Site-archief

Bibliofilie

Paul Verlaine

.

Paul Verlaine (1844–1896) wordt honderdvijfentwintig jaar na zijn dood nog steeds beschouwd als een van de grootste dichters aller tijden en een belangrijk vernieuwer van de Franse poëzie. De Biblio-sonnetten zijn de laatste gedichten die hij geschreven heeft. Met de Parijse uitgever Pierre Dauze was Verlaine in oktober 1895 overeengekomen dat hij vierentwintig sonnetten zou schrijven met ‘Het Boek’ als onderwerp. Toen Verlaine op 8 januari 1896 overleed, had hij er dertien ingeleverd, waarvan er vijf waren gepubliceerd in Dauze’s Revue Biblio-iconographique. Alle dertien Biblio-sonnetten verschenen pas in 1913 als zelfstandige uitgave, en wel in een even luxe als beperkte oplage van 131 exemplaren.

In 2016 werd door de Stichting Cultureel Brabant een Nederlandse vertaling gepubliceerd met de originele illustraties van Richard Ranft. Naast de gedichten bevat deze bundel een biografische schets van Paul Verlaine door Peter Ijsenbrant en een bibliografische geschiedenis door Ed Schilders. De vertaling van de gedichten was in handen van Martin Hulseboom.

Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Bibliofilie’ omdat ik de beleving die in dit gedicht wordt behandeld regelmatig zelf heb wanneer ik een mooie oude dichtbundel in handen krijg en kan toevoegen aan mijn verzameling poëzie.

.

Bibliofilie

.

Het oude boek dat jij al zó vaak hebt herlezen!
Geknakt, mismaakt, gebroken in gebruikte staat.
Ziedaar, het heeft ineens een sprankelend gelaat,
Het voelt weer zacht en oogt in fijnheid onvolprezen.

.

Dit dood gewaande boek, dit duister, treurig wezen,
Herrees – voor ingewijden geenszins wonderbaar:
Zij weten, Binder, magiër en kunstenaar,
Hoezeer je jouw sublieme kunde hebt bewezen.

.

Je neemt het boek, in al zijn prilheid, weer ter hand,
Alsof een eens beminde op je schoot belandt,
Dankzij een goede fee hermaagd teruggekeerd.

.

Je leest alsof je weer de stem der Muze hoort,
Voorheen welluidend, door de wrede tijd verweerd:
Wij worden door haar klaarheid andermaal bekoord.

.

Sansibar

Meret Oppenheim

.

Een paar weken geleden was ik in Den Bosch in het Design Museum, waar een tentoonstelling was van het werk van Meret Oppenheim (1913 – 1985). Deze Duitse schilder, beeldhouwer en objectkunstenaar wordt met haar werk gerekend tot de kunststromingen surrealisme en dada. Ze wordt gezien als de eerste vrouwelijke surrealistische kunstenaar. In 1932 kwam zij in aanraking met met Alberto Giacometti en Jean Arp, die zo onder de indruk waren van haar werk dat ze haar uitnodigde te exposeren tijdens de Salon des Indépendants van 1933 met de surrealisten. Zo maakte ze kennis met André Breton, Marcel Duchamp en Max Ernst. Ze kreeg al snel de bijnaam ‘de muze van de surrealisten’.

Haar bekendste werk is ‘Le Déjeuner en fourrure’ uit 1936. Deze sculptuur bestaat uit een kop-en-schotel met een lepeltje, welke voorwerpen door de kunstenares werden ingepakt in bont, hiertoe geïnspireerd door Pablo Picasso en Dora Maar, die haar in bont gepakte armband bewonderden en informeerden of zij dat ook met een kop-en-schotel kon doen. Ze maakte ‘Le Déjeuner en fourrure’ in Parijs en het getoond tijdens de tentoonstelling ‘Fantastic Art, Dada, Surrealism’ in New York. Sindsdien maakt het deel uit van de collectie van het Museum of Modern Art (MoMA) in New York.

Wat me vooral deed besluiten deze tentoonstelling te bezoeken (ik kende haar naam niet) was dat ik in de aankondiging las dat ze ook dichter was. Nu heb ik al eens over Dali geschreven als dichter https://woutervanheiningen.wordpress.com/2021/03/10/de-poezie-van-dali/ een andere surrealistische kunstenaar die ook gedichten schreef en daardoor was mijn interesse gewekt. Van Oppenheim hangt het werk ‘Sansibar’ Gedichte und Serigraphien uit 1981 in de tentoonstelling. Hoewel in het Duits kon ik het ongrijpbare wat surrealisme toch kenmerkt, er uit halen.

De tentoonstelling in het Design Museum ‘für dich – wider dich’ is nog tot 5 september te zien.

.

 

De actrice

Simon Carmiggelt

.

Vele wat oudere mensen zullen schrijver en journalist Simon Carmiggelt (1913 – 1987) kennen als de schrijver van Kronkels. Een groot aantal van hen zal ook weten dat Carmiggelt actief was als dichter. Eerst onder het pseudoniem Karel Bralleput en later onder zijn eigen naam. Uit de bundel ‘Het jammerhout’ dat voor het eerst werd gepubliceerd in 1948 komt het gedicht ‘De puber’.

.

De puber

.

Ik ben verliefder dan ik zeg.

Als onheil drukt het op mijn maag.

Ik kus haar – ja, dat doe ik graag.

Maar eig’lijk wil ik ook wel weg.

.

Want geurig is de eenzaamheid.

O – ’s avonds zwerven in haar straat

en vrezen dat ze met een ander gaat…

Als ‘k aanbel, sterft die heerlijkheid.

.

Soms is er twist, omdat ze zei:

‘Vandaag heb ‘k niet aan je gedacht.’

Wrange confessie! Een doorwaakte nacht

scheidt ons van de verzoeningshuilpartij.

.

Daat staat Oom Karel. Hij lacht zuur

en zegt: ‘die kinderen zijn gek.

Capitulantje met je varkensnek,

hoed af – dit is de liefde puur.

.

Het glas breekt….

Bijna vergeten dichters

.

Ik heb veel oude dichtbundels in bezit en een groot deel daarvan zijn verzamelbundels of bloemlezingen. Het aardige van deze bundels is dat er dichters in zijn opgenomen waar je nooit meer iets van leest of hoort, terwijl er ook onder deze (bijna) vergeten dichters heel fijne dichters zitten. Zo lees ik in ‘De stem van de dichter’ samengesteld door Antal Sivirski en uitgegeven door J.B. Wolters Groningen in 1962 . In deze bloemlezing van poëzie en proza geschikt om voor te dragen (in het voorwoord neemt Sivirsky de lezer mee over het doel van het voordragen (anderen te laten genieten van een kunstwerk), de klank, de waarde van het voordragen en de keuze van de kunstwerken) staan behalve gedichten ook een aantal prozastukken. Ik beperk mezelf dan tot de gedichten van veel bekende dichters maar af en toe zit er een dichter tussen die ik niet ken. Zoals de dichter Dezsö Kosztolányi.

Kosztolányi (1885-1936)  was een Hongaars dichter, schrijver, vertaler en journalist. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Hongaarse literatoren van de 20e eeuw.  Hij was vooral estheet en individualist, zijn werk laat een toenemende verdieping zien. In de communistische periode gold hij als burgerlijk en conservatief, maar ook toen werd hij erkend als voorbeeldig stilist.

In 1907 debuteerde hij en vanaf 1908 was hij actief voor het pas opgerichte, later leidende, Hongaarse letterkundige blad Nyugat, waarin van zijn hand een studie over Rilke verscheen. Hij kreeg vooral bekendheid door zijn in 1910 verschenen gedichtencyclus ‘A szegény kisgyermek panaszai’ (Klaagzang van een arm klein kind). In 1913 publiceerde hij de anthologie ‘Modern költők’ (Moderne dichters). Kosztolányi schreef makkelijk en snel, naast 12 bundels gedichten publiceerde hij veel krantenartikelen en korte verhalen. Hij was tevens belangrijk als literair vertaler. Hij vertaalde werk van Shakespeare, Rilke, Goethe, Verlaine en Rimbaud, maar ook ‘Alice in Wonderland’.

Van zijn hand is in ‘De stem van de dichter’ het gedicht ‘het glas breekt….’ opgenomen dar eerder in ‘De Muze kent geen Babel’ (Wereldpoëzie in vertaling) verscheen in 1959.

.

Het glas breekt….

.

Het glas breekt

En de tand valt uit.

.

Het kleed scheurt

En het oog verzwakt.

.

Sleutel en knoop gaan te loor

En de lust vergaat.

.

De kaars brandt op

En het bloed wordt traag.

.

De lamp stort neer

En het hart staat stil.

.

Wee mij en u

Wee onzer.

.

I don’t believe in art. I believe in artists

B. Elizabeth Beck

.

Schrijver, kunstenaar, leraar en dichter B. Elizabeth Beck woont en leeft in Lexington, Kentucky in de Verenigde Staten. Zij publiceerde een roman en drie dichtbundels: ‘Painted Daydreams: Collection of Ekphrastic Poems’ (2019), ‘Interiors’ (2013) en ‘Insignificant white girl’ (2013). Daarnaast is zij oprichter van The Teen Howl Poetry Series en de Leestown OUTLOUD Poëzie groep. Ze publiceerde verschillende gedichten in magazines en verzamelbundels en kreeg voor haar werk verschillende prijzen waaronder een aantal poëzieprijzen.

Uit haar bundel ‘Painted Daydreams’ komt het volgende gedicht over Marcel DuChamp, de geestelijk vader van de Ready made.

A Ready-Made Poem
I don’t believe in art. I believe in artists. – Marcel Duchamp

.
.
I call my dog and can’t hear my own voice
ponder the question redundant
marvelous inexplicable Beethoven
who heard the music as loudly as I blast
Phish in my ears, it occurs to me–
.
the risk necessary to compose genius:
listen to nothing and assemble everything.
There is no original language,
only divine voices worth studying
searching for recognition making
.
me laugh at the page exploding Whitman’s
barbaric yawp and Ginsberg’s Howl descending
Saul’s galactic journey in the spot
where truth  echoes seeking
feminism beyond Jong searing
song lyrics dividing skies melting
the yellow brick road into Pink Floyd’s dark
side of the moon Flaming Lips purse as the flea
flits from John Donne’s metaphysical mind
for whom the bell tolls Hemingway haunts
the same streets in Key West I linger kissing
.
metaphors stumbling over my own Dadaist
tendencies embracing my absurd understanding
of reality blurring my vision haphazard compositions
plot curves knighted by Marcel Duchamp secreting
doors while all the while pretending earnest defiance,
makes me love him even more.

.

                             Marchel DuChamp bij zijn readymade kunstwerk ‘Fietswiel bevestigd op een stoel’ in 1913. Toen het origineel verloren ging maakte hij een nieuwe.

Eerst de hond

Dubbel-gedicht

.

Als er een thema is waarover veel gedichten zijn gemaakt (naast de dood en de liefde) dan is het wel het dier. En van alle dieren zijn er denk ik het meeste gedichten over katten, gevolgd door gedichten over honden. Voor het dubbelgedicht koos ik voor de laatste vooral omdat de twee gedichten die ik koos zo totaal verschillend zijn.

Het eerste gedicht is van Kees Stip (1913 – 2001). Onder het pseudoniem Trijntje Fop publiceerde hij vele nonsensversjes. In de bundel ‘De peperbek en andere beesten’ dat werd gepubliceerd onder zijn officiële naam C. Stip uit 1967 staan allerlei gedichten over dieren waaronder het gedicht ‘op een tekkel’.

Het tweede gedicht is van de Poolse dichter, toneelschrijver en essayist Zbigniew Herbert (1924 – 1998). Het gedicht ‘Eerst de hond’ komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999 en werd vertaald door Gerard Rasch. In Polen wordt Herbert beschouwd als een klassiek dichter, hoewel hij maar weinig steunt op metrum en rijm. Hij is klassiek in zijn waarnemingen, zowel van de broosheid van mensen als van de trouw der dingen. Zijn poëzie wordt gekenmerkt door beheersing, beknoptheid, eerlijkheid en soberheid, soms ook door een speels-filosofische toon.

.

op een tekkel

.

Een tekkel volgde trouw te Dordt

een man met een reclamebord

waarop stond: PIETERS’PILLEN ZIJN

GEWELDIG TEGEN ZENUWPIJN.

het beest sprak enigszins verlegen:

‘Daar ben ik ook geweldig tegen.’

.

Eerst de hond

.

De hond zal dus als eerste gaan

daarna het varken of de ezel

in wart gras treden ze een paadje uit

en daarover schiet de eerste mens

die met ijzeren hand de druppel angst

verstikt die op zijn glazen voorhoofd zweet

.

als eerste dus de hond een brave hond

die nooit van ons is weggelopen

van een bot aardse lantaarns droomt

in zijn wervelende hok in slaap valt

zijn arme bloed raakt aan de kook verdampt

.

daarna gaan wij met een andere hond

die ons aan de lijn zal voeren

met onze witte astronautenstok

stoten wij onhandig sterren aan

niets zien we en niets horen we

we beuken op de donkere ether

en op alle golven klinkt gejank

.

al wat je mee op reis kunt nemen

door het koudvuur van de zwarte wereld –

de naam van mens de geur van appel

een noot van klank een kwart van kleur

.

heb je nodig voor de terugreis

voor het vinden van de snelste weg

wanneer de blinde hond je leidt

naar de aarde blaft als naar de maan

.

De schooljuffrouw

Simon Carmiggelt

.

Dat de schrijver maar vooral columnist Simon Carmiggelt (1913 – 1987) ook dichter was is wel bekend maar niet bij een heel groot publiek. Toch publiceerde hij zijn eerste gedicht ‘Sinterklaasliedje’  al in 1929. Het werd afgedrukt in De Schakelaar, Orgaan van Haagsche Instellingen voor Voorbereidend Hooger- en Middelbaar Onderwijs. In 1934 verscheen in de bloemlezing ‘Nieuwste dichtkunst’ (waarover ik al schreef op 5 november 2014 en opnieuw op 24 juli van dit jaar) een gedicht van zijn hand. Na de oorlog verschenen verschillende dichtbundels van Carmiggelt aanvankelijk onder het pseudoniem Karel Bralleput, later onder zijn eigen naam. In 1974 verscheen de bundel ‘De gedichten’ onder zijn eigen naam. Uit deze bundel het gedicht ‘De schooljuffrouw’.

.

De schooljuffrouw

.

Zij heette juffrouw Vis en had geen man.
Des winters, spoedig door de kou bevangen,
trad zij met sjaals en pelerines behangen,
bevend de klas in — en zij weende dan.

.
Wij kleine jongens, kenden onze taak.
Gezeten in haar stoel, liet zij zich strelen.
Tien kinderhanden kwamen met de juffrouw spelen.
‘Zo gaat het beter’, riep de stakker vaak.

.
Eens kwam de schoolknecht binnen, klein en vals,
en lachte voos, om wat hij voor zich zag.
Maar zij beriep zich op de koude dag
en zei tot mij: ‘Nog even in mijn hals.’

.
O, die fameuze hals van juffrouw Vis!
Haar armen, pezig uit de trui geschoven.
De kleine strelers, steeds door vrees bestoven.
Een Laokoöngroep van haar hels gemis.

.

Kees Stip

Op een…

.

Kees Stip (1913 – 2001) was een Nederlands puntdichter en beroemd vanwege zijn dierengedichten. Vanaf 1951 schreef hij onder het pseudoniem Trijntje Fop honderden dierenversjes voor de Volkskrant.

Deze dierenversjes zijn bijzonder vormvast. Er wordt nooit met het metrum gesmokkeld: de versregels hebben zonder uitzondering vier heffingen. Het rijmschema is zonder uitzondering AABBCC (het zogenaamde gepaard rijm). Net als in een limerick wordt meestal ergens in het vers, vaak in de eerste regel, een plaatsnaam genoemd. De meeste van zijn dierenversjes bestaan uit zes regels; af en toe zijn het er acht en bij uitzondering een nog hoger even aantal. Er bestaat er ook een van twee regels. Af en toe bevatten de laatste regels een ouderwets geformuleerde pseudo-wijze les voor kinderen.

.

Op een kip

.

Een kip sprak peinzend tot een ei:

‘Wie was er eerder: ik of jij?

De wijsbegeerte mag misschien

op deze vraag geen antwoord zien,

maar ik heb, wat men ook mag zeggen,

nog nooit een ei een kip zien leggen.’

.

Op een koe

.

Een koe te Moskou sprak: ‘een koebel

kost amper anderhalve roebel.

en weet je wat ik heb ontdekt?

Een aardig klokkenspeleffect

bereikt men door met drie bellen

geweldig te gaan wiebelen.’

.

koekip

Met dank aan Wikipedia.

Ballade aan de maan

Theo van Ameide

.

Theo van Ameide is het pseudoniem van Johan Hendrik Labberton. Labberton was een Nederlands jurist, dichter en essayist (1877 – 1955), geboren in Ameide (wat zijn pseudoniem verklaart).

Hij publiceerde een bundel gedichten onder de titel ‘Lof der wijsheid’ (1906), poëzie die eerder verscheen in het tijdschrift  ‘De Beweging’. In dat tijdschrift nam hij deel aan de discussie over ‘bezielde retoriek’ met bijdragen waarin hij pleitte voor ‘een nieuwe rethoriek’ (1913), een herstel van de ‘oude’ beelden en metaforen, mits doorvoeld en natuurlijk toegepast.  In 1912 verscheen zijn tot dan toe verschenen poëzie in ‘Verzamelde gedichten: 1906-1912’.

Pas in 1941 verscheen opnieuw poëzie van hem met het langere gedicht ‘Eeuwige lente’, in 1950 gevolgd door ‘Aarde en hemel: een gedicht’. De poëzie van Theo van Ameide heeft een filosofische strekking en is geschreven in een verheven retorische stijl.

.

Ballade aan de maan

.

Wij zijn te zamen maar alleen,
mijn bleke liefde, en over tijden
en ruimten gaat mijn mijmring heen
met u door lege luchten glijden;
daar kan geen tegenstand ons beiden;
gij ziet mij van de hemel aan,
als vroeg gij: waarom al dit lijden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
.
Ik ben maar liefst met u getweên,
gij zijt althans niet van de blijden,
gij kunt begrijpen, dat ik ween,
wen gij uw tere glans gaat breiden
en dromen weeft om dorre heiden,
een parel tovert in een traan….
Gij zoudt mij willen leeds bevrijden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
.
Hoe dikwijls, ach, hoe dikwijls scheen
mijn wezen ook, van de aard gescheiden,
niets, niets te blijven dan alleen
een oog dat schouwde, een oog dat – schreide….
.
Mijn arm verlangen, dat bij zijden
verheven machteloos blijft staan,
heet gij vergeten, heet gij mijden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
.
Ook gij….toch moet ik U benijden:
gij drijft, een glimlach, rond uw baan….
Begeer ik ook zo stil te weiden?
….Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.

.

Verschenen in ‘De Beweging’ in 1912.

.

moon

A girl

Ezra Pound

.

Al eerder schreef ik over Ezra Pound (1885 – 1972) en deze week werd ik weer eens herinnerd aan zijn bestaan. Op 13 juli 2013 schreef ik over de poëzietheorie van Pound en op 14 januari 2013 kwam zijn gedicht ‘In a Station of the Metro’ voor op een lijstje met de 9 meest vreemde gedichten die je ooit las. Ik zag dat ik dit gedicht toen niet plaatste, vandaar vandaag twee gedichten van deze bijzondere dichter.

.

In a Station of the Metro

The apparition of these faces in the crowd;

Petals on a wet, black bough.

.

A Girl

The tree has entered my hands,
The sap has ascended my arms,
The tree has grown in my breast –
Downward,
The branches grow out of me, like arms.

Tree you are,
Moss you are,
You are violets with wind above them.
A child – so high – you are,
And all this is folly to the world.

.

Ezra_Pound_2                                                                                                                Ezra Pound in 1913

.

Met dank aan Poemhunter.com
%d bloggers liken dit: