Site-archief

Een hond achter de liefde aan

Ander liefdesgedicht

.

Yehuda Amichai ( 1924 – 2000) was een Israëlische dichter. Amichai wordt beschouwd door vele, zowel in Israël als internationaal, als Israëls grootste moderne dichter. Hij was ook een van de eerste om te schrijven in het alledaagse Hebreeuws. Hij werd bekroond met de  Shlonsky Prijs (1957), de  Brenner Prijs (1969),  Bialik Prijs  (1976), en de Israël Prijs (1982). Hij won ook internationale poëzieprijzen: De Malrauxprijs (1994) International Book Fair (Frankrijk), De Golden Wreath Award (1995) in  Macedonië, International Poetryfestival en nog veel meer.

Amichai’s poëzie behandelt kwesties uit het dagelijks leven maar ook filosofische kwesties zoals de betekenis van leven en dood. Zijn werk wordt gekenmerkt door zachte ironie en originele, vaak verrassende beelden. Net als veel seculiere Israëlische dichters worstelt hij met het geloof. Zijn gedichten zitten vol verwijzingen naar God en religieuze ervaringen.  Hij werd beschreven als een filosoof-dichter op zoek naar een post-theologisch humanisme. Maar hij schreef ook bijzondere liefdesgedichten zoals ‘Een hond achter de liefde aan’ uit ‘Aan de oever der wijde zee, Zeven Hebreeuwse dichters van nu’ uit 1988.

.

Een hond achter de liefde aan

.

Nadat je me had gelaten

heb ik een speurhond laten ruiken

aan mijn borst en aan mijn buik. Hij

zal zijn neusgaten vullen en eropuit gaan

om je te vinden.

.

Ik hoop dat hij je zal vinden en dat hij

de ballen van je minnaar zal verscheuren

en zijn pik zal afbijten,

of tennminste dat hij mij tussen zijn tanden

je kousen brengt.

.

pure breed hunting dog holding red woman’s underwear in mouth

Advertenties

Dichter op verzoek

Deel 1

.

Na meer dan een jaar de Dichter van de maand in het zonnetje te hebben gezet op de zondag, wil ik vanaf nu een nieuwe categorie beginnen op diezelfde zondag: Dichter op verzoek. Door te reageren op dit blog (of via één van de andere kanalen zoals Facebook, Instagram of Twitter) kun je me laten weten aan welke dichter of aan welk gedicht ik aandacht zou moeten besteden.

Vandaag de eerste keer en op verzoek van Janneke Langerak het gedicht ‘Het lied der dwaze bijen’ van de Haagse dichter Martinus Nijhof (1894 – 1953). Nijhof debuteerde in 1916, met de bundel ‘De wandelaar’. In 1924 publiceerde hij ‘Vormen’. In romantische verzen uitte hij zijn gevoelens van angst, eenzaamheid en het verlangen naar ongerept kind te zijn. Hij deed dat  in toegankelijk Nederlands. Nijhoff publiceerde ook in het tijdschrift Het Getij (1916 – 1924) dat zich als tegenhanger van de stroming van de Tachtigers profileerde.

In de verhalende gedichten ‘Awater’ (uit ‘Nieuwe Gedichten’, 1934) en ‘Het uur U’ (1936/1937) weet hij op bijzondere wijze het mysterie achter alledaagse dingen en gebeurtenissen te beschrijven, in een stijl die steeds meer neigt naar spreektaal.

Uit de bundel ‘Nieuwe gedichten’ uit 1934 het gedicht.

.

Het lied der dwaze bijen

.

Een geur van hooger honing
verbitterde de bloemen,
een geur van hooger honing
verdreef ons uit de woning.

Die geur en een zacht zoemen
in het azuur bevrozen,
die geur en een zacht zoemen,
een steeds herhaald niet-noemen,

ried ons, ach roekeloozen,
de tuinen op te geven,
riep ons, ach roekeloozen
naar raadselige rozen.

Ver van ons volk en leven
zijn wij naar avonturen
ver van ons volk en leven Janneke Langhet
jubelend voortgedreven.

Niemand kan van nature
zijn hartstocht onderbreken,
niemand kan van nature
in lijve den dood verduren.

Steeds heviger bezweken,
steeds helderder doorschenen,
steeds heviger bezweken
naar het ontwijkend teeken,

stegen wij en verdwenen,
ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,
stegen wij en verdwenen
als glinsteringen henen. —

Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
wij dwarrelen naar beneden.
Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
het sneeuwt tusschen de korven.

.

Voor een zeer leesbare en uitgebreide beschrijving van dit gedicht verwijs ik je graag naar de site van dbnl.org http://www.dbnl.org/tekst/_rev002198301_01/_rev002198301_01_0085.php

Houtsnijder

W.D. Kuik

.

Dirkje Kuik (1929 – 2008), of W.D. Kuik zoals ze zich voor haar geslachtsverandering noemde was een Nederlands schrijver en beeldend kunstenaar. In 1979 werd zij officieel vrouw.  Haar debuut als dichter was in 1969 met de bundel ’45 Gedichten’, nog onder de naam William D. Kuik. Het werk wordt gezien als belangrijke bijdrage tot de Nederlandse neoromantische stroming. In haar latere leven was ze vooral schrijver van proza en beeldend kunstenaar. Uit de debuutbundel ’45 gedichten’ het gedicht ‘Houtsnijder’.

.

Houtsnijder

.

Hij sneed zichzelf in hout

als egel, eenhoorn, beer.

Veel

als christus, jezus, maria,

wat was dat lelijk, gaper.

Hij speelde graag toneel.

Vermomd met bolhoed, knijpbril, papieren neus,

trok hij de polder in.

Zijn laatste komisch nummer was een kerstgroep.

Levensgroot.

Met os met kind met vrouw met ezel,

bevolkte hij een stal.

Hij staat erbij.

Een vos met één poot in de val,

een zure timmerman tot in het merg verkankerd.

.

 

Koperlicht

Clara Haesaert

.

Hoewel de laatste gedichtenbundel van Clara Haesaert (1924) uit 1995 stamt, is zij, misschien wel daardoor en mede door haar hoge leeftijd een onbekendere dichter uit Vlaanderen. Na haar studie was Clara Haesaert werkzaam als ambtenaar bij het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur (ik vermoed dat dat heden ten dage niet meer bestaat). In die functie zette ze zich in voor bibliotheekvoorzieningen en de kwaliteit van jeugdboeken. Haar debuut kwam in 1953 met de gedichtenbundel ‘De overkant’, waarna diverse andere bundels verschenen. Haesaert was medeoprichtster en redacteur van het tweemaandelijks tijdschrift De Meridiaan. Tevens was zij oprichtster van de Brusselse Galerie Taptoe. In de vuistdikke bloemlezing ‘Ik ben genoemd meisje en vrouw’ samengesteld door Christine D’haen uit 1980 is Haesaert vertegenwoordigd met het gedicht ‘Koperlicht’.

.

Koperlicht

.

Ik stelde met ontzetting vast

dat ik alleen aan tafel zat.

Alleen met onze blinde kat

die stil haar oren en poten wast.

.

Het venster heeft mijn beeld weerkaatst

als in een gloed van koperlicht,

zodra ik dacht aan vrouwenplicht

heb ik de kat naast mij geplaatst.

.

Verloren slaapt zij op een stoel.

Ik tracht u steeds weer te vergeten,

doch alles: werken, slapen, eten,

herinnert mij uw maat-gevoel.

.

De sneeuwpop

Harriet Laurey

.

Harriet Laurey (1924 – 2004) werd in Eindhoven geboren en is vooral bekend geworden als schrijfster en vertaalster van sprookjesachtige kinderboeken voor veelal jonge kinderen. Ze debuteerde als dichter  in 1945 met het gedicht ‘Laatste gebed’ in ‘De Nieuwe Eeuw’. Laurey’s eerste eigen bundel, ‘Loreley’, verscheen in 1952 en had als autobiografisch hoofdthema het verlies van een grote liefde. Deze bundel kon het grote publiek zeer bekoren. In 1971 schreef een recensente van de Telegraaf dat zij de bundel ‘Oorbellen’ uit 1954  al vijftien jaar lang tot de beste Nederlandse liefdespoëzie rekende. In 1955 publiceerde zij nog eenmaal samen met haar echtgenoot een dichtbundel maar daarna schreef ze nog louter kinderboeken.

Uit de bundel ‘Loreley’ het gedicht ‘De sneeuwpop’.

.

De sneeuwpop.

 

Ik ben de sneeuwpop op het Leidseplein.

In vlokken kwam ik naar hun wereld vallen,

ontelbaar. Maar zij maakten met z’n allen

de starre man, die ik opeens moet zijn.

.

Mijn ene arm korter dan de and’re,

mijn hoofd te groot, de stijve hoed te klein.

Ik voel wel, dat ik onbehouwen schijn.

Ik voel het, maar ik kan het niet verand’ren.

.

Hoewel zij inderhaast mijn beide ore

-alsof een pop wel zonder kan – vergaten,

hoor ik hun warme mensenstemmen praten.

.

En ’t sneeuwt zó los. Maar ik ben vastgevroren

en straks, met heel het plein alleen gelaten,

niet eens meer sneeuw, niet eens meer helder water..

,

sneeuwpop

 

Dichters en schrijvers begraafplaats

Schoonselhof in Antwerpen

.

Op 2 augustus 2012 schreef ik over het zeer aardige en mooi vormgegeven boek ‘O en voorgoed voorbij’ dat door de NBD Biblion en De Arbeiderspers werd uitgegeven in dat jaar met een overzicht van een aantal graven van Nederlandse schrijvers en dichters. Ik moest hieraan denken toen ik via een foto op de Wikipediapagina van Het Schoonselhof in Antwerpen terecht kwam.

Dit voormalige landgoed werd in 1911 door de stad Antwerpen aangekocht en ingericht als begraafplaats. Beroemde schrijvers en dichters hebben hier hun laatste rustplaats gevonden.

Hendrik Conscience, Willem Elsschot, Hubert Lampo, Herman de Coninck, Marnix Gijssen, Gust Gils, Gerard Walschap en Paul van Ostaijen liggen hier begraven. Mocht je dus nog eens een verloren uurtje hebben en je in Antwerpen bevinden dan kan ik een reisje naar Schoonselhof zeker aanbevelen.

Hieronder een aantal graven en, natuurlijk, een gedicht van Gust Gils (1924 – 2002) getiteld ‘Een minnend paar’ uit de bundel ‘Ziehier een dame’ uit 1957.

.

een minnend paar

.

een minnend paar man en meisje
identiteit onbekend
op een grijsgeregende morgen in een van de plattelandssteden
komen vreemd aan hun eind nl. zij vloeien
als twee vlakken natte waterverf in elkaar

liefde of toeval niemand weet het

stoffig en schraal als puin vindt men
de bewijsstukken (hun silhouetten) later
veel later
op een onverhuurde zolderkamer

.

graf-gg

Graf Gust Gils

hconscience_graf

Graf Hendrik Conscience

graf-gw

Graf Gerald Walschap

graf-hdc

Oude graf Herman de Coninck

wilrijk_graf_herman_de_coninck

Nieuwe grafsteen Herman de Coninck (2015)

Hans Lodeizen

Wandelend in de tuin

.

Hoewel Hans Lodeizen (1924 – 1950) een zeer kort leven gegeven was (hij werd 26) en maar één bundel publiceerde (Het innerlijk behang) en wat nagelaten werk, is zijn invloed op de poëzie in Nederland vernieuwend geweest. Hij wordt wel als een voorloper van de Vijftigers gezien met zijn experimentele poëzie. Uit de ‘Verzamelde gedichten’ uit 1996 het gedicht ‘Wandelend in de tuin ontdekte ik…’ dat ook verscheen in “Het muzikaalste gedicht’ De mooiste gedichten over muziek uit Nederland en Vlaanderen.

.

Wandelend in de tuin ontdekte ik…

.

Wandelend in de tuin ontdekte ik

Bloemen wier lichte gratie ik

Bijna vergeten had als de muziek

Die ’s ochtends na het bal door de tuinen

Zweeft; een herinnering en meer niet.

.

lodeizen

IB

Haar lichaam heeft haar typograaf

Lucebert

.

Lubertus Jacobus Swaanswijk (1924 – 1994) beter bekend als Lucebert was dichter en schilder. Als dichter werd hij gezien als de voorman van de beweging van de Vijftigers, als schilder was hij nauw betrokken bij de Amsterdams poot van de experimentele Cobra-groep.

Voordat Lucebert deel ging uitmaken van de beweging van de Vijftigers had hij al meegedaan met verschillende dichters-collectieven als IPA, Contact en later de Cel Majakovski, met Gerrit Kouwenaar en Jan Elburg. De naam van de laatste was een verwijzing naar de Russische dichter Vladimir Majakovski.

In 1949 trad hij al op als de voorman van de Vijftigers en al snel werd hij de Keizer der Vijftigers genoemd. In de jaren zestig van de vorige eeuw verlegde hij zijn focus meer en meer naar zijn werk als beeldend kunstenaar.

Tegenwoordig wordt Lucebert beschouwd als één van de grootste Nederlandstalige dichters van de twintigste eeuw. De meeste van zijn gedichten zijn gebundeld in ‘Gedichten 1948-1963’, en recenter in ‘Verzamelde Werken’ uit 2002.

Uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1971 het gedicht ‘Haar lichaam heeft haar typograaf’ van deze bijzondere dichter.

.

haar lichaam heeft haar typograaf

.

spreek van wat niet spreken doet
van vlees je volmaakt gesloten geest
maar mijn ontwaakte vinger leest
het vers van je tepels venushaar je leest
 .
leven is letterzetter zonder letterkast
zijn cursief is te genieten lust
en schoon is alles schuin
de liefde vernietigt de rechte druk
liefde ontheft van iedere druk
 .
de poëzie die lippen heeft van bloed
van mijn mond jouw mond leeft
zij spreken van wat niet spreken doet
.
.
luce

Een minnend paar

Gust Gils

.

Gust Gils (1924-2002) was een Antwerps dichter en een van de oprichters van het avant-gardetijdschrift Gard Sivik (vernoemd naar het gelijknamige jazz-café in Antwerpen) in 1954. Ook was hij redacteur van Podium, een Nederlands literair tijdschrift dat heeft bestaan van 1944 (opgericht in de illegaliteit in Leeuwarden) tot 1969.

Het poëtisch oeuvre van Gils wordt gekenmerkt door een sterke muzikale invloed (zie de titels van enkele dichtbundels die het woord “partituur” bevatten). De dichter beweerde zelf dat zijn poëzie een “auditief” karakter had. Gils hoorde zijn gedichten en vond dat die ook vooral hardop gelezen moeten worden. Belangrijk daarbij is niet zozeer de welluidendheid van het vers, als wel het ritme. Later zou Gils de schemerzone tussen poëzie en muziek verder verkennen in zogenaamde “verbosonische” experimenten.

Uit de bundel ‘Ziehier een dame’ uit 1957 het gedicht ‘Een minnend paar’.

.

Een minnend paar

.

een minnend paar man en meisje
identiteit onbekend
op een grijsgeregende morgen in een van de plattelandssteden
komen vreemd aan hun eind nl. zij vloeien
als twee vlakken natte waterverf in elkaar
.
liefde of toeval niemand weet het
.
stoffig en schraal als puin vindt men
de bewijsstukken (hun silhouetten) later
veel later
op een onverhuurde zolderkamer

.

GG

GG!

Met dank aan wikipedia en gedichten.nl

Facetten der Nederlandse poëzie

Jan Prins

.

Vandaag uit mijn boekenkast een bundel gepakt die er op het eerste oog wat saai uitziet. Cremekleurig met op de voorkant slechts een frame met letters (de n en de d van de uitgeverij Nijgh & van Ditmar te) en daarbinnen de titel ‘Facetten der Nederlandse poëzie, van Kloos tot Elsschot’ uit 1964.

Dit is deel 68 uit de Nimmer dralend reeks (enkel deel) en deel 3 uit de ‘Facetten van de poëzie’. Samengesteld door Pierre H. Dubois, Karel Jonckheere en Laurens van der Waal. In de inleiding stellen zij over de totstandkoming en keuze der dichters onder andere: “..dat de litteratuur in Noord en Zuid als één geheel wordt beschouwd en er derhalve naar een redelijk evenwicht tussen beide werd gezocht.” Poëzie en dichters uit Nederland en Vlaanderen dus.

Omdat er vele prachtige gedichten in deze bundel staan, heb ik gekozen voor een gedicht van een, mij onbekende, dichter namelijk Jan Prins.

Jan Prins (1876 – 1948) werd geboren in Rotterdam, werkte van 1892 tot 1924 bij de Marine. In zijn poëzie geeft Prins blijk van zijn liefde voor het Nederlandse (en later ook Indische) landschap. Jan prins kreeg bekendheid door de gedichten die hij schreef over het bombardement op Rotterdam in 1940. Oorspronkelijk uit de bundel ‘Bijeengebrachte Gedichten’ uit 1947 het gedicht ‘De stad’.

.

De stad

.

De stad ligt in den avondgloed, –

De torens en de tinnen blinken, –

En ’t laag gedaalde zonlicht doet

Wat kleurig was in schaduw zinken.

.

De schemerige wegen zijn

Nog vol, en in de nauwe stegen

Ziet men zich in den valen schijn

Een vagen mensendrom bewegen.

.

Chinezen met hun onbehaard

Gelaat en rustige Javanen

En Arabieren, trots-behaard,

In hun wijdzeilende soutanen.

.

De bruggen over de rivier

Bespannen met haar smalle bogen

Het bleke water, waarin hier

En daar iets donkers wordt bewogen.

.

De vrouwen komen af en aan,

Die water in de kruiken halen,

En met een doek gesluierd gaan

Als in de Bijbelse verhalen.

.

De kooplui zitten op den grond

Bij lampen, die nu de gezichten

Der stille kopers, in het rond

Gebukt, beginnen te verlichten.

.

Een enkele beweging slaat

Nog uit de menigte naar voren

En vlamt in ’t rosse licht, en gaat

Weer in de menigte verloren.

.

En vreemder wordt, nu ’t avonduur

Opnieuw de mensen komt vertroosten,

In ’t licht dat zwicht na ’t middagvuur,

De vreemde wereld van het Oosten.

.

jan_prins

JP bijeengebrachte

 

IMG_9348

prinsjanhandt

%d bloggers liken dit: