Site-archief

Geheim

Pierre Reverdy

.

De Franse dichter Pierre Reverdy (1889 – 1960) had veel invloed op (surrealistische) schilders uit zijn tijd. Hij was bevriend met grote namen als Guillaume Apollinaire, Louis Aragon, Georges Braque, André Breton, Juan Gris en Pablo Picasso.

Reverdy speelde hij een belangrijke rol tijdens de tweede wereldoorlog in het Franse verzet tegen de Duitse bezetter. Dit terwijl de liefde van zijn leven Coco Chanel, met wie hij een relatie had tussen 1921 en 1926, juist met de bezettende nazi’s samenwerkte.

Het gedicht ‘Geheim’ is afkomstig uit de bundel ‘Een boek van wondere dingen’ uit 2018 en werd uitgegeven door Amnesty International en uitgeverij De Geus. Het gedicht is vertaald door Elisabeth Leijnse en genomen van de website poemes.co/pierre-reverdy.

.

Geheim

.

De lege stolp

De dode vogels

In het huis waar alles sluimert

Negen uur

.

De aarde houdt zich onbeweeglijk

.

Kan het zijn dat iemand zucht

Kan het zijn dat bomen glimlachen

.

Het water beeft op het puntje van elk blad

Een wolk doorkruist de nacht

.

Voor de deur zingt een man

.

Het raam gaat geluidloos open

.

Reverdy geschilderd door Modigliani.

De nek van het paard

J. Eijkelboom

.

Soms komen dingen samen die je van te voren niet had zien aankomen. Zo liep ik afgelopen weekend in het plaatsje Wemeldinge in Zeeland en in de hoek van een tuin tussen twee heggen zag ik daar een paard. Niet zomaar een paard, nee een paard van kunststof. Naast dat ik mij meteen afvroeg waarom iemand een kunststof paard zou willen bezitten en dit in zijn tuin zou willen plaatsen kwam ook meteen de vraag op waarom je zo’n bezit dan ergens wegstopt in een hoek verscholen achter twee heggen.

Maar dat is niet de reden dat ik er hier over schrijf. De reden is dat ik daags daarvoor in de bundel ‘Tot zo ver’ De meeste gedichten van J. Eijkelboom (1926 – 2008) uit 2002 had zitten lezen en ik bij het aanzicht van dat paard (en dan met name de achterkant en dus de nek van dat paard) meteen moest denken aan een gedicht uit die bundel getiteld ‘de nek van het paard’. Dit gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Het arsenaal’ uit 2000. Allerlei details en onderdelen (trottoir, de nek, de staart, het gebogen hoofd) deden me aan dit gedicht denken. Uiteraard heb ik een foto van dit paard gemaakt omdat ik daar en toen wist dat ik dit bericht op mijn blog ging plaatsen.

.

De nek van het paard

.

De weg is bekend en precies

weet ik nog waar de mustang toen liep,

tussen trottoir en trottoir

dwars door de straat.

.

Maar was het cowboy of indiaan

die hem bereed? En van het paard

zie ik in feite niet meer dan de nek,

die strakgespannen boog

.

en ja, een golvende staart,

bijna reikend tot aan de grond.

Je kende wel het briesende paard

van horen zingen, maar

.

dat gebogen hoofd was trotser

dan wat ik ooit had meegemaakt:

ons leven in deemoed

met trappelpasjes achterhaald.

.

Nooteboom over Andreus

Dichters over dichters

.

In de categorie Dichters over dichters vandaag een gedicht van Cees Nooteboom (1933) over de dichter Hans Andreus (1926-1977). Geen gewoon gedicht in dit geval maar een in memoriam naar aanleiding van de dood van Hans Andreus in 1977. Het gedicht verscheen in de bundel ‘Open als een schelp – dicht als een steen’ uit 1978 en is getiteld ‘Laatste brief’.

.

Laatste brief

                                            in memoriam Hans Andreus

.

Op het witte papier
de naam van de dode
door hemzelf geschreven
.
vier letters, was hij dat?
al die gemaakte woorden
al die gedichten van licht
.
nu niets meer
.
De bodem ligt op het water
de straat op de voeten
hij heeft zich omgekeerd
en hij is teruggegaan
naar waar hij vandaan kwam.
.
.

Aan de fontein

J. Slauerhoff

.

In 1930 verscheen voor het eerst de bundel ‘Saturnus’ van Slauerhoff. Dit is de vermeerderde herdruk van ‘Clair-obscur’ een bundel uit 1927. Tenminste dit staat voorin het exemplaar dat ik heb uit 1984. Achterin diezelfde bundel wordt van 1929 gesproken en op Wikipedia staat 1926. Ik vaar in deze op de gegevens van dbnl.org https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=slau001clai01

De gedichten die zijn toegevoegd (en waarmee ‘Clair-Obscur’ dus is vermeerderd) stmmen uit diezelfde periode namelijk 1924-1926. In de bundel ‘Saturnus’staan gedichten van Slauerhoff (1898 – 1936) waaruit een grote belangstelling van de dichter voor het verleden doorklinkt alsmede voor Franse invloeden (Baudelaire, Villon, Verlaine). Naast deze gedichten staan er ‘landelijke gedichten’ in de bundel waaronder het drieluik gedicht ‘Landelijke liefde’ dat in 1927 de poëzieprijs van de stad Amsterdam kreeg. Een poëzieprijs die slechts twee keer (1925 en 1927) aan in totaal 7 dichters met een gedicht is toegekend. Naast Slauerhoff waren dat in 1927 A. Roland Holst, Hendrik Marsman en Jan Greshoff.

Uit de gedichten in deze bundel koos ik het sonnet ‘Aan de fontein’ een gedicht zoals ze heden ten dage niet meer gemaakt worden.

.

Aan de fontein

.

Zij spant haar boezem, achteroverhellend.

Een dubble straal ontspringt de borstkoralen

En valt, uiteengespreide bogen welvend,

Doeltreffend in de ontvangende bokalen.

.

Over wier randen witte kransen wellen.

Er onder zit een nymph bij het ovale

Bassin de droppen – één moment opalen! –

Aandachtig door haar holle hand te tellen.

.

Over haar beeld, in donker water deinend,

Tintlen goudvisschen, roode gloed rondschijnend,

Als diepgezonken vonken van de zon.

.

Stil onder ’t looverruischen, droppelklaatren,

’t Hoofd hoog als overzag ze verre waatren.

Zit de godin bij haar beperkte bron.

.

Om land en hart

Oorlogsgedichten

.

Zo nu en dan loop ik in kringloopwinkels of tweedehandsboekenwinkels kleine, vaak goedkoop gemaakte, bundeltjes tegen het lijf die tijdens of vlak na de tweede wereldoorlog zijn verschenen. Een aantal voorbeelden lees je hier https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/03/24/climax/, hier https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/02/27/oorlogsstad/ en hier https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/04/12/geteisterd-volk/ . En nu kan ik hier weer een nieuw exemplaar aan toevoegen dat in mijn bezit is gekomen.

Het betreft hier het kleine bundeltje ( het is meer een schriftje met een slappe kaft) ‘Om land en hart’ verzen van J. ten Mutsaert. Zoals op de eerste pagina te lezen is, werd dit bundeltje verzen uitgegeven in april 1945 in het bezette deel van Nederland door De Duistelvink. Het werd in een oplage van 810 uitgegeven (al is in mijn exemplaar sprake van 410 maar van de 4 is een 8 gemaakt. Ik heb nummer 641.

Op https://www.dbnl.org/ lees ik dat J. Mutsaert het pseudoniem was van dichter Jan H. de Groot (1901 – 1990) die ook het pseudoniem Haje Sikkema gebruikte. Jan H. de Groot debuteerde in 1926 met een in eigen beheer uitgegeven bundel ‘Lentezon’, was journalist en redacteur bij ‘Het vrije Volk’ en bleef tot op hoge leeftijd schrijven. Zijn laatste publicatie was een bibliofiel uitgegeven werk in 1988. Voor zijn werk ontving hij de Verzetsprijs voor letterkundigen in 1945 en de Poëzieprijs van de stad Amsterdam in 1946 voor het gedicht ‘Moederkoren’.

In ‘Om land en hart’ staan korte en wat langere gedichten en verzen. Over Mussert, het Duitse volk, het graf van een Engelse piloot en een executie in het Weteringplantsoen, 20 gedichten in totaal. Ik heb er een paar uitgekozen om hier te plaatsen.

.

Arrestatie

.

Nog eenmaal zie ik om en groet mijn vrouw,

mijn jongens met de neuzen voor de ramen.

Er is berouw noch spijt, ik krop alleen wat tranen,

omdat ik plots’ling weet, hoeveel ik van z hou.

.

Vrijheidsstrijder

.

Van huis en hol verdreven,

de dood ontweken en gezocht.

Niets was als prijs te duur gekocht,

mits ’t nageslacht zou leven.

.

Steden

.

O steden, vast en hecht is uwe staat,

voor elke vluchtling zijt gij toeverlaat.

Maar Babel werd verwoest, Carthago en Athene.

In één nacht vult het puin uw plein en straat.

.

Wormen

Hans Andreus

.

Vanmorgen hoorde ik op Radio 1 een reportage over een wormenkweker. Wat me opviel was dat wormenkwekers (volgens mij één van de beroepen van de toekomst (veeteeltvervangers, biologische mest) blijkbaar tegen een zelfde wetgeving oplopen als veehouders. Het lijkt me toch van een heel ander slag maar misschien moet hier wettelijk nog iets op worden aangevuld, dat werd me niet helemaal duidelijk.

Wormen zijn de darmen van de aarde schijnt de grote Griekse filosoof en wetenschapper Aristoteles al gezegd te hebben en ik kan het daar erg mee eens zijn. In ieder geval was deze reportage aanleiding voor me om eens te kijken of er een gedicht voor handen was over wormen. En dat is er. Hans Andreus (1926 – 1977) schreef het gedicht ‘De wormen’ en ik nam het uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1995.

.

De wormen

.

Wanneer men liefheeft,

komen de wormen weer,

de wormen met hun kleine koppen,

de wormen van de laffe dood.

.

Niet van de echte dood, de echte

dood is groot en heeft een licht,

een zon in zijn handen,

witte zon, naakte zon, zon zonder tijd.

.

Maar in wat leeft leven de wormen

en vreten van de liefde

en vreten van het goede leven,

de wormen met hun kleine koppen.

.

God, wie, wat je bent

kan mij niet schelen, maar verbrand

de wormen van de laffe dood

en laat ons rustig zijn.

.

 

Geliefde in slaap

Hans Andreus

.

Als ik door de jaren heen blader op mijn blog dan valt me op dat ik in bepaalde perioden bepaalde dichters meer aandacht heb gegeven dan in andere perioden. Aan een paar van die dichters heb ik de laatste jaren of maanden nauwelijks aandacht besteed. Aan de ene kant omdat er steeds weer nieuwe dichters verschijnen die ook aandacht verdienen en aan de andere kant omdat ze een beetje uit mijn vizier zijn geraakt. Ten onrechte moet ik daar meteen aan toevoegen. Het zijn niet alleen Nederlandse dichters maar ook Vlaamse dichters of dichters uit het Engelse taalgebied.

Vandaag een Nederlandse dichter en niet de eerste de beste. Hans Andreus, pseudoniem van Johan Wilem van der Zant (1926 – 1977) schreef het gedicht ‘Geliefde in slaap’ dat ik nam uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 2004.

.

Geliefde in slaap

.

Mijn lief dier slaapt diep en teder,

slaapt loom in het diepste gras

en loopt vederlicht langs de hemel.

.

Haar ogen schijnen voorgoed verdwenen.

Haar mond heeft mijn mond vergeten.

Haar buik glooit nu langzamer rond

en haar tweede mond slaapt tevreden.

.

Mijn lief dier leeft nu in vrede:

iedere adem een dag in de zomer,

elke beweging een strekken in het gras.

.

Maar lopende door de ruimte

met haar twee lachende kinderen,

haar negertjes, haar zwarte ogen,

die alles zien,

.

weet zij niet meer dat zij slaapt hier,

zwaar van aarde, licht van adem, onbereikbaar.

.

 

Dan Dada doe uw werk!

Gaston Burssens

.

Als je het over de Avant-gardistische poëzie uit de lage landen hebt dan denk je waarschijnlijk als eerste meteen aan Paul van Ostaijen, één van de bekendste Dada dichters uit die tijd. En misschien heb je nog wel wat namen paraat uit deze stroming. Het Avant-gardisme was een generatie jonge kunstenaars die met nieuwe vormen experimenteerden in de schilderkunst, architectuur, muziek, literatuur, poëzie, film, theater en moderne dans.

Onder het Avant-gardisme vallen (vooral in de beeldende kunst) vele onderstromingen als het Kubisme, CoBrA, Futurisme, PopArt, modernisme etc. Aan het begin van de 20e eeuw schreven binnen het Nederlandse taalgebied onder meer Theo van Doesburg, Hendrik Marsman en E. du Perron in navolging van het avant-gardisme en over deze stroming als zodanig. Van Doesburg noemde het avant-gardisme ‘de nieuwe beweging’. Pas na 1950 werden de bijbehorende ideeën en principes echter ook hier op grote schaal toegepast. Belangrijk werd de autonomistische poëtica, een vorm van poëzie waarin de nadruk niet langer lag op de intenties van de auteur of de omstandigheden waarin het gedicht tot stand is gekomen, maar op de vorm van het gedicht zelf, dat geacht werd zichzelf te ontwikkelen.

In 2014 gaf uitgeverij Vantilt de bundel ‘Dan Dada doe uw werk!’ uit met een overzicht van de Avantgardistische poëzie uit de lage landen.Hubert van den Berg en Geert Buelens stelde de bundel samen die een mooi overzicht biedt van dichters en gedichten uit deze stroming maar ook van manifesten en theoretische beschouwingen.

Een mij onbekende dichter Gaston Burssens is ook vertegenwoordig is deze bundel. Gaston Karel Mathilde Burssens (1896 -1965)  was een Belgisch expressionistisch dichter.  Net als bij Paul van Ostaijen evolueerde Burssens’ werk in de jaren twintig van humanitair expressionisme tot een meer organisch expressionisme. Muzikaliteit stond vanaf toen centraal in zijn poëtica. Burssens gaf Van Ostaijens onuitgegeven gedichten uit na diens dood. Burssens kreeg tweemaal de Driejaarlijkse Prijs voor Poëzie (1950-1952 en 1956-1958).

In 1918 debuteerde Burssens met de bundel ‘Verzen’ en in 1926 verscheen zijn 5e bundel ‘Enzovoorts’ waaruit het gedicht ‘Allegretto’ komt dat ook is opgenomen in ‘Dan Dada doe uw werk!’.

.

Allegretto

.

het motordonken op de sneeuw

is niet als ’t bijegonzen rond de lelie

wijl de sneeuw is lelieblank

en de motor ronkt sonoor

.

en het schellen van de slede

en het knallen van de zweep

en de matte motorklank

o de sneeuw is lelieblank

.

o ’t bijegonzen op de sneeuw

en ’t motorronken rond de lelie

.

Dubbel-gedicht

Oud Eik en Duinen

.

Jaren geleden schreef ik een gedicht over de prachtige oude begraafplaats Oud Eik en Duinen. Dit gedicht werd onder andere gepubliceerd in mijn bundel ‘Je hebt me gemaakt met je kus’, De Oud Hagenaar, in Poëzie op Pootjes 3 en op de website van Monuta (hetbedrijf dat Oud Eik en Duinen beheerd) https://www.monuta.nl/vestiging/begraafplaats-oudeikenduinen/actueel/wouter-heiningen/ . Afgelopen weekend las ik in een editie van Maatstaf tot mijn verbazing een gedicht met dezelfde titel. In de Maatstaf nummer 1 van de veertiende jaargang (1966) staat het gedicht ‘Oud Eik en Duinen’ van dichter F.L. Bastet.

Frédéric Louis Bastet (1926 – 2008) was een Nederlandse literator, biograaf van Couperus, archeoloog, schrijver, essayist en dichter. In 1960 debuteerde hij met de poëziebundel ‘Gedichten’ en gedurende zijn leven schreef en publiceerde hij regelmatig dichtbundels. Tussen het eerste gedicht (van mij) en het tweede gedicht (van F.L. Bastet) zit ongeveer 50 jaar.

.

Oud Eik en Duinen

.

De kraaien zijn geen kraaien
meer, maar kauwen
hun zwarte werk verlicht

.

hier trekt je laatste adem
een kou doortrokken wintervacht aan
en zingt de lucht in stilte

.

de prikklok slaat nu nog eenmaal
gaten in de tijd, toch, wie er moet zijn
is aanwezig

.

hij die stof verlangt
wordt niet teleurgesteld, de grond
wordt dik belegd met ons gepeins

.

Oud Eik en Duinen

.

Geen freule draagt meer veertjes in haar staart.
Dat is voor vogeltjes die bij de berk,
nog niet gepiept, de kantjes van de zerk
aflopen waar een muskusgeur ontaardt.
.
Laan Copes leeggesnikt. Een fijnbesnaard
zonharpje speelt op paal en plantjesperk.
En Psyche (art nouveau) bekruipt een sterk
klimopgevoel terwijl zij navelstaart:
.
Vermoeden van een kelder kleine zielen,
bloedarm verdriet, een krocht archilleshielen
en menige onuitgepiozen bruid.
.
O dood, niet groter dan de paardetram,
dof als een in de trijp gesmoorde stem,
hoe beeldig teren witte rozen uit.

.

Psychiater

Adriaan van Leent

.

Via via kreeg ik het bundeltje ‘Vaarwel Holland’ te pakken van dichter en schrijver Adriaan van Leent (1926) uitgegeven in 1989 door uitgeverij De Beuk, stichting voor literaire publicaties. Van Johannes Antonius Adriaan van Leent is weinig bekend. Hij krijgt enige bekendheid bij de publicatie van zijn roman ‘De bisschop van Den Haag’ maar daar blijft het bij. Adriaan van Leent debuteerde als dichter in De Gids met verzen, waarmee hij in 1954 de eerste prijs in een poëziewedstrijd tussen Vlaamse en Nederlandse studenten gewonnen had. Hij was van 1962 tot 1973 hoogleraar in de sociale psychologie aan de Landbouw hogeschool te Wageningen.

Deze (bijna) vergeten dichter verdient het wat aandacht te krijgen. De gedichten in de bundel ‘Vaarwel Holland’ getuigen van een bijzonder beeldend woordgebruik. Zo ook het gedicht ‘Psychiater’ in sonnetvorm waar een prachtig maar bijna vergeten woord ‘okkernoot’ ik voorkomt.

.

Psychiater

.

Hij zit, geschedeld als een testpiloot,

te wiegen op zijn schietstoel; niet te pellen

het brein dat woekert in de okkernoot,

fossiel gefronst uit welke fontanellen.

.

De cockpit schemert naar een moederschoot

vol vloeibaar hoornvlies van ontstelde schellen;

de handschoen van een stem sopt korstig brood

waar lymfe willoos uit het rotsbeen wellen:

.

“Vóór het gesteente was woestijn moeras,

vóór het gebeente waren pezen spieren:

speling en spanning van melodisch ras.

.

Adem de ruimte van de oerborstkas

als wij motorisch door de rijmmuur gieren

naar God – een woordgolf van elastisch gas.”

.


%d bloggers liken dit: