Categorie archief: Uit mijn boekenkast

Ze legt haar lippen te luister

Dimitri Verhulst

.

Ik werd vanmorgen wakker en ik voelde de behoefte aan schoonheid, aan ware poëzie, aan iets moois dat ik vandaag wilde delen. Staand voor mijn boekenkast kwam ik uit bij de bundel van Dimitri Verhulst ‘Stoppen met roken in 87 gedichten’ met daarin uit het hoofdstuk ‘De dochters worden wakker’ het gedicht 3.

.

3

.

De jacht is open op de dromen.

Ze opent de blinden en verzint

dat ze kan vrijen met het licht.

Zij is tezelfdertijd een vrouw,

tezelfdertijd een man,

en zij bemint zichzelf in evenwicht.

Ze legt haar lippen te luister

aan het vuile woord dat ze graag fluistert

wanneer ze koude ruiten likt.

Wat het vel veel beter weet:

de aanraking heeft een hekel

aan de zienden.

Zij sluit haar ogen

en laat zich wild bekruipen

door het onbekende.

Buiten tuchtigt de natuur

de wereld met haar wetten.

Maar in haar valt het licht nu in.

.

Advertenties

Miroslav Holub

De deur

.

In mijn boekenkast staat de dikke bundel ‘De geboorte van Sisyphus, een keuze uit de gedichten en andere teksten 1958-1998’ van de Tsjechische dichter Miroslav Holub (1923 – 1998), uitgegeven door de Bezige Bij in 2008 in een vertaling van Jana Beranová, die ik ooit cadeau kreeg van haar.  Ik heb al vaker iets gedeeld uit deze mooie bundel en dat doe ik graag nog eens. Daarom vandaag het gedicht ‘De deur’.

.

De deur

.

Kom, doe de deur open.

Misschien is buiten

een boom of een woud

of een tuin

of een magische stad.

.

Kom, doe de deur open.

Misschien krabt er een hond.

Misschien is er een gezicht

of een oog

of het beeld

van een beeld

.

Kom, doe de deur open.

Als er mist is,

trekt hij op.

.

Kom, doe de deur open.

Al was er alleen maar

tikkende duisternis,

al was er alleen maar

holle wind

al was er

niets

buiten,

kom, doe de deur open.

.

Het zal

tenminste

tochten.

.

 

Rakelings

Ria van Amelsvoort

.

Na het beëindigen van haar loopbaan als docent Frans begon Ria van Amelsvoort (1933) met het schrijven van proza en poëzie. Haar gedichten werden gepubliceerd in verschillende bloemlezingen en haar werk werd bekroond met verschillende prijzen waaronder tweemaal de Dunya Poëzieprijs. Haat taalgebruik is direct en doeltreffend. In 2010 verscheen van haar hand de bundel ‘ Rakelings’. In deze bundel komen thema’s als maatschappelijke betrokkenheid,, liefde, bezinning en aanvaarding aan de orde met name voor mensen met een verstandelijke handicap. Maar ook bespiegelingen op het moderne leven zoals in het gedicht ‘ Draadloos’.

.

Draadloos

.

als losgeslagen scheepjes

dobberen mobielen

op de mensenzee

draadloos aan de schelpen

nemen zij commando’s mee

intiem soms de gedachten

worden in de lucht gelost

.

ik mis het mij ommurende hok

waar ik ingekerfde liefde vond

als ik er te telefoneren stond

.

 

Poëzie schrijven

Over het hoe en wat van Poëzie

.

Op 31 januari jongstleden (Nationale Gedichtendag) verscheen in dagblad Trouw een artikel over Tom Lanoye, Poëzieweekdichter van 2019, waarin hij 5 tips geeft over ‘hoe je poëzie schrijft’. Ik moest meteen denken aan een bericht dat ik hier op 21 augustus 2017 op dit blog plaatste over wat poëzie nu eigenlijk is https://woutervanheiningen.wordpress.com/2017/08/21/poezie-zeker/. Een aantal zaken kwamen overheen. Ook de andere tips van Tom hebben in de loop der tijd dit blog wel gehaald. Al lezend in het artikel werd mij wel duidelijk dat we er hetzelfde over denken. Poëzie is vooral je ‘eigen stem’ vinden, wat je doet door veel naar poëzie te luisteren en het te lezen, en het gewoon doen, het schrijven.

Voor wie het artikel niet heeft gelezen hier de tips van Tom:

  1. Laat je door niemand iets wijsmaken. Wat poëzie precies is, is voor ieder mens anders. De een zal refereren aan de klassieken, aan de vaste versvormen, de ander zal deze juist ver van zich werpen. Poëzie komt in vele vormen en maten. Van sterk hermetische poëzie tot verhalende proza gedichten, van de beeld poëzie van de Dada dichters tot de readymades en stiftgedichten. Terecht merkt Tom op dat hoe meer kennis je hebt van de verschillende stijlen en technieken hoe beter je eigen poëzie vaak wordt. Ze wordt dan gelezen of opgenomen in een kader dat lezers (her)kennen.
  2. Léés voordat je gaat schrijven. Ook hier ben ik het hartgrondig eens met Tom. Om poëzie te kunnen schrijven (in welke vorm dan ook) heb je een kader nodig om je poëzie in te framen. dat is wat anders dan domweg iemand na doen of een stijl kopiëren. Lezen, lezen en nog eens lezen. Door veel te lezen merk je vanzelf welke vormen en stijlen je liggen en welke minder. De vorm die je bevalt en ligt kun je vervolgens jezelf eigen maken(wat ook echt iets anders is dan gewoon nadoen). Elke dichter heeft voorbeelden, wordt geïnspireerd door andere dichters. Door veel te lezen gaat er niet alleen een wereld voor je open, er zal zich ook een idee vormen van de poëzie die je zelf graag wil schrijven.
  3. Probeer alle genres zonder dedain. Deze is niet eenvoudig kan ik uit ervaring zeggen. Maar opnieuw heel waar. Jarenlang dacht (en vond) ik dat ik niet over een vaststaand thema kon dichten. Ik moest geïnspireerd worden. Maar ik wilde wel graag af en toe aan een wedstrijd meedoen. Dus ik heb mezelf ertoe gezet. Dit bleek heel succesvol, ik won wedstrijden met gedichten die ik speciaal voor dat doel had geschreven. een ander voorbeeld; ik werd gevraagd om een gedicht voor een kersttentoonstelling te schrijven. Het wilde maar niet lukken en toen dacht ik, laat ik eens gek doen, ik probeer een sonnet te schrijven. dat had ik nog nooit gedaan daarvoor. Vooral omdat ik dacht dat ik dat niet zou kunnen (te gekunsteld, te gezocht). Niets was minder waar. het ging me heel goed af en er kwam een prachtig, kloppend gedicht van waar ik nog steeds heel blij van wordt.
  4. Draag je poëzie voor. Deze komt uit mijn hart. Er is werkelijk niets mooiers, niets leukers dan je eigen poëzie voordragen en de reactie van de toehoorders te merken. Natuurlijk heb ik makkelijk praten, ik doe dit al jaren maar ik herinner me de eerste keer nog. Net voor het uitbrengen van mijn debuutbundel ging ik met de versie op A4 mijn gedichten voordragen. Ik was er (toen) niet bijster goed in maar het voelde geweldig, dit wilde ik. Een enkele keer zeg ik weleens tegen dichters dat het voordragen van je poëzie je gedichten pas echt laten leven. Na vele jaren oefenen denk ik het eindelijk een beetje onder de knie te hebben. Door te kijken en luisteren naar dichters die voordragen zal het je zelf ook steeds makkelijker afgaan. Dus doen!
  5. Als laatste punt laat Tom optekenen: vergeet niet te leven. En dat is natuurlijk waar. Wie dingen meemaakt heeft altijd een reservoir aan ideeën en herinneringen om over te schrijven. En daar horen de vervelende zaken van het leven ook wel degelijk bij. Dus liefde, romantiek, ontdekkingen en geluk maar ook ziekte, dood, ongeluk, verlies, wanhoop. Je hoeft er niet naar op zoek te gaan maar scherm je er niet voor af, doorleef de dingen. Ze zullen je poëzie ten goede komen.

Uitstekende tips dus van een goed schrijver en dichter. Ik zou daar heel onbescheiden nog een laatste aan toe willen voegen: Fantasie. Laat je fantasie de vrije loop, verzin dingen die niet kunnen, associeer er op los, laat woorden, zinnen ontstaan die misschien kant noch wal raken maar laat de fantast, het kind zo je wil, in jezelf los en schrijf. Je zult zien dat je hieruit de meest fantastische gedichten kunt distilleren. Misschien niet altijd als tekst maar zeker al idee.

Om een voorbeeld van zo’n soort gedicht te noemen heb ik gekozen voor een gedicht van Jeroen de Vos uit zijn bundel ‘Soms zijn drie woorden genoeg’ uit 2009.

.

Duet

.

Mijn gitaar staat naast zijn vriend

de piano

.

ze kunnen het wel vinden die twee.

.

vaak genoeg laat mijn gitaar zich

voorover vallen

zodat hij met zijn kop tegen de piano slaat

.

iedere keer als dat gebeurt trillen hun snaren

en komt er een onbestemd diep bombastisch

geluid naar boven.

.

daarna moeten ze onbedaarlijk lachen

.

                                                                                                                                                                                                                                             Foto Tom Lanoye: Saskia Lienard

Berijmd verzet

W.A. Wagener

.

De Rotterdamse Willem Adriaan Wagener (1901 – 1968) was kunstcriticus, schrijver, kunstredacteur van het Rotterdams Nieuwsblad en toneelregisseur. Daarnaast schreef hij ook gedichten. In de Poëzieweek deel ik gedichten over het thema ‘Vrijheid’ en in de bundel ‘Nooit heb ik wat ons werd ontnomen zo bitter, bitter liefgehad’ staan gedichten uit de jaren 1933 – 1945. Jaren waarin verzetspoëzie vaak het verlangen naar vrijheid uitdrukte, het verzet tegen de bezetter en de hoop dat men eens weer in vrijheid leven kon.

W.A. Wagener schreef verzetspoëzie tijdens de bezetting onder het pseudoniem Willem van Schieland in de clandestien uitgegeven bundel ‘Verkort front’ uit 1944 en uitgegeven in ‘s-Gravenhage. Daarmee was zijn rol als dichter gespeeld. Het zou bij deze éénmalige uitgave blijven. In de andere kunsten zou hij, na de oorlog een bekende naam worden in Rotterdam en daarbuiten.

.

Berijmd verzet

.

Vertreden volk, volhard niet in uw zwijgen,

Smeed uit uw fiere taal een bajonet

En wil daaraan, in naam van recht en wet

De leugenleer van de gehate rijgen.

.

Doorboor ’t bedrog, verscheur het duistre dreigen

En baan u, strijdend met berijmd verzet,

Met vlijmend puntdicht of gevijld sonnet,

De weg, die uit dit smartendal zal stijgen.

.

Een volk, dat slechts van zwijgen weet, en buigen,

Offert zich op ’t altaar van de tiran.

Vrijheid en recht verwerft een volk eerst dan

Wanneer ’t van vrijheidswil weet te getuigen.

.

Merk toch hoe sterk uw zelfbewustzijn wordt

Als ’t vrijheidslied zich in rijmen stort.

.

Ik heb alleen woorden

Rutger Kopland

.

Ik hou enorm van poëzie, van dichters en van hun dichtbundels. En daarnaast hou ik heel veel van themabundels. Ik heb er inmiddels al vele over verschillende thema’s. Een van die themabundels is ‘Ik heb alleen woorden’ uit 1998, de honderd meest troostrijke gedichten over afscheid en rouw uit de Nederlandse poëzie. Verzameld door Hans Warren en Mario Molegraaf. Op de achterflap van de bundel staat te lezen: Er zijn eindeloos veel soorten van verdriet- maar ook eindeloos veel soorten troost. En dat is natuurlijk ook zo. Verdriet en troost zijn persoonlijke belevingen en hoe we daar mee omgaan, wat we als verdriet of troost ervaren is voor elk van ons anders.

Lezend in deze themabundel kwam ik een gedicht van Rutger Kopland tegen. Oorspronkelijk verscheen dit gedicht in de bundel ‘Een lege plek om te blijven’ uit 19975. Een gedicht zonder titel waarvan ik me afvroeg wat de troost is die in dit gedicht schuilgaat. Oordeel zelf.

.

Boven het hooi hangt de boer in

de balken. In de sneeuw ligt de blote

boerin.

.

Onder de warme vacht van het dak

heeft het varken vergeefs gewacht op slobber

en slacht.

.

Wat is er gebeurd. Dit is heel erg, dit is

een gedicht waarin de boer, de boerin en

het varken

.

Sterven. Als een leeg nest in de winter

is warmte. Ik ben de kat in dit huis,

ze zijn weg.

.

Maar ik hou van de plek waar ik lag.

 

 

De stervende dichter

Hendrik Kretzer

.

In mijn boekenkast staat het boek ‘Dichten over dichten’ een bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 19e en 20ste eeuw. Een vuistdik boek met daarin echt prachtige gedichten over poëzie, over dichters, dichten en gedichten. De bundel is samengesteld door Atte Jongstra en Arjan Peters en verscheen in 1994. En hoewel dus al 25 jaar oud heeft deze bundel nog niets van zijn kracht verloren. Bijna 600 pagina’s smullen van prachtige poëzie over poëzie. Op de titelpagina staat onder de titel: Een ontwikkelingsgang, wat volgens mij slaat op de chronologische volgorde die is aangehouden maar lezend door de bundel vraag ik me dat eerlijk gezegd af, er lijkt geen chronologie in aangebracht. Gelukkig is er een bibliografie en inhoudsopgave. De bundel begint met een mededeling dat ‘Aan de wet omtrent het Kopijrecht is voldaan, gevolgd door een mededeling aan welke mensen een present-exemplaar is gezonden (den Koning, den Prins van Oranje, Prins Frederik der Nederlanden en een aantal ministers uit de 19e eeuw. Waarna het eerste, op een gedicht lijkende tekst op de derde pagina staat van P.G. Witsen Geysbeek: Intekening op de gedichten van – –

.

Liefdadigheid is een der eerste Christenpligten:

‘k weet niet wat meer, uw nood of uwe poëzy,

Myn hart beweegt tot medely’…

Ja, ‘k teken in op uw gedichten.

.

Al bladerend en lezend in het boek kwam ik een gedicht tegen van de, mij nog onbekende, dichter Hendrik Kretzer (1818 – 1856). Van hem is het gedicht ‘De stervende dichter’ opgenomen dat verscheen in 1895 in de bundel ‘Nederlandse scherts, humor en satire’. Op de geweldige webbsite https://www.dbnl.org staat te lezen over hem:  “Zijn ijverige arbeid in den tweeden jaargang van Braga heeft aanmerkelijke wijzigingen ondergaan, eer zij ter perse ging, door een medewerker, vaster in maat en rijm dan de genie-officier met zijne overigens groote talenten, die naast dit geestig dichtwerk zich op de wijsbegeerte toelegde en inzonderheid een sterk aanhanger was der toen hoogvereerde philosophie positive van Aug. Comte.”

Verder is niet veel van hem bekend behalve dat hij opgeleid werd aan de militaire academie en dat hij het tot 2e luitenant der genie heeft geschopt.

.

De stervende dichter

.

Snel vloog mijn penne rond. –

Sneller mijn inkt…

Groot was mijn schrijfinstinct –

Maar – ongezond.

‘k Sterf en – ’t verrast me niet!

‘k Zing nog een laatste lied

Uit de karaf –

Een been in ’t graf

.

Ziet hoe Aurore thans

Bleekt van de pijn!

Waar zal de weêrga zijn

Van mijn kadans?

Kroonloze Fuhri! vlugt …

Hoort vge geen plaat-gezucht?

’t Roept om een lier

’t Raakt me geen zier

.

Schrei niet zoo, lezeres!

’t Roert me te zeer.

Troost u: er gaan er meer

Met me op de flesch.

Na dit nog één koeplet

Dat er de kroon opzet: –

Lammer produkt

Is nooit gedrukt

.

Broeder hoe fronst ge zoo?

Wordt het u bang?

Volgt uw verbeelding noô?

Vroomt u me zang?

Neen! want me borrelpraat

Houdt zoo perfekt de maat,

Dat je er een punt

Aan zuigen kunt

.

 

Door toeval verbonden

Van Escher tot Dada en terug

.

Ed van Berkel (1945) is dichter en eigenaar van EdCom een educatief communicatie bureau in Hoek  van Holland. Daarnaast is hij lid van Schrijvers tussen de kassen, een groep schrijvers en dichters actief in en rond het Westland. In 2010 verscheen van zijn hand bij uitgeverij Pincio de bundel ‘Door toeval verbonden’ Hoek van Holland april 1939 – mei 1940, waarin Ed in eenentwintig gedichten de gebeurtenissen in Hoek van Holland verdicht in die periode. Geert Vinke maakte de illustraties bij de gedichten en dit resulteerde in een mooie inhoudelijke bundel. In het gedicht ‘Van Escher tot Dada en terug verwoord van Berkel de relatieve rust voor en de chaos en onzekerheid van de inwoners van Hoek van Holland op 14 mei 1940 toen de oorlog met het bombardement op Rotterdam in Nederland tot een dramatisch hoogtepunt kwam.

.

Van Escher tot Dada en terug

(10 – 14 mei)

.

Dorp aan de monding van de Maas

herhaling, regelmaat. boodschappen, schoolbel,

geluiden van het spoor en het water,

een enkele gast, klok op de hoek,

.

vertreksignaal van Beatrix en Emma

-al weer een half jaar verstomd-,

de rustende, roestende rails,

de symmetrie der dagen

.

in luttele uren door Junkers als ganzen

vermalen tot schaduw, van Dag naar Nacht,

van Escher tot pronkstuk van Dada.

.

Slapend in een loopgraaf, dekens met rode rand

-soldatenzorg- groepeert zich weer iets

van wat was,

.

en in de trapkast tijdens het luchtalarm, opeengepakt

Chaos en scherven buiten, Orde binnen-

de kleintjes achteraan,

.

vult zich de rest van de ruimte met rook

uit de pijp van opa.

.

Klankdicht

Antony Kok

.

Als de dichter Antony Kok (1882-1969) al bekend is bij de poëzieliefhebber dan is dat als medeoprichter van het internationaal vermaarde kunsttijdschrift De Stijl en de schrijver van één gedicht: ‘Nachtkroeg’. De bekendheid van ‘Nachtkroeg’ is te danken aan Paul Rodenko, die het gedicht in 1954 opnam in zijn bloemlezing uit de poëzie der avant-garde: Nieuwe griffels schone leien. Op 17 maart 2013 schreef ik over deze bundel en mijn bijzondere exemplaar https://woutervanheiningen.wordpress.com/2013/03/17/nieuwe-griffels-schone-leien/. Inderdtijd was Kok daar toen wel blij mee. Hij had er zich al bij neergelegd dat zijn literaire werk in de vergetelheid zou raken.

In de periode tussen 1915 en 1923 stortte Kok zich in het avontuur van de experimentele literatuur. Dit werd mede veroorzaakt door zijn vriendschap met schilder, architect en schrijver Theo van Doesburg (1883-1931).  Vanaf het begin hebben ze in een briefwisseling elkaars ideeën over kunst en literatuur toevertrouwd. Van Doesburg probeerde zijn vriend tot grotere literaire prestaties te stimuleren. Op 11 februari 1916 schrijft hij aan Antony Kok: ‘Verzen lezen is verzen luisteren. Men leest de woorden en luistert naar den zin er van in zijn binnenste. Zoo heb ik je verzen gelezen: beluisterd’. Maar Van Doesburg wil meer van Kok: ‘ Je verzen zeiden me niet genoeg. Stuur mij verzen, die mij brengen, waar geen sterveling geweest is. Stuur mij verzen, die mij optillen van mijn stoel en mij plaatsen in den hemel. Naar zulke verzen snak ik!’

In 1920 schreven Piet Mondriaan, Theo van Doesburg en Antony Kok hun ideeën op in ‘De Stijl’ een manifest over de literatuur: over de oude en de nieuwe kunst, het individuele versus het universele en de hervorming van de kunst en cultuur. Op alle gebieden van de kunst en cultuur dus ook op die van de poëzie. Het gedicht ‘Klanken’ uit 1916 is een typisch voorbeeld van de beoogde nieuwe poëzie. In een aantekening geeft Kok aan dat hij de op straat door een voorbijganger uitgesproken zin: ‘De straat daar rechts daar zullen we heen’ verstond als ‘Statewets da wubbel dahee’.

.

 

Zomerwind

Jo Kalmijn-Spierenburg

.

Uit de heerlijke serie (al is het maar door de titel) ‘Met een boekske in een hoekske’ uit de Libellen serie, heb ik rond Oud en Nieuw in Groningen weer twee nieuwe deeltjes gekocht. Een van deze twee is het bundeltje ‘Zomerwind’ van Jo Kalmijn-Spierenburg (deel 377). Na enig speurwerk kwam ik erachter dat deze bundel in 1939 werd uitgegeven (het bundeltje zelf geeft geen uitsluitsel). Jo Kalmijn-Spierenburg (1905 – 1991) was schrijfster van gedichten, romans en kinderboeken. Voor wie meer wil weten over leven en werken van Jo Klamijn-Spierenburg verwijs ik graag naar de beschrijving van har werk op https://www.dbnl.org/tekst/_nie002193901_01/_nie002193901_01_0219.php

Uit dit leuke vierkant uitgegeven bundeltje (alle Libellen reeks deeltje zijn vierkant van vorm), het gedicht ‘Het is geen lente nog’.

.

Het is geen lente nog

.

Maar een vermoeden, onuitspreek’lijk teeder,

van komend bloesemen vlaagt aan.

Men weet niet hoe of waar vandaan.

.

De lucht is grijs gelijk een duivenveder,

een glanzend grijs. en er begint

iets luws te zwellen in den wind.

.

Er is een and’re klank in ’t vogelfluiten,

een dieper en een voller slag

in ieder lied op dezen dag.

.

Er is een mildheid, een zich zacht ontsluiten

voor al wat zuiver is en goed.

Een nieuw geloof en nieuwe moed…..

.

%d bloggers liken dit: