Categorie archief: Gedichten op vreemde plekken

Het 747 project

Poëzie op een vliegtuig

.

Al enige tijd was ik op zoek naar poëzie op een vliegtuig. “Poëzie is overal” roep ik al langere tijd maar een gedicht op een vliegtuig was ik nog nergens tegengekomen. En ik heb er lang naar gezocht, een vliegtuig is toch een prachtig object om poëzie op aan te brengen, zo groot en zo internationaal. Uiteindelijk heb ik poëzie op een vliegtuig ontdekt maar anders dan ik gedacht had.

The Big Imagination Foundation is een non-profit organisatie die steeds op zoek is naar moedige, visionaire projecten die de wereld willen inspireren om groot te dromen. Hun projecten passen niet in dozen. Ze vertrouwen op radicale samenwerking en ondersteuning vanuit de gemeenschap. Ze bieden kansen voor onderwijs en participatie. Hun projecten zijn ervaringen die voor iedereen toegankelijk zijn. Het motto van The Big Imagination Foundation is dan ook:  Als we groot dromen, kunnen we het onmogelijke mogelijk maken.

Het 747-project is één van hun projecten die dat motto zeker inhoud geeft. In 2016 is men begonnen met het opnieuw inhoud en vorm geven aan een Boeing 747 die in de Mojave-woestijn stond (op een vliegtuigkerkhof). Dit meest iconische vliegtuig ter wereld werd omgezet in een ontroerende kunstervaring voor het Burning Man festival in 2017. Het vliegtuig is een Varig cargoversie uit 1985 die ooit passagiers vervoerde in Brazillië. Een groot deel van het vliegtuig werd omgebouwd in een nieuw soort voertuig waarin dromen, geïnspireerd in dezelfde geest als de eerste vlucht die de gebroeders Wright maakten.

Het bovenvoorgedeelte van de Boeing werd losgemaakt van de rest van het vliegtuig en vervoerd naar het Burning Man festivalterrein. De binnenkant werd door vele vrijwilligers geprepareerd om te gebruiken voor kunstbijeenkomsten en manifestaties maar de buitenkant werd gebruikt tijdens het festival om gedichten of delen van gedichten op te projecteren.

Hieronder een aantal voorbeelden.

RACHEL ELIZA GRIFFITHS

Our sky breathed through its electric blue heart against a pulse of stars: when I love my own defiance I soar: resist the black gravity of fear.

MATTHEW DICKMAN

The whole time all I’m thinking about is you is our son is the ground the ground the ground the ground the ground the ground the ground the ground

FRANCINE J. HARRIS

If, fuckers, midSky Ascent, we hum around and check out the straddle we ride, do we reach back and snatch up at the waist, or cast off and head weightless, to the Sun.

Meer zien en lezen over dit project kan op de website: https://www.747poem.com

 

 

Advertenties

Als kind moest ik een walvis eten

Wiel Kusters

.

Pasgeleden liep ik lang de universiteitsbibliotheek in Maastricht en ik werd daar gewezen op een gedicht van Wiel Kusters dat daar op een zijmuur was aangebracht. Naast het fietsenhok zodat alle studenten het regelmatig tegen komen. Ik heb gelijk even gecheckt of het al op https://straatpoezie.nl stond en dat was al het geval (wat ik al dacht maar je weet het nooit zeker).

Wiel Kusters (1947) is dichter en was hoogleraar letterkunde aan de universiteit van Maastricht. Kusters is naast dichter ook schrijver van proza, brieven, theaterstukken, kinderboeken en hij heeft verschillende vertalingen op zijn naam staan. Naast landelijke bekendheid als dichter was en is hij vooral actief in Limburg onder meer als  voorzitter van de Zuidelijke Afdeling van het letterkundig-historisch genootschap de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

De foto is van de muur bij de universiteitsbibliotheek, het gedicht komt uit de bundel ‘Als kind moest ik een walvis eten’ uit 2002.

.

Dubbelganger

.

Het is zomer en ik lig
met andere jongens in het gras
op mijn buik zodat ik ruik
hoe vroeger alles anders was
of moet ik zeggen dat ik rook
hoe later alles eender wordt?

er is een meisje bij dat zit
met bruine benen in het gras
zij lacht beweegt zodat iets wits
soms even zichtbaar wordt
of moet ik zeggen dat het zwart
voor ogen mijn verlangen was?

het gras staat vol met klavertjes
het gras ruikt naar geluk
zolang het niet gemaaid was
want dan rook het naar geruk
of moet ik zeggen dat de geur
weemoedig en opstandig is?

ik was er nu ik ben er toen
er is geen prikkeldraad geen heg
een open veldje veertien jaar
het gras staat hoog je ziet me niet
of moet ik zeggen dat ik lieg
dat ik me met mezelf bedrieg?

.

Poems from the heart

Een hart met gedichten

.

Kunstenaar Charles Hobson heeft in 2004 voor de openbare bibliotheek van San Francisco een groot hartvormig kunstwerk gemaakt dat achttien gedichten gedichten van kinderen over de liefde en het hart bevat. Op het hart zijn boeken aangebracht waarop de gedichten zijn aangebracht. Elk boek is met de hand genaaid in een geschilderde omslag en gemonteerd in een gevouwen golvende map. Het bevat digitale pigmentafdrukken van een Epson 2200-printer die de gedrukte boeken en gedichten toont die worden gebruikt op de hartsculptuur.

De opbrengsten van de verkoop van het boek, ‘Poems from the heart’, komt ten goede aan het Algemeen Ziekenhuis van San Francisco via het project ‘Harten in San Francisco’. De gedichten zijn gebruikt met de vriendelijke toestemming van de dichters die ze gratis ter beschikking hebben gesteld.

Inmiddels zijn er meer dan 130 van dit soort harten geplaatst in en rond San Francisco. Charles Hobson kwam op het idee van de poëzieharten door een gedichtje van Meaghan Crowley, 13 jaar oud van de Davidson Middle School. Toen hem gevraagd werd iets te doen voor het ziekenhuis herinnerde hij zich het gedicht en kwam hij op het idee van het hart.

.

 

Dichterbij de polder

Buiging

.

In de Alblasserwaardse polder is men sinds 2003 bezig een literaire fietstocht vorm te geven tussen de molens, de oude boerderijen en de weilanden. Langs deze fietstocht zijn inmiddels gedichten van 12 dichters geplaatst op lage sokkels en in brons gegoten. Dichters als Ester Naomi Perquin, Marieke Rijneveld, Hester Knibbe, Willem van Toorn, Ad Zuiderent en Jana Beranová hebben gedichten geleverd voor dit mooie, door de Lions opgezette project.
De gedichten nodigen de voorbijganger uit om even stil te staan, te lezen en door de ogen van de dichter naar de omgeving te kijken. Met andere ogen dus, waardoor je vanzelf anders gaat kijken.

De Lionsclub vroeg ongeveer veertien jaar geleden aan dichter Jan Eijkelboom uit Dordrecht om het eerste gedicht te maken. Hij schreef een prachtig gedicht over een kastanjeboom aan de Zijdeweg bij Nieuw-Lekkerland. Zijn gedicht werd in 2003 onthuld. De komst van een netwerk van fietsknooppunten maakt het makkelijk om zelf een mooie route uit te stippelen langs de ‘polderpoëzie’. De meest oostelijke plaquette bevindt zich halverwege het fietspad van Ottoland naar Groot-Ammers, bij de fietsersbrug die in de volksmond ‘de Kikker’ wordt genoemd. De twee meest westelijk geplaatste gedichten zijn te vinden in het molendorp Kinderdijk.

Op de website van ‘Dichter bij de polder’ http://fietsroute.ws/index.html  kun je alle gedichten en de route nalezen. Uiteindelijk wil men maar liefst 25 gedichten laten plaatsen langs deze route.

Ik koos voor het gedicht ‘Buiging’ van Ester Naomi Perquin.

.

Buiging

.

Waren we eerder geweest dan hadden we schepen gezien
in de ronding, oude dieren, steunend op hun hulpeloos formaat.
We hadden hun buiken bestreken, hun huid van hout en pek.

We hadden touwen doorgegeven, gereedschap gedragen en
dagenlang gewerkt aan een waterdichte vaart. Nu staan we hier,
op kant noch wal. ook wij worden verleden, maar dan trager.

We hebben wereldzucht op zakformaat, antwoorden op vragen.
We bewegen langs het water met moderne blikken
en moderne dromen, gewichtsloos haast.

Wie hier nog later staat zal ons niet tegenkomen.

.

Rieneke Grobben-Minderman

Gedicht op een muur

Op 23 maart jongstleden overleed de bijzondere Rotterdamse dichteres Rieneke Grobben-Minderman. De flamboyante maar tegelijkertijd zo nuchtere dichter uit Charlois was al langere tijd ziek. Ze is 73 jaar geworden. Rieneke was jarenlang een vaste en zeer gewaardeerde gast van het Ongehoord! podium in Rotterdam. Op mijn verzoek trad ze ook op in Maassluis om ook daar een blijvende indruk achter te laten. Rieneke ging altijd gekleed in het roze en was daardoor een opvallende verschijning in de stad Rotterdam. Dertien jaar geleden begon ze in het openbaar gedichten voor te dragen. De meeste gingen over Rotterdam, de stad waar ze naar eigen zeggen zielsveel van hield. Dat dat geen loze kreet was bleek vooral uit haar gedichten op de rol. Deze gedichten waren geschreven op een papieren rol die steevast uit haar roze koffertje werden opgediept en veelal over haar geliefde stad gingen. Rieneke was een trouwe fan van Radio Rijnmond en droeg op zender vaak gedichten voor.

In de laatste periode van haar leven verbleef ze in een hospice. Daar werd ze overspoeld met kaartjes. Ook ik heb haar verschillende kaartjes gestuurd waarbij ik niet zozeer keek naar afbeeldingen maar meer naar kleur; een kaartje aan Rieneke moest roze zijn. De dichteres kreeg onlangs een steegje in Oud-Charlois, met een eigen roze straatnaambordje, als eerbetoon. Ze onthulde het bordje zelf en bracht daarbij uiteraard een gedicht ten gehore.  Ook bracht ze begin dit jaar nog een eigen dichtbundel uit: De Wereld Volgens Grobben. Rotterdamse gedichten en verhalen.

In Charlois aan de Brielselaan tegenover de Meneba is nu een eerbetoon aan Rieneke aangebracht op een muur. Dit deel uit haar gedicht ‘Rotterdam’ met het voor haar zo kenmerkende woord ‘afijn’ erin is aangebracht door Reclame atlier Mineur en een mooi eerbetoon aan een geweldige vrouw en dichter die we zullen gaan missen.

Morgen 15/4/18 om 16 uur is de presentatie van het hele gevelgedicht door Derek Otte en Jordy Dijkshoorn ! Inloop v/a 15.30 uur House of Hope aan Bas Jungeriusstraat 254. Daarover: http://www.dezoeknaarschittering.nl/onthulling…/ (met dank aan Jiske Foppe voor de toevoeging).

 

.

                                                                                                                                                                   En zo is het geworden (bij de officiële onthulling)

                                                                                                                                                                                                     Rieneke bij Ongehoord!

Het gedicht is een bericht

Roteb, Rotterdam

.

Vanaf 1988 worden in Rotterdam op huisvuil- en veegwagens, regels van gedichten van dichters van over de hele wereld geplaatst. Het initiatief hiertoe kwam van Hans Abelman van het Centrum voor Beeldende Kunst van de Rijnmond.

Het eerste gedicht (of regel van een gedicht) was ‘Het gedicht is een bericht’ van Jules Deelder. In 1996 kwam er een bundel uit (een samenwerking van Roteb en Poetry International) met de volledige gedichten van al deze regels. Een bonte verzameling Nederlandse en internationale poëzie, verzen en versjes, geïllustreerd en mooi vormgegeven.

Uit deze bundel koos ik boor het gedicht van György Dalos uit Hongarije ( A felháborodáshoz iparengedély kell) in een vertaling van Andras Vigh getiteld ‘Mijn status in de staat’.

.

Mijn status in de staat

.

1

Voor verontwaardiging

heb je een bedrijfsvergunning nodig

Voor pessimisme

een douanestempel

En zelfs van de zelfmarteling

worden procenten afgetrokken

.

2

Ik ben

als een ontwikkelingsland

Bevrijd maar armzalig

leef ik van leningen

Ik verwacht niet veel van de toekomst

maar heb haar ook niet te duchten

.

3

Sinds twee jaar

leef ik zonder werk

Ik schaam mij

als ik bedenk

dat ze terecht jaloers op me zijn –

de straatvegers met hun vaste inkomen

en de vuilnismannen in hun onwankelbare status

.

Zweef

F. Starik

.

Afgelopen vrijdag overleed de dichter F. Starik (1958), het zal veel van jullie niet zijn ontgaan. Frank von der Möhlen zoals zijn echte naam luidde was behalve dichter ook prozaïst, fotograaf, zanger, performer en beeldend kunstenaar. F. Starik studeerde dan ook fotografie en mixed media aan de Rietveldacademie. Gedurende zijn publicerende leven kwam zijn veelzijdigheid regelmatig naar voren. Zo publiceerde hij een gedichtenbundel ‘De grote vakantie’ uit 2004 met een CD en een andere bundel met een tentoonstelling. In oktober 2012 schreef ik al over een ander project van Starik, de ‘drijvende-gedichten-kamer’ van de Amerikaanse kunstenaar Aiah Armajani, op een eiland in de Noordbuurt in Amsterdam, waar Starik een gedicht voor schreef dat te lezen is bovenop het hekwerk rondom het eiland.

Waar F. Starik natuurlijk ook zeer bekend mee geworden is, is de Poule des Doods, een dichterscollectief (dat hij oprichtte) dat zorgt voor een passend gedicht bij de uitvaart van eenzame overledenen. Het initiatief van de Poule des Doods kent ondertussen beginnende navolging in Rotterdam, Den Haag en Antwerpen.

Van 2010 tot 2011 was Starik stadsdichter van Amsterdam. Ter afsluiting van zijn stadsdichterschap verscheen een driedubbeldikke editie van de Amsterdamse daklozenkrant Z!, waarvan in twee weken 20.000 exemplaren werden verkocht.

Starik debuteerde in 1974 met de bundel ‘Mot, of de neerslag van twijfel’ dat hij in eigen beheer uitgaf. Daarna volgde nog vele bundels. De laatste was de bundel ‘Staat’ waaruit het volgende gedicht.

.

Zweef

.

Als kind kon ik ’s nachts het raam uit vliegen
ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht
als een meeuw op de wind, het was niet moeilijk en niet zwaar
ik spreidde simpelweg mijn armen en zweven maar.

Freud zegt hierover: een gesublimeerd verlangen naar macht
ach, wist ik veel, ik was een kind, ik was veertien jaar.

Nu hoor ik vaak een bel gaan in mijn hoofd
soms de zoemer van de buitendeur, soms
het schorre belletje van boven
sinds ik geen wekker meer bezit
rinkel ik mezelf wakker in de nacht
of zegt iemand keihard hallo in mijn oor
het klinkt zeer levensecht maar
nooit staat er iemand naast mijn bed.

Ik ben het zelf die de bel produceert
die de wekker wekt
zichzelf telefoneert
ik ben het zelf die hallo zegt

vliegen doe ik allang niet meer.

.

Doe wat je ’t liefste doet

Het beste van poëzie in het park

.

Poëzie laat zich zeer goed genieten in de buitenlucht. In een tuin of een park, op een landgoed of in het bos, de omgeving draagt dan bij aan de beleving. Van april 2008 tot en met april 2009 was Amsterdam Wereldboekenstad. Binnen die context werden stadsdeelparken omgetoverd tot bloemrijke poëzieparken. Bewoners uit de verschillende stadsdelen leverden eigen dichtregels aan als inspiratiebron voor dichters, het publiek werd aan het schrijven gezet en er werden workshops georganiseerd voor bewoners in de parken. Ook werd er een interactieve poëzietentoonstelling in het Vondelpark georganiseerd.

Initiatief en organisatie waren in handen van Xsaga, en vele organisaties werkten mee aan dit jaarproject waaronder de Openbare Bibliotheek, de School der Poëzie, Kunstenaars & Co en vele culturele instellingen in de stadsdelen.

Mick Witteveen, Jacques Brooijmans en Jos van Hest stelden een bundel samen met de gedichten en foto’s van dit bijzondere project die werd gepubliceerd in 2009. Mustafa Stitou, destijds stadsdichter van Amsterdam, verzorgde het voorwoord.

Uit de vele gedichten van rijpe en groene dichters koos ik uiteindelijk een gedicht van de Westlandse Amsterdammer of Amsterdamse Westlander Jos Zuijderwijk, die op 3 januari 2015 onverwacht kwam te overlijden, getiteld ‘Houdt nooit op’. De inspiratiebron voor dit gedicht, zo lees ik in de bundel, was een dichtregel van Sonja Machielsen ‘Zie de twinkeling van je ogen weerspiegelen in het wateroppervlak’.

.

Houdt nooit op

.

Denkend aan molens bij sloten
waarop recht toe recht aan
tussen twee punten in lage landen
gevaarten steeds heen en weer gaan
soms om op zandbanken te stranden
verbreed ik mijn perspectief
om uit de hoogst wondere
wereld van waterwerken
teer gevoelig te verbijzonderen

Tot de vorst onder de Molen van Sloten
de Ringvaart doet kraken en snerpen
de witte wieken onder zuchtjes draaien
wij op glad ijs al van puur geluk kraaien
samen één te worden bij dat ene open wak

Schat dit houdt nooit op ik heb je lief
en zie de twinkeling van je ogen
weerspiegelen in het wateroppervlak
verwaten in tranen die nooit drogen
en wacht als steeds trots en onverdroten

.

Wild-dichten

Sandra Burgers

.

Gedichten in de buitenruimte, op gevels en straten, op pleinen en tunnels, de website straatpoezie.nl staat er vol mee. Toch zijn er ook dichters die niet gevraagd worden om hun poëzie ergens in de buitenruimte te plaatsen. Zij doen het gewoon. Zoals Sandra Burgers uit Wemeldinge. In 2004 won ze de poëziesalon-prijs van de bibliotheek Vlissingen en bracht ze aldaar ook al gedichten aan in de openbare ruimte. Ze krijgt daar meer voldoening van dan van het voordragen van gedichten:

“Je ziet meteen dynamiek ontstaan als je zo’n gedicht hebt aangebracht. Mensen kijken ernaar of maken foto’s… kinderen die wel tien keer heen en weer lopen om te kijken wat er precies staat. Daar kan ik van genieten.’’

Sandra zal de gedichten – die zijn aangebracht met witsel – niet weghalen. ,,Ze zullen in de loop der tijd vanzelf verdwijnen.’’  en hoewel Burgers er zeker geen geheim van maakt dat zij de gedichten heeft aangebracht, ondertekent ze deze bewust niet. ,,Ik heb er geen vergunning voor aangevraagd, dus je weet maar nooit. Straks haalt de gemeente ze weg en valt bij mij de rekening op de mat.’’

Op één van de muren van het oude havenplateau in de Oosterschelde staat een gedicht dat inmiddels zijn weg naar straatpoezie.nl heeft gevonden.

.

Verliefd slaat ze een arm om Kattendijke heen

‘Zo mooi als jij’ zegt de Schelde ‘is er geen’

.

Maar inmiddels is er ook op een trap naar de zee een gedicht bijgekomen:

Na deze tree

De zee

Spuugschreeuwt in het gezicht

Trekt je aan de haren mee

Na deze tree

De zee…

.

En deze aan het water uit 2016.

Lieve zee, klote zee

over deze zee:
bijna alles gezwegen en gezegd
kinders in verwekt
voor een ander
bloemen neergelegd

ellende in eb
soms vreugde in vloed
lieve zee klote zee
drijf het in een zak
neem vlug een beetje mee.

.

Foto’s Marc Machielse

 

 

Straatpoëzie in New York

Frank O’Hara

.

In Nederland (en Vlaanderen) heb je sinds vorig jaar een prachtige website https://straatpoezie.nl waar je een vrij uitputtend overzicht krijgt van alle poëzie die je in de openbare ruimte kan tegenkomen of kan opzoeken. Maar niet alleen in ons land en België bestaat zoiets als poëzie in de openbare ruimte. Zo kwam ik een mooi voorbeeld tegen van regels uit een gedicht van de Amerikaanse Frank O’Hara die zijn aangebracht in een hek in Lower Manhattan langs het water bij Battery Park in de buurt van het World Financial Centre.

Het betreft hier een regel uit het gedicht ‘Meditations in  an Emergency’. Frank O’Hara (1926 – 1966) was kunstcriticus, schrijver en dichter die zich veelvuldig liet beïnvloeden door jazz, het surrealisme, het abstract expressionisme, action painting en verschillende avant-garde kunststromingen.

Zijn poëzie heeft een geheel eigen toon en inhoud en werd wel beschreven als dat ze klonk als ‘het begin van een dagboek’. O’Hara zoekt de intimiteit van het leven in zijn poëzie omdat “poëzie zou moeten gaan tussen twee mensen en niet tussen twee bladzijden”. Behalve dat zijn werk heel autobiografisch is, gaat het ook heel erg over New York, de stad waar hij zijn leven lang gewoond heeft. Zijn werk is eigenlijk de vertelling van zijn leven.

Het gedicht ‘Meditations in an Emergency’ is uit 1957.

.

Meditations in an Emergency

.

Am I to become profligate as if I were a blonde? Or religious as if I were French?

Each time my heart is broken it makes me feel more adventurous (and how the same names keep recurring on that interminable list!), but one of these days there’ll be nothing left with which to venture forth.

Why should I share you? Why don’t you get rid of someone else for a change?

I am the least difficult of men. All I want is boundless love.

Even trees understand me! Good heavens, I lie under them, too, don’t I? I’m just like a pile of leaves.

However, I have never clogged myself with the praises of pastoral life, nor with nostalgia for an innocent past of perverted acts in pastures. No. One need never leave the confines of New York to get all the greenery one wishes—I can’t even enjoy a blade of grass unless I know there’s a subway handy, or a record store or some other sign that people do not totally regret life. It is more important to affirm the least sincere; the clouds get enough attention as it is and even they continue to pass. Do they know what they’re missing? Uh huh.

My eyes are vague blue, like the sky, and change all the time; they are indiscriminate but fleeting, entirely specific and disloyal, so that no one trusts me. I am always looking away. Or again at something after it has given me up. It makes me restless and that makes me unhappy, but I cannot keep them still. If only I had grey, green, black, brown, yellow eyes; I would stay at home and do something. It’s not that I am curious. On the contrary, I am bored but it’s my duty to be attentive, I am needed by things as the sky must be above the earth. And lately, so great has theiranxiety become, I can spare myself little sleep.

Now there is only one man I love to kiss when he is unshaven. Heterosexuality! you are inexorably approaching. (How discourage her?)

St. Serapion, I wrap myself in the robes of your whiteness which is like midnight in Dostoevsky. How am I to become a legend, my dear? I’ve tried love, but that hides you in the bosom of another and I am always springing forth from it like the lotus—the ecstasy of always bursting forth! (but one must not be distracted by it!) or like a hyacinth, “to keep the filth of life away,” yes, there, even in the heart, where the filth is pumped in and courses and slanders and pollutes and determines. I will my will, though I may become famous for a mysterious vacancy in that department, that greenhouse.

Destroy yourself, if you don’t know!

It is easy to be beautiful; it is difficult to appear so. I admire you, beloved, for the trap you’ve set. It’s like a final chapter no one reads because the plot is over.

“Fanny Brown is run away—scampered off with a Cornet of Horse; I do love that little Minx, & hope She may be happy, tho’ She has vexed me by this Exploit a little too. —Poor silly Cecchina! or F:B: as we used to call her. —I wish She had a good Whipping and 10,000 pounds.” —Mrs. Thrale.

I’ve got to get out of here. I choose a piece of shawl and my dirtiest suntans. I’ll be back, I’ll re-emerge, defeated, from the valley; you don’t want me to go where you go, so I go where you don’t want me to. It’s only afternoon, there’s a lot ahead. There won’t be any mail downstairs. Turning, I spit in the lock and the knob turns.

.

%d bloggers liken dit: