Site-archief

Wiegelend hoofd

De liefde zingt in verzen

.

De Uilenreeks, een literaire boekenreeks uitgegeven tussen 1934 en 1947 door uitgeverij Bigot & Van Rossum bestaat uit 52 delen. Allemaal prachtig uitgegeven boekjes met de grafisch heel mooie omslagen (met in elkaar passende uiltjes zoals je ze van Escher zou verwachten). Veel van de deeltjes zijn samengesteld door C.J. Kelk en Halbo C. Kool.

Ik heb inmiddels verschillende delen in mijn bezit en daar zijn er pas weer een aantal aan toegevoegd. Bijvoorbeeld deel 43 met als titel ‘De liefde zingt in verzen’ uit 1941.

Uit deze bundel met liefdespoëzie voor ‘minnende harten’ koos ik voor een gedicht van de symbolistische dichter J. H. Leopold (1865 – 1925) getiteld ‘Wiegelend hoofd….’. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Verzen’ uit 1920.

.

Wiegelend hoofd ….

.

Wiegelend Hoofd, zoet vrouwenhoofd,

een zuivere vrucht, een reinblank ooft,

.

zoo zal het liggen in de schalen

van mijne handen, de goudovalen,

.

dat mijne mond het proeve moge

het rustgezicht, rijp overtogen,

.

met de lippen, die zwellend openbreken,

de volzoete en met de neergestreken

.

koele oogleden en de teere âren

in de slapen, de holle als rozenblaren.

.

Aan de fontein

J. Slauerhoff

.

In 1930 verscheen voor het eerst de bundel ‘Saturnus’ van Slauerhoff. Dit is de vermeerderde herdruk van ‘Clair-obscur’ een bundel uit 1927. Tenminste dit staat voorin het exemplaar dat ik heb uit 1984. Achterin diezelfde bundel wordt van 1929 gesproken en op Wikipedia staat 1926. Ik vaar in deze op de gegevens van dbnl.org https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=slau001clai01

De gedichten die zijn toegevoegd (en waarmee ‘Clair-Obscur’ dus is vermeerderd) stmmen uit diezelfde periode namelijk 1924-1926. In de bundel ‘Saturnus’staan gedichten van Slauerhoff (1898 – 1936) waaruit een grote belangstelling van de dichter voor het verleden doorklinkt alsmede voor Franse invloeden (Baudelaire, Villon, Verlaine). Naast deze gedichten staan er ‘landelijke gedichten’ in de bundel waaronder het drieluik gedicht ‘Landelijke liefde’ dat in 1927 de poëzieprijs van de stad Amsterdam kreeg. Een poëzieprijs die slechts twee keer (1925 en 1927) aan in totaal 7 dichters met een gedicht is toegekend. Naast Slauerhoff waren dat in 1927 A. Roland Holst, Hendrik Marsman en Jan Greshoff.

Uit de gedichten in deze bundel koos ik het sonnet ‘Aan de fontein’ een gedicht zoals ze heden ten dage niet meer gemaakt worden.

.

Aan de fontein

.

Zij spant haar boezem, achteroverhellend.

Een dubble straal ontspringt de borstkoralen

En valt, uiteengespreide bogen welvend,

Doeltreffend in de ontvangende bokalen.

.

Over wier randen witte kransen wellen.

Er onder zit een nymph bij het ovale

Bassin de droppen – één moment opalen! –

Aandachtig door haar holle hand te tellen.

.

Over haar beeld, in donker water deinend,

Tintlen goudvisschen, roode gloed rondschijnend,

Als diepgezonken vonken van de zon.

.

Stil onder ’t looverruischen, droppelklaatren,

’t Hoofd hoog als overzag ze verre waatren.

Zit de godin bij haar beperkte bron.

.

Circus

Jaroslav Seifert

.

Jaroslav Seifert (1901 – 1986) werd geboren in de arbeiderswijk Žižkov, een voorstad van Praag in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije. Zijn eerste bundel gedichten werd gepubliceerd in 1921. Hij was lid van de Communistische Partij en redacteur van een aantal communistische kranten en tijdschriften. Aanvankelijk schreef hij vooral revolutionaire gedichten, later meer lyrische poëzie.

In maart 1929 werden hij en zes andere belangrijke schrijvers uit de Communistische Partij gegooid. Dit was omdat ze een manifest hadden ondertekend tegen Bolsjewiekse invloeden in het nieuwe leiderschap van de Communistische Partij van Tsjecho-Slowakije. Desondanks kreeg hij in 1936 de staatsprijs voor literatuur. In 1949 verliet Seifert de journalistiek en begon zichzelf uitsluitend te concentreren op literatuur.

Hij kreeg geruime tijd een publicatieverbod. Zijn gedichten circuleerden echter met veel succes ondergronds. Erkenning bleef niet uit. In 1966 kreeg hij de eretitel ‘nationaal kunstenaar’. Hij won verschillende grote prijzen voor zijn gedichten, waaronder de Nobelprijs. De jury prees de “frisheid, gevoeligheid en rijke inventiviteit” van zijn gedichten.

In 1925 verscheen de bundel ‘Op de vleugels van de TSF’ waarvan in vertaling een zestal gedichten verschenen in Raster, Nieuwe Reeks, jaargang 1997. Uit de Raster het gedicht ‘Circus’ in een vertaling van Kees Mercks.

.

Circus

.

Heden sloot voor het eerst in zijn armen
de beroemde vuurslikker John het danseresje Chloë
.
en de kleine chloë was nog maagd
.
die avond heeft voor het circus de clown Pom
om de toeschouwers te begroeten
.
een grote ballon
.
opgelaten
.
/HEDEN
VOOR HET LAATST/
.
.

Voor Jan Arends

Ingmar Heytze

.

In het kader van de rubriek ‘Dichters over dichters’ kwam ik in de bundel ‘Alle goeds’ van Ingmar Heytze (1970) uit 2001 het gedicht tegen ‘Voor Jan Arends’. Johannes Cornelis Arends (1925 – 1974) was schrijver, literair vertaler en dichter. Het werk van Jan Arends bevat veel autobiografische elementen en geeft een kritische visie op de Nederlandse maatschappij vanuit een persoonlijk perspectief. Jan Arends werd in zijn leven in vele psychiatrische instellingen opgenomen en de ervaringen die hij daar op deed komen veel terug in zijn werk; wanhoop, beklemming, de moeizame omgang met mensen in sociale relaties.

Jan Arends liet een klein oeuvre na waarvan de roman ‘Keefman’ en de dichtbundel ‘Lunchpauzegedichten’ de bekendste titels zijn. In het gedicht ‘Voor Jan Arends’ verbindt Ingmar Heytze zijn angsten aan die van Jan Arends maar met een ander gevolg.

.

Voor Jan Arends

.

Voor mij

is angst

een

ziekte

.

daardoor

ben ik

nergens

bang voor

.

maar wel

bijna

overal

ziek van

.

Binnenhof

Lieven Rens

.

De Vlaamse dichter Lieven Rens (1925 – 1983) schreef elf dichtbundels. Hij was recensent in diverse kranten en tijdschriften, gerenommeerd wetenschapper inzake het renaissancedrama in de Nederlanden in het bijzonder de werken van Joost van den Vondel. Daarnaast was hij hoogleraar Europese en Nederlandse cultuurgeschiedenis aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (UFSIA).

In 1948 debuteerde hij met de bundel ‘Schrikkeljaar’waarna hij tot zijn voortijdige overlijden (in 1983 overlijdt hij aan de gevolgen van een tragisch ongeval) om de paar jaar een dichtbundel publiceert.

Als dichter behoorde hij aanvankelijk tot de groep van ‘Nieuwe Stemmen’ een tijdschrift van de katholieke jongeren, waarvan hij van 1951 tot 1958 redactielid was. Zij streefden een katholiek reveil na, en gingen aldus in tegen die andere naoorlogse stroming het existentialisme, die, volgens hen, teveel nihilistisch van aard was. Ook keerden ze zich af van de experimentelen en geloofden in de kracht van de grote klassieke traditie.

Zijn dichterschap is in drie delen te beschouwen: de eerste 11 jaar dicht hij vooral over de liefde en de verwording van de westerse cultuur. In de acht jaar die daarop volgen verwoordt hij de spanning tussen het menselijk verblijf in het aardse en de hemelse bevrijdingshunker. en verinnerlijkt en vergeestelijkt hij  zijn poëzie in een reeks, landschappen, stillevens en portretten. In de laatste 7 jaar van zijn dichterschap evolueert hij naar een soort woordpoëzie, die haar eigen vorm en ritme vastlegt. Versregelbouw en woordschikking worden grilliger, associaties en referenties verruimen zijn poëtische wereld.

Voor zijn werk ontvangt hij enkele prijzen waaronder de Guido Gezelleprijs 1972-1976 van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor de dichtbundel ‘Leander’.

Uit de tweede periode van zijn dichterschap stamt de bundel ‘Op gouden grond’ (1971) waaruit het gedicht ‘Binnenhof (St.-Ignatius, Antwerpen)’ is genomen.

.

Binnenhof (St.-Ignatius, Antwerpen)

De platgetreden wegen,
Het gladgeschoren gras,
Alles ligt effen als een plaat van glas.

Heel even een bewegen
Van mus en mus, en soms
Een rilling onder de geraniums.

Ik voel de wereld wegen –
Iets is op til –
Iets moet gebeuren of de tijd valt stil.

.

De stijgbeugel

Poëziewedstrijd

.

Pas geleden kocht ik in een kringloopwinkel een bundeltje gedichten met de titel ‘De stijgbeugel’ veertig verzen van nieuwe dichters. Het bundeltje is uit 1953 en uitgegeven door N.V. De Arbeiderspers in de serie De Boekvink,  litteratuur in miniatuur (dit is geen typefout, het staat er echt litteratuur). Ik was in de veronderstelling dat het hier een verzamelbundeltje betrof maar dat ligt toch iets anders. Wat blijkt? Het betreft hier een bundel met winnaars van een door de VARA-rubriek ‘Met en zonder omslag’ uitgeschreven prijsvraag voor nog onbekende ‘naam’-loze dichters in Nederland.

De organisatoren hadden zich verkeken op het grote aantal gedichten dat er werd ingezonden (maar liefst 3000) en deze moesten door een driekoppige jury (Max Dendermonde, Reinold Kuipers en Garmt Stuiveling) worden gelezen en beoordeeld. De winnaar van deze wedstrijd werd Christine Meyling (1925 – 1983), een naam is die ik nog nooit ergens ben tegengekomen. Het lijkt erop dat Meyling haar dichtersloopbaan niet heeft voortgezet ( ik heb het uiteraard even uitgezocht, van haar hand verschenen in 1954 – 1956 een aantal gedichten in Maatstaf en De Nieuwe Stem, daarna werd het stil).

Wat opmerkelijk is is dat de tweede prijs werd gewonnen door Ellen Warmond (1930 – 2011), een dichter die later heel bekend is geworden. Haar naam is de enige tussen vele onbekende namen die bij mij een belletje lieten rinkelen. En ondanks dit feit is deze bundel een heel fijn boekje om te lezen. het geeft heel mooi weer hoe er aan het begin van de jaren vijftig in Nederland werd gedicht. Een mengeling van poëzie van na de oorlog (waar de oorlog nog in na klinkt), vaste versvormen, romantische poëzie en poëzie die al naar de vernieuwingsdrang van de vijftigers neigt.

Ik heb besloten een van de twee eerste prijswinnende gedichten hier te plaatsen van Meyling ( Claire) en een van de tweede prijs van Warmond (***) om het verschil in stijl te laten zien.

.

Claire

.

Jouw kind is aarzelend geboren.

Het toefde op de drempel van verdriet,

Begroef de droom die het voorgoed verliet

en zou de wereld droef en blij behoren.

.

Het was een meisje, weer, en vaag geschonden

(twee rose wonden, maar die gaan voorbij).

Je hebt haar – moeilijk – toch maar lief gevonden,

zij paste logisch in de onvoltooide rij

.

van de verbloemde, heimelijke zonden.

Nog even bracht een klein en zoet gemis,

toen er veel mensen in je kamer stonden,

je tot de grens van een bekentenis.

Maar omdat zij het ook niet helpen konden,

bleef alles als het was en steeds gebleven is.

.

Voor Wim

.

***

.

Ik steek je onbekommerd

overmoedig dwars door de aarzeling

die kamers vierendeelt en ons

afzijdig houdt mijn hand

toe met de woorden zie

dit heb ik voor je meegebracht

een landkaart zonder wegen

een nooit meer in roulering komend

geldstuk een sublieme

seconde van volkomen

van onbeheerst en mateloos

van bandeloos en onbelemmerd

blind-zijn.

.

Lente

Jan Wolkers

.

Behalve een groot schrijver en kunstenaar schreef Jan Wolkers (1925 – 2007) ook poëzie. Dat deed hij overigens pas aan het einde van zijn leven. In 2000 verscheen de bundel ‘Jaargetijden’ en in 2003 de bundel ‘Wintervitrines’. Na zijn dood werden in 2008 zijn ‘Verzamelde gedichten’ gepubliceerd. De bundel ‘Winterbeelden’ is een verrassend serene uitgave, zonder opsmuk, gedichten en gefotografeerde illustraties door Peter Mookhoek (4 foto’s in het hoofdstuk ‘Seizoenen’ bij elk seizoen een foto).

In deze bundel veel aandacht voor de natuur zoals je zou verwachten bij Wolkers. Het noorderlicht, het tij, de winterslaap, de duinen, de seizoenen, ze komen allemaal langs. Zo ook in het gedicht ‘Zeeaas’. De woorden zenen en verzenen betekenen ‘hielen’ en ‘verlangen’.

.

Zeeaas

.

Hectisch mijn leven nu, omringd door duingebieden,

Verzande zee, mul verstikkend schuim, asgrauw doorngebroed.

De gewrichten van de branding liggen verstijfd in lompen en

Helmgras geselt vlijmscherp de zandgeschuurde verzenen,

Het gebeente wordt tot snelfiltermaling verwerkt.

De geluidsoverlast van Beethoven grijpt me aan,

gekartelde horizon als zeeziek zwalken, , non-stop.

Onder mijn voetzool verkruimeld het verraderlijke drijfzand.

Het is zo zeker als wat dat de vloedlijn een leven lang meegaat.

Poseidon harkt vol plichtsbesef stookolie en wier bijeen,

Jaagt soms verbeten op iets dat nog leeft en beweegt,

Aan het zand gespietst siddert de zilveren spiering.

Tussen versleten luchters en glazige zenen mijd ik

Zijn zonderlinge schaduw en pekelgeur, roestig statue.

.

Onbestelbaar

J.C. Van Schagen

.

Johan Christiaan Jacob (Chris) van Schagen ( 1891- 1985) was een Zeeuwse schrijver, dichter en graficus. Hij publiceerde als J.C. van Schagen. Hij debuteerde in 1925 met de bundel ‘Narrenwijsheid’. Vanaf de jaren vijftig publiceerde Van Schagen veel poëzie (bijvoorbeeld Zeeuwse reflexen, 1953) en proza en maakte hij ook steeds meer prenten. Het overgrote deel van zijn werk werd door Van Schagen zelf uitgegeven. Meer dan twintig titels in de reeks Domburgse Cahiers en de serie schriftsels, poëzie en proza, werden verzonden aan honderden liefhebbers.

In 1985 verscheen bij de Prom de verzamelbundel ‘Wat dit blijfsel overbleef’ gedichten. In deze bloemlezing veel gedichten uit de Domburgs cahiers (1963-1975) en Schriftsels (1977- 1985) aangevuld met gedichten die in tijdschriften en losse uitgaven verschenen.

Uit deze bundel het gedicht ‘onbestelbaar I’.

.

onbestelbaar I

.

acht smalle zwarte konten

acht automatiek zwaaiende staarten

acht eendrachtig zwaaiende staarten

sneeuwwit

acht jonge Kalverstraat in conclave

op het weitje achter de stal

ze zien me niet

ik heb geen staart

ik ben niets

beter maar

.

acht jonge meiden onder mekaar

zo gezellig

maar je komt er niet in

.

 

Gedichten van het jaar

The New Yorker

.

Al vanaf februari 1925 plaatst The New Yorker poëzie in het magazine. In 2017 waren dat zo’n 100 gedichten van onder andere The Poet Laureate (zeg maar de dichter des Vaderlands van de Verenigde Staten), bekende dichters en aanstormend talent. Elk jaar wordt er een overzicht geplaatst op de website van The New Yorker met alle gedichten die dat jaar zijn gepubliceerd. Daarnaast is er een website waar alle gedichten die vanaf het allereerste begin zijn gepubliceerd zijn gearchiveerd en waar je ze dus allemaal terug kan lezen https://www.newyorker.com/magazine/poems

Tussen de vele dichters die in dit archief zijn terug te vinden staan beroemde namen als Bertold Brecht, Leonard Cohen, Dorothy Parker en Seamus Heaney maar ook het Franse volkslied (editie 1926) staat ertussen.

In de editie van 2017 staat onder andere een gedicht van de dichter John Ashbery (1927 – 2017) getiteld ‘Disorder and Light’.

.

Disorder and Light

.

Answer: I would dump it.
She lost her husband. It was time.
The more blurry it’s gonna be, the great complicator
takes us all into account.

I don’t know what this is, remnant.
You won’t get there forever.
Decades ago, after the dogs inspected it
it became part of their repertory.

. . . Comes in and ankles around like
he owned the place (which he did, in a sense).
Fast action on their part drew her on.
This wasn’t morning. It was more like

a week from now. I’ll be on your side, searching
for what we both know is there: our crumbling infrastructure.
You stay out of it.
You’ve got to be kidding me. Your pill, he urged.

Have a wild breakfast,
eyed and mulled. There you go, passionate
as a song. I mean, that’s what he told us to say.
The trees seem to agree.

.

 

Achterwaarts

Bijna vergeten dichters

.

Henricus Wijbrandus Jacobus Maria Keuls, of zoals zijn dichtersnaam luidde H.W.J.M. Keuls (1883 – 1968) was in zijn tijd een redelijk succesvol en bekend dichter en vertaler. Zo schreef en publiceerde hij tussen 1920 en 1962 elf poëziebundels en 4 vertaalde bundels. Hij vertaalde werk van o.a. Dante, T.S. Elliot en Pirandello. Voor zijn werk ontving hij de Tollensprijs (1948), de Martinus Nijhoffprijs (1957) en de P.C. Hooftprijs (1961).

Keuls behoorde niet tot een groep dichters (dat wilde hij niet en vond het eigenlijk maar een onzinnig onderscheid), hij werd geïnspireerd door Kloos en Gorter en vooral ook door Franse dichters als Beaudelaire en Verlaine. In 1925 verscheen een interview met hem in het onafhankelijk literair tijdschrift ‘Den Gulden Winckel’ dat de ondertitel droeg ‘Maandschrift voor de Boekenvrienden in Groot-Nederland’ waarin hij spreekt over zijn poëzie , zijn werk als criticus en zijn inspiratiebronnen https://www.dbnl.org/tekst/_gul001192501_01/_gul001192501_01_0055.php

Ik ben in het bezit van zijn laatste bundel ‘Achterwaarts’ uit 1964 waarin naast zijn eigen gedichten ook een aantal door hem vertaalde gedichten zijn opgenomen. Zoals het gedicht ‘Rondeel’ van de Franse dichter Charles d’Orléans (1391 – 1465) die beschouwd werd als één van de beste Franse dichters in de hoofse traditie.

.

Rondeel

.

Nu de blijdschap ging verloren

Deze mei, kleed ik mij zwart.

Zo verdrietig werd mijn hart

Dat ik moet zijn zuchten horen;

Ik gedraag mij naar behoren

Tonend het gewaad der smart.

Nu de blijdschap ging verloren

Deze mei, kleed ik mij zwart.

Ach niets kan mij nog bekoren,

’t Is de tijd die ons benart,

Stage regen ons verstart

En de dag blijft ongeboren,

Nu de blijdschap ging verloren.

.

%d bloggers liken dit: