Categorie archief: Vakantie poëzie

In het licht van het huidige tijdgewricht

Jules Deelder

.

Het aardige van sommige titels van gedichten is dat ze nooit verouderen of niet meer actueel zijn. Kijk naar het gedicht van Jules Deelder ‘In het licht van het huidige tijdgewricht’ gepubliceerd in de bundel ‘Transeuropa’ in 1995. Het tijdsgewricht van de jaren ’90 is zo anders dan het ‘huidige’ tijdgewricht (de jaren ’10) en toch kan de titel nog altijd gelden. En wanneer je dan het gedicht leest blijkt dit ook nog eens tijdloos te zijn.

.

In het licht van het huidige tijdgewricht

.

Te leven in een tijd
Waar niets meer waarde
Heeft dan geld is als
Boksen in de hel zonder
Helpers en zonder bel
.
Je stoot je leeg en in-
Casseert zonder één de-
Conde rust want voor je
Het weet is het gebeurd
En zit je op je reet
.
De strijd is zwaar en
Zonder zin want uitein-
Delijk is er maar één
Die gaat strijken met
De winst en dat is Hein
.
Dus boks gerust maar
Vergeet nooit dat wie
Het ook is je altijd met
Je tegenstander in het-
Zelfde schuitje zit

.

Advertenties

Klacht voor een gestorven concubine

Keizer Woe van Han

.

Een liefdesgedicht hoort ook bij vakantiepoëzie. Daarom uit een van de mooiste bundel over de liefde ‘De liefste’ onsterfelijke liefdesverzen samengesteld en vertaald door Paul Claes uit 1990 een gedicht van Keizer Woe van Han getiteld ‘Klacht voor een gestorven concubine’.

.

Klacht voor een gestorven concubine

.

Van zijden mouwen geen geruis.

In ’t jaden voorhof groeit het gruis.

Verlaten ligt de kille zaal.

Een blad viel in het voorportaal.

Ik weet niet waar mijn liefste is.

Zij voelt niet hoezeer ik haar mis.

.

De zomen van het licht

Ida Gerhardt

.

Een zomer vol vakantie poëzie kan niet zonder een gedicht van Ida Gerhardt. Uit haar bundel ‘De zomen van het licht’ uit 1983 het gedicht ‘Het volmaakte’.

.

Het volmaakte

.

Ik gaf mijn kind een zilveren bal.

het werd zijn één, het werd zijn al;

en hij die steeds met ieder deelt,

hij schreit als iemand er mee speelt,

.

Ik sprak tot hem met zacht vermaan;

hij zag mij lang verwonderd aan

en liet toen stil zijn tranen gaan.

.

Ik gaf mijn kind een zilveren bal:

bracht ik zijn onschuld nu ten val?

Of ben ik blind? – Het goddelijke kind

hield in zijn handjes het heelal.

.

Jongens jongens jongens jongens

Kees van Kooten

.

Kees van Kooten (1941) droeg het gedicht ‘Jongens jongens jongens jongens’ in 2018 voor tijdens een aflevering van ‘De wereld draait door’. Bij de BNN/VARA.  Omdat het verder nergens is terug te lezen wil ik het graag met jullie delen.

.

Jongens jongens jongens jongens

.

Jongens, jongens, jongens, jongens.

En één of twee meisjes achter wie wij aanfietsten.

Want wij durfden niet naast ze te rijden. Alleen hard erlangs terwijl, wij keken naar de neuzen van onze sandalen op de blokken van onze pedalen.

De volgende morgen kerfde je haar initialen in de bank waaronder een verboden knokboekje van Dick Bos werd doorgegeven en ik schreef 3 september negentienvierenvijftig rechts bovenaan mijn blaadje en keek lang naar buiten waar het leefde.

Drie jonge bladloze gemeenteboompjes aan een paal om hun hals. De strakke acht van een verschoten soldatenkoppelriem tegen het omwaaien.

Wij kregen Nederlands en lazen van geen wereld die ons leuk leek van geen land waar wij hadden willen wonen van geen jongen die wij wilden wezen.

Bleven wij nog lang alleen zo?

Jongens jongens jongens, en na een tijdje gewone meneren?

Liep er niemand door dit Letterland die de klasdeur kwam intrappen, de ramen los wou gooien en ons openbreken zou, zodat al die onvoldoende jongensboeken voorgoed in een doos naar zolder konden?

Toen is er één jongen op eigen houtje uit bladeren gegaan. Over zijn toeren kwam hij terug en liet ons lezen waar hij ze had zien staan: de woorden die wij zochten, de jongenszielsverwante zinnen die zeiden wat we waren en wat we wilden maar best begrepen dat niet kon: alle dagen feest en hand in hand, boven ons hele leven zweven.

Jongens jongens jongens, en altijd te weinig meisjes, maar die jongen teveel, bij de pickup, wilde jij wel zijn.

Als je er maar bij kon zijn en mee mocht wanneer ze een standbeeld gingen opwinden en de volgende morgen weer gewoon naar school, maar nu onkwetsbaar door een geheim.

Sedertdien werd Remco Campert doorgegeven onder banken waarop niets meer werd geschreven want eindelijk stond het ergens.

Jongens jongens jongens jongens op het eindexamenfeest in negentiennegenenvijftig.

Eentje had er een mes bij zich en het mooiste meisje bij wie het thuis was en dat Camperts verhaal van de Jongen met het Mes net zo geilgelovig als wij had gelezen, verklaarde zich bereid om met haar petticoat omhoog en haar benen wijd tegen de huiskamerdeur te gaan staan.

Vijf minuten wachtte ze, maar geen van de jongens durfde de schrijver na te leven en het mes te richten op het topje van de hardboard wigwam tussen haar benen.

En we gingen wel naar Parijs, maar met onze ouders.

Tien jaar later waren alle jongens getrouwd met meisjes van andere scholen en ze zijn overal gaan wonen en ze zijn in zaken gegaan en ze hebben elkander van alles aangedaan. Hun zonen mogen tegenwoordig Remco Campert lezen van hun scholen.

Vannacht sloop er nog zo’n vader zijn bed uit, pakte Liefdes Schijnbewegingen en las zich een stukje tot jongen. Toen kroop hij terug, zijn vrouw vroeg wat er was en hij zei: ‘ik had dorst schat, ben even wat wezen drinken van Remco Campert.’

‘Ik wist niet dat je nog wakker was,’ gaapte zij. ‘En wanneer wij nu die stomme Telegraaf opzeggen en De Volkskrant nemen, dan hebben wij hem elke donderdag en zaterdag’

.

Wie verliefd is..

Karel Eykman

.

Van de schrijver en dichter Karel Eykman (1936) verscheen in 1982 de verzamelbundel ‘Wie verliefd is gaat voor’ met honderden liedjes en gedichten die Eykman schreef voor het jeugdtheater, televisie en radio. Uit deze bundel het gedicht/liedje ‘Hij had een motor en wist er alles van’.

.

Hij had een motor en wist er alles van

.

Hij had een motor en wist er alles van
en ik hielp hem zoals een kind dat kan
(’t is jaren terug).
En zo van lieverlee werd hij een echte vriend
al was hij groot mens en was ik nog een kind
(dat vergeet ik niet vlug).
Ik werd vertroeteld, geknuffeld en verwend
zoals alleen iemand die je goed kent
(’t is jaren terug).
Ik had het fijn bij hem en was op mijn gemak
en ik begreep niet wat daar voor kwaads in stak
(dat vergeet ik niet vlug).
Hoe hij dan zei met zijn grappige gezicht
hoe hij dan praatte, net als een gedicht:
Jossie, lief Jossie, klein Jossie, goed Jossie
goed lijf Jossie, goed zicht.
.
En nooit vergeet ik wie hij toen voor me was
ik was toen dom en eenzaam in de klas
(’t is jaren terug).
En was ik droevig toen of wou ’t op school niet gaan
dan kroop ik zachtjes zo tegen hem aan
(dat vergeet ik niet vlug).
Toen zei m’n vader: ‘Wat moet jij met die miet?’
Toen was het uit, toen mocht het verder niet
(’t is jaren terug).
Al ben ik nu groot mens en jaren lang getrouwd
ik zorg ervoor dat ik hem goed onthoud
(dat vergeet ik niet vlug).
Hoe hij dan zei, met zijn grappige gezicht.
Hoe hij dan praatte, net als een gedicht:
Jossie, lief Jossie, klein Jossie, goed Jossie
goed lijf Jossie, goed zicht.

.

Charles Bukowski

De poëzie lezing

.

Ik heb op dit log al veel en vaak een gedicht of een stuk over één van mijn favoriete dichters Charles Bukowski gedeeld. Dus waarom in deze vakantie periode niet nog een. Daarom hier het gedicht ‘The Poetry Reading’ een heerlijk, tikje vilein maar eerlijk gedicht over het voordragen van gedichten.

.

the poetry reading

.

poetry readings have to be some of the saddest
damned things ever,
the gathering of the clansmen and clanladies,
week after week, month after month, year
after year,
getting old together,
reading on to tiny gatherings,
still hoping their genius will be
discovered,
making tapes together, discs together,
sweating for applause
they read basically to and for
each other,
they can’t find a New York publisher
or one
within miles,
but they read on and on
in the poetry holes of America,
never daunted,
never considering the possibility that
their talent might be
thin, almost invisible,
they read on and on
before their mothers, their sisters, their husbands,
their wives, their friends, the other poets
and the handful of idiots who have wandered
in
from nowhere.
.
I am ashamed for them,
I am ashamed that they have to bolster each other,
I am ashamed for their lisping egos,
their lack of guts.
.
if these are our creators,
please, please give me something else:
.
a drunken plumber at a bowling alley,
a prelim boy in a four rounder,
a jock guiding his horse through along the
rail,
a bartender on last call,
a waitress pouring me a coffee,
a drunk sleeping in a deserted doorway,
a dog munching a dry bone,
an elephant’s fart in a circus tent,
a 6 p.m. freeway crush,
the mailman telling a dirty joke
.
anything
anything
but
these.

.

Aarde

René Verbeeck

.

In de Poëziereeks van het Davidsfonds werd in 1968 de bundel ‘Gedichten 1968, een keuze uit de tijdschriften’ uitgegeven waarin een overzicht van bekende en minder bekende dichters met een gedicht in zijn vertegenwoordigd. Bijzonder is dat bijvoorbeeld Herman de Coninck in deze bundel nog onbekend is en als Leraar te Mechelen beschreven staat. René Verbeeck (1904-1979) staat in deze bundel met twee gedichten waaronder het gedicht  ‘Aarde’. Verbeeck was medestichter en redacteur van De Tijdstroom (1930-1934) en Vormen (1935-1940). Hij was stichter en uitgever van de Bladen voor de Poëzie (1937-1944) en hij publiceerde verschillende dichtbundels.

.

Aarde

.

Aarde

meng nog lang

uw sterke kruiden in ons bloed

.

uw zout in ons verlangen.

.

dat wij niet spreken met gespleten tong

van hemel en van aarde

op de fijne festijnen van de geest:

.

ook de meest etherische bloem

met haar wortels in uw lichaam leeft.

.

Tweede vader

L.F. Rosen

.

De dichter L.F. Rosen kende ik niet maar uit zijn biografie en bibliografie blijkt dat hij inmiddels 5 bundels heeft gepubliceerd en dat zijn poëzie “behoedzaam en buigzaam is en waarin grote emoties wel omcirkeld worden maar nooit direct aangeraakt”. Uit de bundel ‘Onhandig hart’ uit 1998 het gedicht ‘Tweede vader’.

.

Tweede vader

.

Steeds strakker trok hij zijn cirkels om ons.
Hij was nooit ver. Nooit ver genoeg
dat wij ons buiten waagden zonder christendom.
Van Heere Heere zingend liepen wij door zijn jachtgebied,
keken niet op of om. Naderend tot zijn water
voelden wij zijn ogen die de sterren konden doven.
.
Later toen hij niet meer van je zijde week
en zelf een hart bezat waarin het spoken kon,
roep hij om ons door het plafond,
zocht vrede in onze dunne kelen vol ongeloof.

.

                                                                                                                                                                      Foto: Pieter Vandermeer / Tineke de Lange

De vereffening

Bart Chabot

.

Uit de (20ste!) dichtbundel van Bart Chabot (1954), ‘Hosanna dagen’ uit 2018 het gedicht ‘De vereffening’.

.

De vereffening

.

Ik had mijn vader een kwarteeuw niet gezien
laat staan gesproken
nu zocht ik hem op in het verpleeghuis
weldra zou hij sterven

via via had ik gehoord dat het niet goed ging
met degene die zich mijn vader noemde
en na ampel beraad
(zou ik wel, zou ik niet
wie schoot er wat mee op?)
zette ik de eerste stap
tenslotte woonde hij in een tehuis
bij mij om de hoek, geen ten minuten lopen
dat maakte die eerste stap wel zo makkelijk
zo’n opgave was het niet, een bezoekje,
qua afstand – de berken
beefden als skeletten langs de oprijlaan“““`

 

Hij was dement, was me gezegd
sprak wartaal
en herkende niets en niemand,
was me verteld
ik moest vooral nergens op rekenen
dan viel het alleen maar mee
maar toen ik op de begane grond de zaal in liep
herkende hij me meteen

het was een week na kerst
het nieuwe jaar stond in vol ornaat op de drempel
ik kampte met goeie voornemens
dat kun je hebben, soms
misschien speelde dat onbewust mee bij mijn komst –
hij zat in een rolstoel

– dag pap – zei ik
en legde een hand op zijn schouder
ik voelde zijn sleutelbeen
een dun, teer, broos stukje bot
dat zich eenvoudig verpulveren liet
hij was geen partij voor mij –
de rollen waren omgedraaid
hij keek naar me op
en begon te huilen

– dag pap – herhaalde ik
hij keek naar zijn loze schoot
en begon harder te huilen, mijn vader
er was iets misgegaan, leek hij
te beseffen
ergens onderweg,
iets wat niet meer te repareren viel

door zijn tranen heen
staarde hij me hopeloos aan
met hopeloze ogen
er was iets onherstelbaar misgegaan,
besefte hij, maar wat en hoe en waar?
– dag pap –
meer viel er niet te zeggen

buiten werd het donker, zag ik
de bomen liepen dicht
ik moest maar eens op huis aan
en dat vertelde ik hem ook
maar ik geloof niet dat hij me hoorde
of dat de boodschap tot hem doordrong
voor het raam zwaaide een twijg
me namens hem alvast uit
– dag pap-

alles bij elkaar duurde mijn bezoek
nog geen halfuur
langer was ook niet nodig
we wisten dat we elkaar niet meer zouden zien
en dat hoefde ook niet:
het onzegbare was gezegd,
het verzwegene verzwegen

toen ik wegging liet ik hem achter in de zaal
bij de andere stakkerds
met een slabber voor, ze gingen eten
maar zonder helpende hand lukte dat niet
dan liep, gleed en druppelde het meeste ernaast
hoogste tijd om te gaan, ik hoefde
niet alles te zien en niet alles te weten
sommige zake liet je beter rusten

bij de drempel keek ik nog één keer om
voor het laatst
– dag pap –
in de rolstoel zat een wrak

.

Laat

T. van Deel

.

Uit de bundel ‘Strafwerk’ uit 1969 van T. van Deel het vakantiegedicht ‘Laat’. Een gedicht in de vorm van een herinnering waarbij aan het einde van het gedicht ineens de dichter reageert vanuit het moment dat hij het gedicht schreef.

.

Laat

.

Op warme zomeravonden

als het laat nog licht was

zaten we in de tuin en mocht ik

langer opblijven omdat slapen niet ging.

Ik ving sprinkhanen

en stopte die in mijn moeders nek.

Dikwijls stond een buurman

over het hekje geleund te praten.

Het scheen grappig te zijn

want er werd gelachen –

dat hoor ik voor het eerst.

.

%d bloggers liken dit: