Site-archief

Italiaanse dichter

Europa

.

Ik realiseerde me dat ik op dit blog eigenlijk weinig over Italiaanse dichters heb geschreven, toen ik de bundel ‘Olijven en zilveren populieren’ tegen kwam in een stapel boeken die al een tijd naast mijn bureau stond. Deze bloemlezing uit 1960 van de ‘Moderne’ Italiaanse lyriek werd in Den Haag uitgegeven door uitgeverij L.J.C. Boucher, ingeleid door Giacomo Prampolini en van Nederlandse vertalingen voorzien door Catharina Ypes.

In de bundel staat een overzicht van, in 1960, als modern geldende dichters uit Italië, dichters geboren tussen 1876 en 1924. Feitelijk dus in alle gevallen inmiddels overleden dichters. Een van de meest recent geboren en overleden dichters die vertegenwoordigd is in de bundel, is de dichter Franco Fortini (1917 – 1994). Naast dichter was Fortini schrijver, vertaler, essayist, literair criticus en marxistische intellectueel.

Van 1964 tot 1972 gaf hij les op middelbare scholen en vanaf 1976 bekleedde hij de leerstoel Literaire Kritiek aan de Universiteit van Siena . Gedurende deze periode had hij aanzienlijke invloed op jongere generaties die op zoek waren naar sociale en intellectuele verandering. Hij werd beschouwd als een van de belangrijkste intellectuelen van Italiaans Nieuw Links. Fortini werd geassocieerd met enkele van de belangrijkste Europese schrijvers en intellectuelen, zoals Sartre , Brecht , Barthes en Lukács en hij vertaalde werken van grote dichters, schrijvers en intellectuelen als Goethe , Brecht, MiltonProustKafka, FlaubertGide en vele anderen.

Als je dit rijtje zo ziet zal het niet verbazen dat een van de gedichten die is opgenomen in deze bundel als onderwerp en titel ‘Europa’ heeft. In een week waarin bekend is geworden of het Verenigd Koninkrijk Europa via een (no deal) Brexit gaat verlaten, leek me dit wel een passend gedicht.

.

Europa

.

Lang zullen wij door de ramen kijken naar de lichten en de losplaats

van een station in de nacht, waar een zwijgende menigte is

van slapenden en van doden uit andere winters.

.

De hand heeft de hand verloren en het voorhoofd is gezonken,

het hart heeft het trage hart verlaten. De schildwachten

lopen in de sneeuw voortdurend op en neer.

.

Verlaat ons niet, o slaap, de laatste schim van onszelf,

tot de dag verrijst die de gezichten wakker zal maken,

tot die zelfde dag schreeuwt, als hij de doden herkent,

.

en de ijskoude hand wordt bedekt met vurige tranen.

.

Herman Melville

In de gevangenis

.

Eens in de zoveel tijd kom ik een schrijver tegen van naam die ook poëzie schrijft of heeft geschreven terwijl ik daar niet van op de hoogte was. Zo iemand is de Amerikaanse schrijver Herman Melville (1819 – 1891) Zijn bekendste werken zijn de romans ‘Typee’ (1846) maar vooral ‘Moby-Dick’ (1851). In zijn tijd waren Zuidzee avonturen een populair literair genre in de Verenigde Staten, maar bij zijn dood was hij alweer vrijwel vergeten.  Toch hebben zijn romans van de zee, en dan vooral Moby-Dick, de tand des tijds weerstaan en behoort deze roman inmiddels tot de klassieke Amerikaanse romans.

Hoewel zijn poëzie minder vaak wordt gelezen, beweren critici dat deze ook historisch significant, thematisch complex en hoogstaand is. Stanton Garner, auteur van ‘The Civil War World of Herman Melville’ , beschreef Melville als ‘de derde deelnemer aan de Amerikaanse poëtische revolutie in het midden van de 19e eeuw’, samen met Emily Dickinson en Walt Whitman. 

In feite bracht Melville de laatste decennia van zijn leven door met het schrijven van poëzie. Zijn gepubliceerde collecties omvatten ‘Battle-Pieces and Aspects of the War’ (1866), een intieme en zeer persoonlijke reactie op de burgeroorlog en het allegorische epos ‘Clarel: A Poem and Pilgrimage in the Holy Land’ (1876).

Uit : ‘Words for the Hour’: A New Anthology of American Civil War Poetry , uitgegeven door Faith Barrett en Cristanne Miller (University of Massachusetts Press, 2005) komt het gedicht ‘In the Prison Pen’ (In de gevangenis).

.

In the Prison Pen

.

Listless he eyes the palisades
     And sentries in the glare;
’Tis barren as a pelican-beach—
     But his world is ended there.
 .
Nothing to do; and vacant hands
     Bring on the idiot-pain;
He tries to think—to recollect,
     But the blur is on his brain.
 .
Around him swarm the plaining ghosts
     Like those on Virgil’s shore—
A wilderness of faces dim,
     And pale ones gashed and hoar.
 .
A smiting sun. No shed, no tree;
     He totters to his lair—
A den that sick hands dug in earth
     Ere famine wasted there,
 .
Or, dropping in his place, he swoons,
     Walled in by throngs that press,
Till forth from the throngs they bear him dead—
      Dead in his meagerness.

.

Tranen

G.H.J.E. Boswel

.

De van afkomst Engelse maar in Nederland geboren dichter George Henry James Elliot Boswel (1830 – 1874) verhuisde op jonge leeftijd naar Den Haag waar hij op 16 jarige leeftijd klerk werd aan het Ministerie van Koloniën, waar hij opklom tot referendaris. Hij was bevriend met de dichter Van Zeggelen en andere leden van het Haagsche kring ‘Oefening kweekt kennis’. Boswel was zelf ook actief in de literatuur en werd een populair Nederlands dichter.  Boswel was lid van de Maatsschappij  der Nederlandse  Letterkunde  te Leiden. In 1863 verschijnt van zijn hand de bundel ‘In een bandje’ met gedichten uit het leven gerepen waarin ook humor een belangrijke plek krijgt en in 1876 verschijnt ‘Gezamenlijke gedichten’.

Op Allerzielen (2 november) zal ik samen met een aantal andere dichters op begraafplaats Oud Eik en Duinen, in het kader van Dichter bij de dood, het onderstaande gedicht voordragen van Boswel samen met een eigen gedicht. Bezoekers kunnen een route volgen langs de dichters en de graven van bekende schrijvers en dichters die daar begraven liggen. De aanvang is 19.00 uur en de begraafplaats is gesitiueerd op Laan van Eik en Duinen 40 in Den Haag.

.

Tranen

.

Droevige ziel! die geen uitkomst meer weet,
Is uwe hope gezwicht?
God geeft u tranen tot balsem in ’t leed…
Broeder! uw lijden wordt licht!

.

Deed ge uw beminde uwe liefde verstaan,
Glipte uit haar lipjes geen woord;
Welde er van weelde in haar oogjes een traan?…
Makker! uw dageraad gloort!

.

Werd gij, verdoolde! der deugd weer getrouw;
Buigt gij boetvaardig u neer;
Biecht gij uw schuld in een traan van berouw?…
Heil u! en zondig niet meer!

.
Mij treffen marmeren tomben niet; neen,
‘k Zie ze wangunstig niet aan;
‘k Vraag aan mijn vrienden geen ijzer of steen…
‘k Wens op mijn graf maar een traan!

.

Zalig! wie immer aan ’t goed dat hij doet,
Tranen van meêlij vereent! –
Zalig! om wie ooit een lijdend gemoed
Tranen van vreugd heeft geweend!

.

Aan mijn broer

Christo Botev

.

De Bulgaarse dichter Christo Botev (1848 – 1876) was dichter en nationaal revolutionair . Botev wordt door Bulgaren algemeen beschouwd als een symbolische historische figuur en nationale held.

In 1875 publiceerde Botev zijn poëtische werken in een boek genaamd ‘Liederen en gedichten’, samen met een andere Bulgaarse revolutionaire dichter en toekomstige politicus en staatsman Stefan Stambolov . Botevs poëzie weerspiegelde de gevoelens van de arme mensen, vol met revolutionaire ideeën, strijdend voor hun vrijheid tegen zowel buitenlandse als binnenlandse tirannen. Zijn poëzie wordt beïnvloed door de Russische revolutionaire democraten en de figuren van de Parijse Commune . Onder deze invloed verrees Botev zowel als dichter als revolutionair democraat. Veel van zijn gedichten zijn doordrenkt van revolutionaire ijver en vastberadenheid. Anderen zijn romantisch, zelfs elegisch. Misschien wel de grootste van zijn gedichten is ‘The Hanging of Vasil Levski’ (“Obesvaneto na Vasil Levski”).

Het gedicht ‘Aan mijn broer’ werd vertaald uit het Bulgaars door Ton en Marijke Delemarre.

.

Aan mijn broer

.

Hard is het, broertje, tussen

stupide mafkezen te leven

die mijn zielevuur verblussen

zout in mijn hartewond wreven.

.

Vaderland lief, u bemin ik.

Over uw oude erfgoed beschik ik

maar inwendig broertje, verstik ik,

zo haat ik die dwazen verschrikkelijk.

.

Duistere dromen, woeste gedachten

folteren mijn jonge geest.

Ach wie legt zijn handen zachte

rond dit hart, zozeer verweesd?

.

Niemand, niemand, nooit begeert het

noch geluk, noch vrijheid want

zo uitzinnig resoneert het

op de noodkreet van het land.

.

Waarlijk broertje, heimlijk huil ik

op het graf van het volk geknecht.

Maar zeg mij: wat wint uiteindelijk

op deze aardkloot nog respect?

.

Niets toch. Niets! Er is geen antwoord

op een roep oprecht en vrij.

En ook jouw ziel heeft geen antwoord

op Gods stem – het volksgeschrei.

.

Facetten der Nederlandse poëzie

Jan Prins

.

Vandaag uit mijn boekenkast een bundel gepakt die er op het eerste oog wat saai uitziet. Cremekleurig met op de voorkant slechts een frame met letters (de n en de d van de uitgeverij Nijgh & van Ditmar te) en daarbinnen de titel ‘Facetten der Nederlandse poëzie, van Kloos tot Elsschot’ uit 1964.

Dit is deel 68 uit de Nimmer dralend reeks (enkel deel) en deel 3 uit de ‘Facetten van de poëzie’. Samengesteld door Pierre H. Dubois, Karel Jonckheere en Laurens van der Waal. In de inleiding stellen zij over de totstandkoming en keuze der dichters onder andere: “..dat de litteratuur in Noord en Zuid als één geheel wordt beschouwd en er derhalve naar een redelijk evenwicht tussen beide werd gezocht.” Poëzie en dichters uit Nederland en Vlaanderen dus.

Omdat er vele prachtige gedichten in deze bundel staan, heb ik gekozen voor een gedicht van een, mij onbekende, dichter namelijk Jan Prins.

Jan Prins (1876 – 1948) werd geboren in Rotterdam, werkte van 1892 tot 1924 bij de Marine. In zijn poëzie geeft Prins blijk van zijn liefde voor het Nederlandse (en later ook Indische) landschap. Jan prins kreeg bekendheid door de gedichten die hij schreef over het bombardement op Rotterdam in 1940. Oorspronkelijk uit de bundel ‘Bijeengebrachte Gedichten’ uit 1947 het gedicht ‘De stad’.

.

De stad

.

De stad ligt in den avondgloed, –

De torens en de tinnen blinken, –

En ’t laag gedaalde zonlicht doet

Wat kleurig was in schaduw zinken.

.

De schemerige wegen zijn

Nog vol, en in de nauwe stegen

Ziet men zich in den valen schijn

Een vagen mensendrom bewegen.

.

Chinezen met hun onbehaard

Gelaat en rustige Javanen

En Arabieren, trots-behaard,

In hun wijdzeilende soutanen.

.

De bruggen over de rivier

Bespannen met haar smalle bogen

Het bleke water, waarin hier

En daar iets donkers wordt bewogen.

.

De vrouwen komen af en aan,

Die water in de kruiken halen,

En met een doek gesluierd gaan

Als in de Bijbelse verhalen.

.

De kooplui zitten op den grond

Bij lampen, die nu de gezichten

Der stille kopers, in het rond

Gebukt, beginnen te verlichten.

.

Een enkele beweging slaat

Nog uit de menigte naar voren

En vlamt in ’t rosse licht, en gaat

Weer in de menigte verloren.

.

En vreemder wordt, nu ’t avonduur

Opnieuw de mensen komt vertroosten,

In ’t licht dat zwicht na ’t middagvuur,

De vreemde wereld van het Oosten.

.

jan_prins

JP bijeengebrachte

 

IMG_9348

prinsjanhandt

Gedicht als paard

Max Jacob 

.

Op een Franse website over poëzie kwam ik een gedicht tegen in de vorm van een paard van Max Jacob. Max Jacob (1876 – 1944) was schrijver, essayist, schilder en dichter en was bevriend met Pablo Picasso. Max Jacob stierf in 1944 in het gevangenkamp Drancy.

Dit beeldgedicht is een stuk uit een langer gedicht van Max Jacob en is getiteld ‘Pour les enfants et pour les raffinés’. Uit de bundel “Les œuvres burlesques et mystiques de Frère Matorel“- Henry Kahnweiler, 1912.

.

paard

.

À Paris sur un cheval gris
À Nevers sur un cheval vert
À Issoire sur un cheval noir
Ah ! Qu’il est beau
qu’il est beau
Ah ! Qu’il est beau
Qu’il est beau!
Tiou !

.

Voor wie de Franse taal machtig is en/of van Franse poëzie houdt is er veel te genieten op de website http://lieucommun.canalblog.com/

%d bloggers liken dit: