker

.

In de nieuwe editie van het leukste en kleinste poëziemagazine MUGzine, editie 8 alweer, een editie met light verse poëzie, worden de illustraties verzorgd door de New Yorkse kunstenaar en illustrator Karen Stolper. In de keuze voor illustraties kwam ik een fraaie tegen die we waarschijnlijk niet gaan gebruiken (te breed voor zo’n heerlijk klein magazine op A6 formaat). Omdat ik het zo’n leuke illustratie vind ben ik op zoek gegaan naar een bijpassend gedicht.

Dat gedicht heb ik gevonden bij dichter Anthonie Donker (pseudoniem van hoogleraar Nederlands, letterkundige, essayist, schrijver, literair vertaler en dichter Nico Donkersloot 1902 – 1965). Het betreft hier het gedicht ‘Kinderen’ uit de bundel ‘Grenzen’ uit 1928. Het bijzondere aan dit gedicht vind ik dat, hoewel het al 93 jaar geleden geschreven werd, het nog steeds actueel is.

.

Kinderen

.

Diep in hen is het donker begonnen,

Het langzaam, onafwendbare bederf.

Alles vermolmt, alles wordt overwonnen,

Het held’re, teed’re in hun ogen sterft.

.

De wereld is voor ons ook niet geweest,

Vóór wij de duisternis zijn ingedreven.

Wij waren spelende en onbevreesd,

Maar waarom moesten wij dat overleven?

.

Heren zeventien

Simon Vinkenoog

.

In een geweldige tweedehands boekenwinkel kocht ik voor een klein bedrag de heerlijke kleine pocket ‘Heren zeventien’ proeve van waarneming van Simon Vinkenoog (1928 – 2009), gesigneerd door de dichter. Deze heruitgave van de bundel uit 1953, in de serie Poëziepockets van De Bezige Bij, uit 1987 is een kleine pocketuitgave (50 pagina’s) met een nawoord van R.A. Cornets de Groot.

.

Zoals discussies woedend sluiten

met het zichtbaar halfbegrijpen

van Denanders vooroordelen

.

die even overtuigend zijn

en inderdaad niet minder waar,

verwerpelijk, gevaarlijk,

ondoordacht behulpzaam,

.

als de waarden die wij eigen dachten

.

Zo gaat ook het leven dat de dag leidt

ons voorbij

.

Met dezelfde woede

(maar hoe schamel en hoe welbespraakt)

in de schoongewassen handen,

een hart verontwaardigd-zijn

en een gevoel van onderdrukt hartstochtelijk:

.

Wat deert het mij?

.

 

Paul van Ostaijen

Herdenkingsjaar

.

Op 22 februari was het 125 jaar geleden dat de Vlaams-Nederlandse dichter (Nederlandse vader, Vlaamse moeder) Paul van Ostaijen (1896 – 1928) werd geboren. 100 jaar geleden verscheen van van Ostaijen de bundel ‘Bezette stad’. Deze twee gebeurtenissen vormen de start van het Paul van Ostaijen-jaar. Op 22 februari was er in cultureel centrum De Brakke Grond een marathon vol poëzie, theater en muziek.  De line up bestond uit onder andere Gustaaf Peek, Spinvis, Aafke Romeijn en Hannah van Binsbergen.

Vanuit het geboortehuis van van Ostaijen in Antwerpen wordt een digitale uitzending gemaakt door Matthijs de Ridder en Willem Bongers-Dek over wie deze avant-garde dichter nu eigenlijk was.  De uitzendingen waren te zien (en zijn waarschijnlijk terug te kijken) via de Facebookpagina van De Brakke Grond en op deburen.eu

Reden genoeg om nog eens iets van deze bijzondere dichter te plaatsen. Ik koos uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1981 het gedicht ‘Fragmenten’ uit 1915.

.

Fragmenten

.

1

.

Mijn lief, mijn hart schenk ik je hier

Als ’n tennisbal;

Je speelgenoot weze ’n fraai zeeofficier,

Die knap wezen zal

En in het spel bedreven

.

2

.

Ik heb je al wat

Ik bezat

Mijn enige schat,

Mijn groot hart gegeven.

En wat heb jij den liefdedronken

Jongen

Die ik was, geschonken?

.

3

.

Mijn hart is door de smart gebenedijd,

Heb ik troostend tot mezelf gezeid.

Want mijn lijden,

Elke fijne dolk, elke grief

Is zoet verblijden

Voor mijn wreed lief.

.

Sappho’s graf

Alberto de Lacerda

.

In de categorie dichters over dichters vandaag een gedicht van de Portugese dichter Alberto de Lacerda over Sappho, de lyrische dichteres uit het oude Griekenland. Alberto de Lacerda (1928 – 2007) was behalve dichter ook presentator van de BBC radio. Lacerda werd geboren in Mozambique maar verhuisde op 18 jarige leeftijd naar Lissabon. In 1951 begon hij met werken voor de BBC en verhuisde hij naar Londen waar hij als presentator en freelance journalist ging werken.

Hij was docent Europese en vergelijkende literatuur aan de universiteiten van Austin, Texas en Boston, Massachusetts, waar hij in 1996 met pensioen ging als emeritus hoogleraar in de Poëzie. Hij publiceerde in Portugal, Groot-Brittannië en de VS en droeg bij aan vele literaire publicaties in verschillende landen.

In 1985 verschenen enkele van zijn gedichten in ‘Ik verheerlijk het verleden niet’ (een Poetry International serie) waaronder het gedicht ‘Sappho’s graf’ in een vertaling van August Willemsen.

.

Sappho’s graf

.

Waar

Je cisterne van vuur, je tijgerlijk gloren

Meedogenloos, melodieus?

.

Waar

Je sap van gouden bijen

Zacht, vraatzuchtig, wreed,

Weerschitterend?

.

Waar, het welluidend fluiten van je tanden?

.

Waar

Je geliefde varengast?

Waarachtig of denkbeeldig?

.

Waar

Waar je graf,

Sappho, Sappho, Sappho?

.

Poëzie uit Rhodesië

Bonus Zimunya

.

In 1975 heette Zimbabwe nog Rhodesië (pas in 1980 werd Zimbabwe een onafhankelijke natie). En zoals in alle landen in de wereld werd ook in Rhodesië aan poëzie gedaan. In Engeland kocht ik afgelopen jaar een klein bundeltje getiteld ‘Rhodesian Poetry’ no.12 1974-1975. The Twenty-fifth Anniversary Issue (1950-1975). Uitgegeven door The Poetry Society of Rhodesia and Published on a non-profitmaking basis.

In het voorwoord schrijft Stephen Gray  van de Rand Afrikaans University in Johannesburg onder andere dat poëzie die de woorden en het gedachtengoed van Keats gebruikt hem niet kan bekoren als het gaat om poëzie in Rhodesië. Hij is meer gecharmeerd door de poëzie met een sociale context en die past bij de ‘nieuwe natie’ die Rhodesië op dat moment is.

In de bundel een aantal typisch Engelse namen van al wat oudere dichters zoals D.E Borrel (1928). G.R. Brown (1928), Judy Edgar (1936) en Olive Robertson (1909) maar ook van een aantal jongere “Afrikaanse’ dichters als Viki Tapiwa, Enetia Vasilatos (1951) en Bonus Zimunya.

Bonus Zimuya (1949) wordt genoemd als Rhodesië African die gepubliceerd heeft in Chirimo in 1969. Inmiddels is Musaemura Bonas Zimunya een van Zimbabwes meest vooraanstaande schrijvers. In 1980 werd hij professor Engelse taal aan de University of Zimbabwe. Hij was secretary general van de Zimbabwean Writers Union en in 1992 ontving hij een Fulbright Scholarship aan de Pratt Institute in New York. In 1999 verliet hij Zimbabwe en momenteel is hij Director of Black Studies aan de Virginia Tech.

In de bundel staat het gedicht ‘Old Granny’ van hem en hieronder kun je het origineel en mijn vertaling lezen.

.

Old Granny

.

A little freezing Spider:

Logs and arms gathered in her chest

Rocking with flu,

I saw old Granny

At Harare market;

It was past nine of the night.

When I saw the dusty crumpled Spider –

A torn little blanket

Was her web.

.

Oud omaatje

.

Een kleine bevroren spin:

Stammen en armen verzameld op haar borst

Schommelend van de griep,

Ik zag een oud omaatje

Op de markt van Harare;

Het was na negen uur ’s avonds.

Toen ik deze stoffige verfrommelde Spin zag –

Een gescheurde kleine deken

Was haar web.

.

 

Bloot

Dubbel-gedicht Vinkenoog en Krol

.

Deze keer een Dubbel-gedicht over de naakte mens of de blote mens. Twee gedichten van twee heel verschillende dichters; Simon Vinkenoog (1928 – 2009) en Gerrit Krol (1934 – 2013). In ‘Ja!’ een bloemlezing met de laatste 19 gedichten van Simon Vinkenoog uit 2010 staat het gedicht ‘Bloot’ zoals alleen Vinkenoog over bloot kon dichten. In de bundel ‘Over het uittrekken van een broek’, uit 1970 staat het intrigerende gedicht ‘Over het nut van borsten voor een vrouw en het gebruik van haar achterwerk’. Twee gedichten over het blote lichaam.

.

Bloot

.

O naakte praal in de overgave

tussen eenzaam geboren worden

en samen het bloot willen delen

.

Tussen fluks getweeën uit de kleren

en voor het eerst weer uit de schede

om altijd opnieuw te willen betreden

het tweedelig pad naar het smelten

.

Jouw blote gevoelens en mijn blote begeren

jouw blote lijnen en mijn blote verlangen

.

om altijd aan te blijven hangen:

die blote blik in je blote ogen

en die ene verrukking

bij de aanraking

het neervlijen en het blote strelen

.

mijn blote handen reikend

naar niets dan vervulling en vrede

.

Onze blote huid waaronder

de geaderde geheimen

en die raadselachtige rode bloedsomloop

dat levend festijn

waar je altijd bij wilt zijn

.

O schoot zo groot

de diepte waarin ik stoot

is meer dan levensgroot

.

O kloot o dood

o krullende rede

eeuwig vaarwater

voor mijn briesende bede

.

Over het nut van borsten voor een vrouw en het gebruik van haar achterste

.
In tegenstelling tot wat vroeger werd aangenomen,
dat de borsten er zijn om de kinderen
te voeden weten we nu dat ze er alleen maar zijn om
de mannen aan te trekken.
Hoe groter de borsten zijn des te
krachtiger wordt de man
aangetrokken, dat is thans bewezen, dat is
een wet die
zijn tegenbeeld heeft in de omstandigheid dat er
ook mannen zijn die deze kracht
pas voelen als ze
een zwaar achterwerk in het oog krijgen.
.
Het voordeel van een zwaar achterwerk voor de vrouw is dat
omdat zij van achteren benaderd wordt,
nergens op verdacht is en
dus een grotere kans heeft
meteen bevrucht te worden.
Zo komt het dat bepaalde vrouwen
of zelfs hele groepen
op deze manier van nature
hun achterste ontwikkeld hebben tot kogelronde
bollen die de draagster zelf
als zij niet wordt bevrucht
kan gebruiken om op te zitten.
(Vrij naar Life.)
.
.

Proost!

Om een bokaal van wijn

.

Poëzie kan werkelijk over elk onderwerp gaan. Vaak worden gedichten over een bepaald onderwerp bij elkaar gebundeld. Dit soort themabundels zijn populair bij liefhebbers van poëzie en van het desbetreffende thema. Zo zal uitgeverij van Lindonk in 1967 ook gedacht hebben toen ze ‘Om een bokaal vol wijn’ uitgaven met gedichten van dichters rondom het thema Wijn. De bundel met 24 verzen van ‘eigentijdse Nederlandse dichters’ is uitgegeven in het 125ste wijnjaar van Robbers & Van den Hoogen n.v. in Arnhem (en dus niet het 123ste zoals abusievelijk op de website https://www.nederlandsepoezie.org/jl/1967/zz_om_een_bokaal_vol_wijn.html staat te lezen).

Bekende en minder bekende dichters hebben hun medewerking verleend aan deze bundel; van A. Roland Holst, C. Buddingh’ en Hans Andreus tot Jan Engelman, Fem Rutke en Tom Naastepad. In een fraai uitgegeven bundel met fijne harde kaft en illustraties van Kurt Löb en van een voorwoord voorzien door Jan Wit is dit een fijne bundel voor poëzieliefhebbers en ook wijnliefhebbers.

Ik koos voor een gedicht van Ankie Peypers, één van de twee vrouwelijke dichters in deze bundel ( de ander is Ellen Warmond) getiteld ‘Verzoek aan wijn’.  Ankie Peypers (1928-2008) debuteerde in 1946 met de bundel ‘Zeventien’, met daarin zeventien jeugdgedichten. In 1951 verscheen haar officiële debuut ‘October’. Sindsdien verschenen gedichtenbundels, vertalingen en enkele romans.  In 1972 verscheen de verzamelbundel ‘Gedichten 1951 – 1971’. Als journalist werkte ze voor De Vlam en Het Vrije Volk. Daarnaast was ze medeoprichter van het feministisch-literaire tijdschrift Surplus en publiceerde ze regelmatig over de positie van vrouwen.

.

Verzoek aan wijn

.

Laat je drinken

wij zijn maar een gaarde

waarin dezelfde onrust groeit

die jou deed rijpen

toen je geboorte lange maanden

zomermaanden in de heuvels

werd verwacht

tot eindelijk de dorpelingen

op het dagen nachten durend

feest je loflied zongen

dat je goed was

als je voorgeslacht;

.

laat je drinken

wij zijn maar een gaarde

waarin dezelfde onrust groeit

die een oogstfeest verwacht.

.

Laat je drinken

wie dan jij

moet de verhalen

die ons denken

als in de heuvels

gevangen houdt

vertalen?

.

Komt Jan langs

Dichter op verzoek

.

De eerste dichter op verzoek in April is Bert Schierbeek (1918 – 1996) . Elske Zwart vroeg om het gedicht ‘Komt Jan langs’ en hoewel ik ergens een vorm van herkenning dacht te hebben heeft het me nog even gekost het gedicht te vinden. De titel is niet ‘Komt Jan langs’ maar ‘Beginselen’ en is geschreven door Bert Schierbeek. In een aflevering van Raster uit 1996 schrijft Jan Sierhuis (de betreffende Jan uit het gedicht) hoe dit gedicht van Bert Schierbeek tot stand kwam. Jan Sierhuis (1928) is kunstschilder en hij stond samen met Karel Appel, Corneille en Lucebert (en dus ook Bert Schierbeek) in het centrum van de naoorlogse ontwikkelingen in de kunst. In Raster staat over de totstandkoming van het gedicht ‘Beginselen” het volgende geschreven:

“Hij heeft die prachtige tekst geschreven bij dingen van mij, ‘komt Jan langs’. Ik was op een avond bij hem langs gegaan om hem tekeningen te laten zien waar ik mee bezig was. Het waren geen affe tekeningen, maar aanzetten welke kant het op moest, ideeën. Ik zei zoiets als ‘beginsels’. Je weet hoe dat gaat, we raakten aan de praat, tot diep in de nacht, en we hebben toch zeker een paar flessen wijn opgedronken, dus erg helder was het allemaal niet meer. Voor mij niet, althans, maar voor Bert kennelijk wel. Want een paar dagen later kwam hij dus ineens met die tekst, en daar stond alles in, precies zoals ik het gezegd had. Nee, niet eens precies zoals ik het gezegd had, er stond wat ik had willen zeggen. Dat kon ie.”

De tekst van het gedicht is als volgt:

.

Beginselen

Voor Jan Sierhuis

.

Komt Jan langs

en zegt

zie je

ik heb tekeningen

dwz.

geen tekeningen

maar meer

Aanloopsels

zie je

wanneer ik dan later

wel of niet

iets doe.

 

daarom kom ik langs

omdat ik dacht

misschien

als je er naar kijkt

naar de beginselen

zou men kunnen zeggen

kun je er iets mee doen

omdat het beginsels zijn

niet af

met alles wat er in zit.

niet af.

 

omdat ik weet

wat de afbrokkeling is.

 

er is eigenlijk

niks gaaf.

.

Je leest het hele artikel op: https://www.dbnl.org/tekst/_ras001199601_01/_ras001199601_01_0108.php

 

 

Wij zijn

Simon Vinkenoog

.

In een week waarin de Vijftigers centraal staan mag dichter en performer Simon Vinkenoog (1928 – 2009) natuurlijk niet ontbreken. Vinkenoog die alleen al in de jaren ’50 maar liefst elf poëziebundels publiceerde. Op 21-jarige leeftijd begon hij het Nederlandse literaire blad Blurb. De titel verklaarde hij als volgt: Wij geloven niet meer in het vinden van scabreuze woorden in nog niet bestaande woordenboeken en wij hebben dus gekozen: blurb. Waarvan één betekenis gebrabbel is. Over zijn uitgangspunten schreef hij: Onze mogelijkheden zijn nog ongelimiteerd, al moeten wij ons verdedigen tegen uiterst links en uiterst rechts en nochtans het gevaarlijke midden mijden”. In de periode 1950-1951 verschenen van dit blad acht (gestencilde) nummers, in kleine oplage. Tot nummer 4 gaf Vinkenoog het tijdschrift vanuit Parijs als eenmanspublicatie uit. Daarna werkten andere experimentele schrijvers mee, zoals Hans Andreus, Armando, Hugo Claus, Jan Hanlo, W.F. Hermans en Lucebert. Ook publiceerde het blad poëzie van de jong gestorven Hans Lodeizen. Op 1 juni 1951 verscheen het achtste en laatste nummer met de woorden: Laten we het mooi houden, er vooral geen literatuur van makenwaarmee Vinkenoog al liet blijken in de traditie van de latere Vijftigers te passen. Samen met Braak luidde Blurb het tijdperk van de Vijftigers in. In 1951 publiceerde Vinkenoog de roemruchte bloemlezing ‘Atonaal’, die geldt als het eerste publieke manifest van de Vijftigers, die zich atonale dichters noemden.

Uit de bundel ‘Onder eigen dak’ uit 1957 het gedicht ‘Wij zijn’.

.

Wij zijn

.

Als de vlugge voetstap van de halsmisdaad,

als het bitterzoete wachten, als de pijn van alleenzijn;

.

zonder reden. Radeloos en reddeloos,

beterwetend, alleswetend, nietswetend.

.

Woorden blijven in de handen steken,

speeksel verjaart in de mond,

klein vergif en rood verraad.

.

Nu zal het avondmaal smaken als gal,

en de kleine bruine minderheden in ons bloed

zullen vechten om vrijheid,

en de daad wordt verdaagd, en het woord wordt verdacht.

.

Nu zal het bloed blijven steken

en de hartklop wordt onhoorbaar.

.

Nu eindigt dit leven, nu nadert het leven,

hier staan wij naakt,

hier staan wij waar.

.

Paul van Ostayen

Gedicht op een muur

.

In de Joodse wijk (rond de België lei) van Antwerpen staat heel groot op een muur van het Sint-Vincentiusziekenhuis een gedicht getiteld ‘Zeer kleine speeldoos’ van Paul van Ostaijen (1896 – 1928). Het geboortehuis van deze dichter is vlak om de hoek op de Lange Leemstraat 53. Geboren als Nederlander (zijn vader was Nederlander, zijn moeder Vlaams) kreeg hij op zijn 22ste ook de Belgische nationaliteit. In zijn laatste levensjaren propageerde Van Ostaijen de ‘zuivere lyriek’: pure klankpoëzie zonder bijbedoelingen. Het gedicht moest ‘geontindividualiseerd’ zijn, autonoom, los van de werkelijkheid en de gevoelens van de dichter. Zijn laatste gedichten werden postuum uitgegeven onder de titel ‘Nagelaten gedichten’. Uit de bundel ‘Gedichten’ uit 1935 komt het gedicht op de gevel van het ziekenhuis.

.

Zeer kleine speeldoos

.

Amarillis

hier is

in een zeepbel

Iris

hang de bel

aan een ring

en de ring

aan je neus

Amarillis

Schud je ’t hoofd

speelt het licht

in de bel

met Iris

Schud je fel

breekt de bel

Amarillis

Waar is

Iris

Iris is hier geweest

Amarillis

aan een ring

en de ring

aan jouw neus

Wijsneus

Amarillis

.

 

%d bloggers liken dit: