Site-archief

Mooi zijn je haren

Adriaan Morriën

.

De dichter, essayist, vertaler en criticus Adriaan Morriën (1912 – 2002) debuteerde in 1935 met een gedicht in het Nederlands-Vlaams literaire tijdschrift Forum. In 1939 verscheen zijn dichtbundel ‘Hartslag’, de eerste van velen. Na de tweede wereldoorlog werkte hij bij Het Parool waar hij literaire beschouwingen, vertalingen en recensies schreef. Hij vertaalde onder meer werken van Albert Camus, Heinrich Böll, Sigmund Freud, Erich Kästner, Choderlos de Laclos, Guy de Maupassant en Pauline Réage.

Hij was redacteur bij Tirade, beoordeelde manuscripten, was bij de oprichting van het Fonds voor de Letteren en was hij adviseur bij uitgeverij De Bezige Bij en G.A. van Oorschot. Bij die laatste uitgeverij verscheen in 1980 zijn dichtbundel ‘Avond in een tuin’. Uit deze bundel het gedicht ‘Mooi zijn je haren’.

.

Mooi zijn je haren

.

Mooi zijn je haren.

En nu het zomer wordt

worden ze blonder, nog blonder.

Je mag de zon wel bedanken.

.

Als je bij mij in bed stapt

ruik ik de geur van ozon.

De bliksem is ingeslagen.

Vriendelijk. Zonder donder.

.

Advertenties

Gedichten voor tuiniers

Anne Ridler

.

Poëziebundels zijn er in vele maten en soorten. Een van de leukste categorieën van poëziebundels vind ik wel de bundels op onderwerp. Zelf bezit ik er inmiddels al heel wat. Gedichten over dieren ( Het grote dieren gedichtenboek), gedichten over geld (Het geld dat spant de kroon), gedichten over vrijheid (Vrij!), over de liefde (De mooiste liefdespoëzie), over muziek (Rock & Roll, klinkende gedichten) en ga zo maar door.

Een bijzondere categorie binnen dit genre vind ik toch wel de gedichten over tuinieren. In 2003 werd bij Virago de bundel ‘Poems for gardeners’ uitgegeven, edited by Germaine Greer. Ruim 200 bladzijden met poëzie over tuinen, tuinieren, planten en flora. En niet door de minste dichters. Seamus Heaney, Sylvia Plath, Emily Dickinson, Robert Frost, D.H. Lawrence maar ook onbekendere namen als Grace Tollemache en Anne Ridler.

Ik koos vandaag uit deze fijne bundel voor een gedicht van Anne Ridler vooral omdat ik haar niet kende en omdat het ik haar gedicht ‘Picking Pears’ uit deze bundel een mooi voorbeeld van het genre vind.

Anne Barbara Ridler (1912 – 2001) was een Engels dichter en redacteur van ‘A Little Book of Modern Verse’ samen met  T. S. Eliot (1941). Haar ‘Collected Poems’ werden gepubliceerd in 1994.

.

Picking Pears

.

Nor heaven, nor earth, a state between,

Whose walls of leaves

Weave in a chequer of dark and bright

The falling sky; whose roofs of green

Are held by ropes and chains and beams of light.

.

Regenerate summer hangs in the trees:

Hours of sunshine

Charged the cells, and spread the loot

So thick about us that we seize

Even the kleaves dissembling globes of fruit.

.

Strabge that we only in harvest season

Borrow from birds

These parks of air, these visions over the fence:

Not the flat view of roaring season

But a sharper angle, the height of exalted sense.

.

We enter only to despoil:

Solaced and proud

Though a barren twigs are left behind,

Through a weft of leaves we sink to the soil,

But summer’s nimbus shrivels on the rind.

.

Singing poetry

Vachel Lindsay

.

Het leuke van dit blog dagelijks schrijven en delen is dat ik steeds vaker tips en reacties krijg op de stukken die ik hier plaats. Waarvoor dank! Naar aanleiding van het stuk over de Bertsolari van afgelopen donderdag reageerde Akim AJ Willems. Hij schreef dat Vachel Lindsay al enkele decennia eerder een slam-poet-avant-la-lettre was. Dat hoef je maar één keer tegen me te zeggen natuurlijk want dan ben ik meteen nieuwsgierig naar wie die Vachel Lindsay dan wel was.

Nicholas Vachel Lindsay (1879 – 1931) was een Amerikaans dichter die wel gezien wordt als de oprichter of bedenker van de ‘Singing poetry’ waarbij gedichten worden gezongen of gescandeerd. In die zin kun je hem beschouwen als een voorloper van de slam poëzie en/of spoken word. Hoewel zijn ouders wilde dat hij dokter zou worden dacht Lindsay daar anders over. Hij studeerde Pen & Ink aan de New York School of Art. In New York groeide zijn liefde voor poëzie. Hij probeerde zijn gedichten, die hij zelf stencilde, op straat aan de man te brengen. Daar begon hij ook met een soort ruilhandel: Een gedicht voor een stuk brood.

Tussen 1906 en 1908 reisde hij tussen Florida en Kentucky en van New York tot Ohio en voorzag hij in zijn levensbehoefte door het ruilen van gedichten tegen voedsel en onderdak. In die zin leefde hij als een moderne troubadour. In 1912 reisde hij opnieuw, nu van Illinois tot New Mexico. Tijdens deze reis schreef hij zijn meest bekende werk ‘The Congo’. Toen hij was teruggekeerd werden zijn gedichten voor het eerst gepubliceerd in Poetry magazine en werd hij al snel heel bekend als dichter.

Zijn bekendste gedicht, “The Congo”, illustreert zijn revolutionaire idee over de esthetiek van geluid ter wille van het geluid. Het imiteert het stampen van de trommels in de ritmes en in onomatopoeïsche onzinwoorden. Bij sommige delen van het gedicht gebruikt Lindsay conventionele woorden  deze verbeelden het chanten van de inheemse bevolking van Congo, die uitsluitend en alleen op geluid vertrouwen.

In 1931 leefde Lindsay een berooid leven en was hij ziek door het intensieve reizen om geld voor zijn familie te verdienen. In dat jaar pleegde hij zelfmoord door het drinken van een fles Lysol schoonmaakmiddel. Zijn laatste woorden waren: They tried to get me; I got them first!

De volledige tekst van het gedicht ‘The Congo’ kun je hier lezen: http://xroads.virginia.edu/~hyper/lindsay/lindsay.html#congo

Hier hoor je het gedicht zoals ‘gezongen’ door Vachel Lindsay zelf.

.

Sonnet 30

Edna St. Vincent Millay

.

Op zondag 30 augustus 2015 schreef ik op ‘Herman de Coninckzondag’ over zijn bundel ‘Ter ere van de goedertieren maan’ uit 1978. Deze bundel bestaat uit vertalingen van gedichten van Edna St. Vincent. Voor deze vertaling kreeg hij de Koopalprijs in 1981. Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950)  was een Amerikaans dichteres, toneelschrijfster en activiste. Voor haar prozawerk gebruikte ze het pseudoniem Nancy Boyd. Zij ontving in 1923 de Pulitzerprijs voor poëzie, voor de bundel ‘The Harp-Weaver and Other Poems waarmee ze de eerste vrouw was aan wie deze prijs werd toegekend (de Pulitzerprijs voor poëzie wordt uitgereikt sinds 1922).

Haar eerste poëziebundel ‘Renascence and Other Poems’ (1912) verscheen toen ze pas zeventien jaar oud was, en bevat een aantal opvallend volwassen gedichten, geschreven in een sterk lyrische en romantisch-beschouwende toon. Met name het titelgedicht trok sterk de aandacht, vooral ook door de publicatie in hetzelfde jaar in de bekende bloemlezing ‘The Lyric Year’. Al snel kreeg ze de naam een soort wonderkind te zijn. Haar gedichten zijn doordrongen van beelden uit de natuur en met name van het kustlandschap van haar geboortestreek Maine. Over het algemeen kennen ze een traditionele structuur: Millay maakte veel gebruik van het sonnet, een vorm die ze perfect beheerste, maar waagde zich zelden aan experimenten.

Hoewel biseksueel en bekend door haar schoonheid en onconventionele leefstijl trouwde ze in 1923 met de veel oudere en rijke Nederlander Eugene Jan Boissevain. In 1950 overleed ze na een val van een trap waarbij ze haar nek brak.

Het gedicht ‘Sonnet 30′ werd door Herman de Coninck vertaald en gepubliceerd in ‘Ter ere van de goedertieren maan’.

.

Sonnet 30

.

Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again;
Love can not fill the thickened lung with breath,
Nor clean the blood, nor set the fractured bone;
Yet many a man is making friends with death
Even as I speak, for lack of love alone.
It well may be that in a difficult hour,
Pinned down by pain and moaning for release,
Or nagged by want past resolution’s power,
I might be driven to sell your love for peace,
Or trade the memory of this night for food.
It well may be. I do not think I would.

.

Sonnet 30

.

Liefde is niet het einde. Is geen eten en drinken.

Is geen dak boven het hoofd tegen de regen,

geen reddingsboei voor wie verdrinken.

Liefde is nergens voor en nergens tegen.

Liefde biedt geen uitkomst tegen de dood.

Vult geen lege longen met lucht. Verricht geen wonder,

tenzij dat je elke dag al een beetje sterft in mijn schoot.

Je hebt er niets aan maar je kunt niet zonder.

Het kan best zijn dat ik in toekomende tijd,

verslagen van pijn en kreunend om respijt,

gesard door armoe en moe van het huilen

jouw liefde voor rust zou verruilen,

of de herinnering aan vannacht voor een kleiner verdriet.

Het kan best zijn. Maar ik geloof het niet.

.

Foto: Calr van Vechten, 1933

Duinlandschap

Adriaan Morriën

.

Als je, zoals ik, vlak bij zee en de duinen woont zou je soms bijna vergeten wat een prachtig landschap de duinen eigenlijk bieden. In zijn bundel ‘Avond in een tuin’ schrijft dichter Adriaan Morriën (1912 – 2002) een prachtig gedicht waaruit blijkt dat ook hij (hij werd geboren in Velzen) veel van de duinen hield. De bundel ‘Avond in een tuin’ werd in 1980 door G.A. van Oorschot uitgegeven.

.

Duinlandschap

.

De opeenvolging van de duinen

gezien van de top van de hoogste duin.

Het landschap golft

zonder zich te verroeren.

.

Elke tak, iedere grashalm, elk blad

en ook elke zandkorrel

iets afzonderlijks

maar daarom nog niet eenzaam.

.

Het geheel is eenzamer

dan elk deeltje afzonderlijk

omdat de hemel het geheel

niet werkelijk omvat.

.

Het gepiep van een vogel,

eerst niet opgemerkt in stilte,

door het gehoor uit de stilte gescheiden

en er daarna weer aan teruggegeven.

.

082

De mattenklopper

(bijna) vergeten dichters

.

Henricus Zacharias Alexander (Alex) Gutteling (1884 – 1910) was een dichter en criticus. Alex. Gutteling debuteerde in 1906 met ‘Een jeugd van liefde’. Zijn bundel ‘Doorgloeide wolken’ verscheen postuum in 1911. In 1912 verscheen eveneens postuum Guttelings vertaling van ‘Paradise Lost’ van de Engelse dichter John Milton.

Hoewel de dichter Gutteling uit het collectief geheugen van Nederland is verdwenen nam Gerrit Komrij een gedicht van hem op in de bundel ‘In liefde bloeyende’ de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten. Van Gutteling nam hij het gedicht ‘De mattenklopper’ op.

Komrij schrijft hierover: Het gaat over zoiets onspectaculairs als een mattenklopper. Zo’n ding lijkt op het eerste gezicht misschien geknipt voor het achterwerk van een poëzie-professor, maar minder als onderwerp voor een gedicht. Toch heeft Gutteling het aangedurfd. In het gedicht blijft hij in de ontroerde, verstilde toonzetting die bij een mattenklopper past.

.

De mattenklopper

.

Er is een schoonheid in ’t armoedigst kleine,
Die zich in stilsten droom slechts openbaart.
Gelijk somtijds een zwerver eenzaam staart
Naar een Moors venster, sierlijk rijk van lijnen,
Zo boeit dit nietig ding betoovrend mijnen
Ontroerden blik: hoe speels en toch hoe klaar ‘t
Riet zich verwindt en tot een steel zich paart:
Geringde palmenstam en blonde schijnen!

Was het een kunstenaar die voor het eerst verzon
Zo tot een kroon, een arabesk, te spreiden
lichte en veerkrachtige stengels, guld in zon?
Of is elk ding dat zorgvol en bescheiden
De mens goed voor zijn doel vervaardgen kon,
Schoon geen ’t vermoed, Schoonheid voor alle tijden?

.

dw

mattenklopper

Bruidskoor

De vier jaargetijden

.

In de bundel ‘De vier jaargetijden’ een keuze uit poëzie over klassieke muziek staat een prachtig en indringend gedicht van Saul van Messel. De titel van dit gedicht verwijst naar het Bruidskoor in de Opera ‘Lohengrin’ van Richard Wagner. Saul van Messel (pseudoniem van Jaap Meijer 1912-1993) was Joods historicus, neerlandicus en dichter. Hij dichtte in het Gronings en in het Nederlands.

Hij promoveerde als laatste jood in oorlogstijd bij Jan Romein op Isaac de Costa’s weg naar het christendom. Kort daarna werd hij leraar aan het Joods Lyceum te Amsterdam, Anne Frank was een van zijn leerlingen. Met zijn vrouw Liesje en zoon Ischa werd hij gedeporteerd naar Westerbork (1943-1944) en Bergen Belsen (1944-1945). Na terugkeer, met vrouw en zoon, wijdde Meijer zich aan de geschiedschrijving van het jodendom in Nederland en werd hij leraar.

.

Bruidskoor uit Lohengrin

.

zij trouwden nog

in westerbork

.

hun huwelijksreis

heette transport

.

hun wittebroodsdagen

in sobibor

.

vermeldt geen

enkel rapport

.

wat maakt het ook

poëtisch uit

.

hij was de bruidegom

en zij de bruid

.

saul_van_messel

Camera Obscura

Adriaan Morriën

.

In de kringloopwinkel kocht ik weer een paar mooie bundeltjes. Een ervan is de ‘Dichters omnibus’ de 16e bloemlezing uit 1970. Ik had al een aantal van deze omnibussen uit de jaren ’60 maar dit exemplaar nog niet. In deze omnibus veel dichters die ik ken maar ook een aantal onbekenden. Een dichter die ik wel ken is Adriaan Morriën.

Adriaan Morriën (1912 – 2002) debuteerde in 1939 met de bundel ‘Hartslag’. Hij werkte na WO II vooral aan vertalingen, literaire beschouwingen en recensies voor onder andere Het Parool. Daarnaast werkte hij bij het Instituut voor Vertaalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Hij was betrokken bij de oprichting van het Fonds voor de Letteren. Als redacteur van een aantal literaire tijdschriften (onder andere Tirade), beoordeelde hij manuscripten. Ook was hij adviseur van de uitgeverijen G.A. van Oorschot en De Bezige Bij. Een aantal belangrijke schrijvers, onder wie Harry Mulisch, Gerard Reve en W.F. Hermans en de dichter Hans Lodeizen, werden door hem ‘mede-ontdekt’. Ook vertaalde hij verschillende Franse schrijvers.

Voor zijn vertalingen ontving hij in 1962 de Martinus Nijhoff-prijs en voor de dichtbundel ‘Oogappel’ kreeg hij in 1988 de Herman Gorterprijs. Uit de bundel ‘Het gebruik van een wandspiegel’ uit 1968 (en dus uit de Dichters omnibus) het gedicht ‘Camera Obscura’.

.

Camera Obscura

.

Door je grote pupillen

zou ik mijn hand willen steken

om op de tast te zoeken naar

de beelden die je van me bewaart.

.

Ik zou mijn eigen aanblik voelen

en weten waar ik  je heb aangeraakt,

waar ik nog warm ben in je

en waar ik al ben afgekoeld.

.

img_5722

Agony

Giuseppe Ungaretti

.

Ik heb nog niet vaak over Italiaanse dichters geschreven maar daar komt vandaag verandering in. Geen gedicht in het Italiaans, sorry liefhebbers die ook Italiaans lezen, maar vertaald in het Engels. In een boekhandel in Londen kwam ik een vuistdikke bundel tegen met vertaalde hedendaagse Italiaanse dichters. Ik heb er een paar opgetekend en die wil ik vandaag met je delen.

Giuseppe Ungaretti (1888 – 1970) werd geboren in Alexandrië in Egypte als zoon van een immigrant die had meegewerkt aan het Suez Kanaal. In 1912 verhuisde hij naar Frankrijk om te studeren aan het Collegè de France en de Sorbonne. Daar leerde hij kunstenaars kennen als Guillaume Apollinaire, Pablo Picasso, Giorgio de Chirico, Georges Braque, en Amedeo Modigliani.

In 1921 verhuisde hij naar Rome waar hij voor de Gazzetta del Popolo begon te schrijven. Tijdens een congres van de Pen Club in Brazilië ontving hij een uitnodiging voor de functie van docent van de Italiaanse taal en literatuur aan de universiteit van San Paulo. In 1942 keerde hij terug naar Italië waar hij docent werd aan de universiteit van Rome van hedendaagse Italiaanse literatuur. In 1956 heeft hij de ‘Grand Prix International de Poesie’ gewonnen.

Zijn gedichten zijn kort en vertonen een grote eenvoud en zeggingskracht. Hij voelde zich sterk beïnvloed door Petrarca en Leopardi met name door de zang en de maat, en beoefende enige tijd het vrije vers. Al vroeg maakt hij kennis met de Franse symbolisten. Dit heeft Ungaretti ertoe gebracht om de typische techniek van verduistering over te nemen.  “Ware poëzie moet een duistere manier van onthulling hebben” zo zei hij eens. De techniek beschikt over alle mogelijkheden om het enkele woord meer vrijheid te geven, door middel van afschaffing van interpunctie, stilistische isolatie of met een compositie van puntdicht.

Belangrijke modernistische thema’s in de poëzie van Ungaretti zijn de ballingschap, de versplintering van het ‘ik’-personage, de reis of zoektocht naar een belofte of een antwoord in de wereld of de natuur. En hoewel hij zich tot het fascisme aangetrokken voelde en zich ook aansloot bij het fascisme in 1942 is hiervan in zijn werk niets terug te vinden.

Patrick Creagh en Kevin Hart vertaalde de onderstaande gedichten in het Engels.

.

Eternal

.

Between one flower picked and the other given

the inexpressible nothing

.

Agony

.

To die like thirsty larks

beside the mirage.

.

Or like the quail

crossing the pounded beach

to die

in the first bushes because

it has lost the will

to fly.

.

But not to feed on grief

like a blinded finch.

.

Giuseppe_Ungaretti_(basco)

Afscheid

Adriaan Morriën

.

Adriaan Morriën (1912-2002) was dichter, essayist, vertaler en criticus. In 1935 debuteerde hij met een gedicht in het, door Menno ter Braak, E. du Perron en Marice Roelants opgerichte, tijdschrift Forum.

Morriën was een bijzonder man binnen de letteren. Zo schreef hij vertalingen, literaire beschouwingen en recensies voor onder andere Het Parool en werkte hij bij het Instituut voor Vertaalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Maar hij was ook betrokken bij de oprichting van het Fonds voor de Letteren en werkzaam als redacteur van een aantal literaire tijdschriften waaronder Tirade. Daarnaast was hij adviseur van de uitgeverijen van Oorschot en De Bezige Bij.

Maar hij was ook dichter. Tijdens zijn leven publiceerde hij meer dan 15 poëziebundels waaronder zijn ‘Verzamelde gedichten’ in 1994 waaruit het volgende gedicht afkomstig is.

.

Afscheid

.

Zul je voorzichtig zijn?

.

Ik weet wel dat je maar een boodschap doet

hier om de hoek

en dat je niet gekleed bent voor een lange reis

.

je kus is licht

je blik gerust

en vredig zijn je hand en voet

.

Maar achter deze hoek

een werelddeel

achter dit ogenblik

een zee van tijd

.

Zul je voorzichtig zijn?

.

AM

Met dank aan het ANP Historisch Archief
%d bloggers liken dit: