Categorie archief: Franse dichters

Belofte

Dubbel-gedicht

.

Dat een Dubbel-gedicht (een gedicht met een zelfde titel of een titel die verwant is) niet altijd van heel beroemde en bekende dichters hoeft te zijn bewijzen de twee gedichten die vandaag het Dubbel-gedicht maken. Hiermee wil ik helemaal niets afdoen aan de kwaliteit van de dichters of de gedichten, tenslotte zijn beide gepubliceerd en worden beide dichters zeer gewaardeerd door mededichters en liefhebbers van poëzie.

Het thema van dit Dubbel-gedicht is ‘Belofte’. Het eerste gedicht van de twee van Egbert van Hattem heeft als titel ‘De belofte’ en is genomen uit de bundel ‘Campus poet 2011 / Campusdichter 2011’ uit 2012 uitgegeven door de Universiteit Twente.

Het tweede gedicht met de titel ‘Belofte maakt schuld’ van Martin Wijtgaart komt uit ‘Zwijgend naar de tering’ Gedichten uitgegeven door 302-bis.

.

De Belofte

.

Jong schijnt het talent.

De grootmoeder vult bij de bron

de emmers voor het groene loof,

de ouder de beurs voor een verre stage.

.

Beloofde kennis achter de lichtlijn van

de vertrouwde horizon.

De beenroeier, de broer met sterke vrije handen,

werpt het net – repetitie van generaties –

in kalme golven.

.

Minder land om te groeien,

het water onvoorspelbaar.

Zij, het talent, licht op, schetst,

hoogtelijnen en puntenwolken,

haar geboortegrond. Harde valuta retour,

meer monden om te voeden.

.

Belofte maakt schuld

.

Een klein, gedecideerd gebaar,

een dotje gras, een korte ruk,

de koprol over het talud,

de koude duik in het kanaal,

de tegemoetkomende truck –

gelegenheden zijn er zat.

.

Half vrezend en half hopend dat

de wal het schip ooit keren zal

weeg je de lasten en de baten

tot je, veel later, wakker schiet

door de ontstoken lichten van

de blijkbaar ongeschonden wagen.

.

Veranderlijke stilte. Dan:

nijdige hakjes op het pad,

de sleutels krassend aan de deur

die ze voorgoed had dichtgeslagen.

.

Spiegel internationaal

René Char

.

In 1988 verscheen bij uitgeverij Meulenhoff de bundel ‘Spiegel Internationaal’ moderne poëzie uit 21 talen. De bundel werd samengesteld door Maarten Asscher en Laurens Vancrevel en bevat poëzie uit 21 taalgebieden van over de hele wereld (met een nadruk op Europese landen). Een aantal dichters is zeer bekend en beroemd (Günter Grass, T.S. Eliot, Seamus Heaney, Primo Levi, Octavio Paz, Anna Achmatova) maar er staan ook, voor mij, verrassingen in zoals de dichter René Char (1907 – 1988) uit Frankrijk.

Char publiceerde in 1929 zijn eerste poëziebundel en werd in zijn beginjaren aangemoedigd door Paul Éluard, een van de bekendste Franse Surrealisten. Hij trok naar Parijs, waar hij onder meer André Breton en Louis Aragon leerde kennen. In 1934 vestigde hij zijn naam met de ‘Le marteau sans maître’, een van de belangrijkste dichtbundels voortgekomen uit het surrealisme van de periode 1929-1934. Uit de bundel spreekt een samenballing van krachten die ook zijn latere werk zal kenmerken. Invloeden van Nietzsche zijn herkenbaar, maar wel steeds vanuit een originele eigen visie.

In de oorlog zit Char in het verzet maar blijft schrijven. Kort na de oorlog publiceert hij zijn bekende bundel ‘Fureur et mystère’ (1948), waarin een intense bewogenheid doorklinkt en het mysterie van de tederheid centraal staat. Deze bundel werd opgenomen in Les Mondes ‘100 boeken van de eeuw’. Char nam na de oorlog vaak openlijk politieke standpunten in. Vanaf de jaren zestig klinkt steeds sterker de angst en de hoop van het tijdsgewricht door in zijn poëzie. In die periode keerde hij zich onder andere publiekelijk tegen de stationering van atoomraketten in de Provence.

Char was goed bevriend met veel (bekende) kunstenaars als Albert Camus, Pablo Picasso, Joan Miró en Wassily Kandinsky.

In Spiegel Internationaal staat onder andere het gedicht ‘Pyreneeën’ in vertaling van Clasine Heering.

.

Pyreneeën

.

Gebergte van de grotelijks bedrogene,

Op de spits van uw koortsige torens

Verzwakt de laatste lichtschijn.

.

Niets dan leegte en lawine,

Treurnis en nood!

.

Al die karig-beminde troubadours

Zagen binnen het bestek van die éne zomer

Hun zoet en pessimistisch koninkrijk wit kleuren.

.

O! onverbiddelijk is de sneeuw

Die zich verheugt in lijden aan haar voeten,

Die wil dat wie geleefd heeft in het zand

IJskoud verstijfd zal sterven.

.

België

Stéphane Mallarmé

.

België, buurland, zo dichtbij en soms, zoals de afgelopen maanden, zover weg. Gelukkig is daar de Franse dichter Stéphane Mallarmé (1842 – 1898) die een lofdicht schreef over Brugge, waar we inmiddels weer naar toe mogen. Dit sonnet komt uit de bundel ‘De middag van een Faun’ uit 1992 in een vertaling van Paul Claes.

.

Gedachtenis aan Belgische vrienden

.

Bijwijlen lijkt hier zonder in een zucht te beven

Heel de haast wierookkleurige vervallenheid

Terwijl ik heimelijk en zichtbaar onderscheid

Hoe plooi voor plooi de weduwsteen zich bloot wil geven

.

Te sidderen of geen bewijs van zich te leveren

Dan te verbreiden oude balsemgeur van tijd

Wij enkele onheuglijken zozeer verblijd

De schok van onze nieuwe vriendschap te beleven

.

O lieve vrienden die ik trof waar ’t nooit banaal

Brugge de ochtend in de dode gracht herhaalt

Met de verspreide wandeling van zoveel zwanen

.

Toen mij plechtstatig deze stad heeft kond gedaan

Wie van haar zonen andere vluchten er toe manen

Plots stralend als de geest de vleugel uit te slaan.

.

Charles d’Orléans

Vijftig liederen en rondelen

.

In de vakantie wil ik ook wat gedichten van dichters plaatsen die je, op de één of andere manier aan vakantiebestemmingen doen terug denken. Dat kan zijn door de titel van het gedicht of zoals in het geval van Charles d’Orléans (1394 – 1465) door de naam van de dichter. Orleans, daar heb ik goede herinneringen aan, net als aan New Orleans trouwens.

Uit de bundel ‘Vijftige liederen en rondelen’ uit 1986 het titelloze gedicht van d’Orléans in vertaling van Ernst van Altena.

.

Het weer liet weer zijn mantel uit

van wind, van kille kou en regen

en kleedde zich in gouddoorregen

borduurselwerk van zon en zuid.

.

Elk met zijn eigen keelgeluid

roept vee en vogel ons nu tegen:

het weer liet weer zijn mantel uit

van wind van kille kou en regen.

.

De beek, de stroom, de bron die spuit,

hebben een blij livrei gekregen;

Zilv’ren galons met goud ertegen.

En alles draagt een nieuwe huid,

het weer liet weer zijn mantel uit.

.

Mens en zee

Charles Baudelaire

.

Afgelopen Pasen was ik onderweg met mijn fiets door de duinen (dat valt officieel onder ‘mijn omgeving’ dus het mocht en het was erg rustig) en aangekomen bij de ingang naar het strand ben ik even afgestapt en naar zee gelopen Ook daar was het rustig. Terug thuis las ik in de dikke bundel ‘Natuur zal kunst nooit blijvend evenaren en las daarin onder andere een gedicht van Charles Baudelaire (1821 – 1867) getiteld ‘Mens en zee’. Voor eenieder die het niet gegeven is naar de zee of het strand te komen dit gedicht dat oorspronkelijk getiteld is ‘L’homme et la Mer’ en dat verscheen in ‘Les fleurs du mal’ en in 2016 in vertaling van Paul Claes verscheen in ‘Zwarte Venus’.

Charles Baudelaire wordt als één van de belangrijkste dichters van de Franse literatuur in de 19e eeuw beschouwd. Hij was journalist, satiricus, kunstcriticus, dichter en schrijver. Doorgaans wordt hij tot de symbolisten gerekend, maar in feite bevindt hij zich op een kruispunt van alle stromingen van die eeuw. Een van de symbolistische trekken van zijn werk is het samensmelten van de vorm en de inhoud. De klanken van zijn gedichten verlopen alle ritmisch en in overeenstemming met wat de inhoud over probeert te brengen.

Er zijn zowel duidelijke elementen uit de romantiek als uit het realisme te vinden, net zo goed als dat de 20e-eeuwse stromingen een doorontwikkeling zijn van zijn werk. Daarnaast wordt hij gezien als een voorloper van het decadentisme. De decadentisten zien kunst als een vrijplaats in een banale wereld. Uiterste schoonheid en zuiverheid moeten worden nagestreefd.

.

Mens en zee

.

U, vrije mens, vereert de zee het allermeest.
Zij is uw spiegelbeeld: u kunt uw ziel ontwaren
In het oneindig deinen van haar zilte baren,
Al even bitter als de afgrond van uw geest.

.

U duikt diep in uw evenbeeld vol zelfbehagen;
Uw oog en arm omvademen het, en uw hart
Vergeet soms het gejammer van zijn eigen smart
In het geluid van haar ontembaar woeste klagen.

.

Steeds zult u beiden even duister en gesloten zijn:
Mens, niemand kan de diepten van uw geest doorgronden;
Zee, niemand heeft de schatten in uw schoot gevonden,
Zo angstvallig bewaart u beiden uw geheim.

.

En desondanks gaat sedert onheuglijke tijden
Uw tweekamp ongenadig en verbeten voort,
Zozeer bent u verknocht aan slachting en aan moord,
Die onverbiddelijk als broers elkaar bestrijden.

.

Lied

François Villon

.

Op 16 oktober 2019 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/10/16/ballade-voor-de-meisjes-van-plezier/ en 26 april 2018 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/04/26/gek-slecht-en-gevaarlijk-te-kennen/ schreef ik al over de Franse dichter François Villon (1431 – ca. 1463). Nu heb ik een nieuw bundeltje in mijn bezit uit 1969 getiteld ‘Verzamelde gedichten’ vertalingen van Ernst van Altena. Ondanks het feit dat Villon meer dan 500 jaar geleden leefde, is zijn poëzie nog steeds populair. Mijn editie is een 5e druk (1e druk 1963). De bundel beschikt over een groot aantal aantekeningen met duidingen van personen en situaties waarover Villon dicht.

In de bundel staan een groot aantal balladen, renvooien en rondelen. Maar er staat meer in, zoals een lied ( ‘Chanson’).

.

Lied

.

Thuis terug uit kille cel

waar ‘k haast stierf in barre nood…

Dacht Fortuna dat ‘k genoot?

Dan vergist zij zich toch wel!

Hooglijk trekt ze na dit spel

zich nu zonder slag of stoot

thuis terug.

.

Zo is ’t leven mij een hel.

Ach, ik wou meteen wel dood,

om te rusten in God’s schoot,

want zo komt mijn ziel dan snel

thuis terug.

.

Chanson

.

Au retour de dure prison,

Ou jái laissié presque la vie,

Se Fortune a sur moy envie,

Jugiez s’elle fait mesprison!

Il me semble que, par raison,

Elle deust bien estre assouvie

Au retour.

.

Se si plaine est de desraison

Que vueille que de tout devie,

Plaise a Dieu que l’ame ravie

En soit lassus en sa maison,

Au retour.

.

Fatras

Versvorm

.

Er zijn zoveel verschillende versvormen, ik schreef er al vaak over, en nu kwam ik de Fatrasie of Fatras tegen. De Fatrasie en de daaruit ontstane vorm Fatras, stamt uit de 13e eeuw uit Frankrijk. Maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten is deze versvorm opmerkelijk actueel te gebruiken.

Het onderwerp van de fatrasie moet onmogelijk of ondenkbaar zijn. Of anders gezegd: hoe gekker hoe beter. Doel van het gedicht is de lachlust op te wekken, te verwonderen of de lezer in verwarring te brengen. Daarnaast genieten woorden als poep, pies, kut en  lul een duidelijke voorkeur.

De Fatrasie bestaat uit elf versregels volgens het rijmschema AABAAB BABAB. De eerste zes versregels bestaan uit vijf lettergrepen, de laatste vijf uit zeven lettergrepen. De eerste keer dat de vorm gesignaleerd werd, was in de “Fatrasies d’Arras” (vandaar de naam), een uit 55 gedichten bestaand manuscript uit de 13e eeuw.

In de 14e eeuw werd het genre verder ontwikkeld en ontstond de Fatras. De eerste gebruiker van deze doorontwikkelde versvorm was Watriquet Brassenel de Couvin (omstreeks 1325). De Fatras heeft het rijmschema ABAABAABBABAB en telt dus 13 regels. Voorts valt de vorm op doordat deze wat van een rondeel heeft.

Hoewel beide vormen zijn gebaseerd op een zekere lompheid is de Fatras iets verfijnder. Een mooi voorbeeld van een Fatras komt van Frits Criens, die de Fatras en de Fatrasie een nieuw leven gaf in deze tijd.

.

Verklaring
.
We hadden onze zaken snel beklonken
Niet denkend aan mijn plicht tot celibaat
We hadden onze zaken snel beklonken
Dus ligt ze kwijlend onder me te ronken
Onwetend van haar aandeel in de daad
Door liefdespijn was ik al diep gezonken
En zij stond op een hoek naar me te lonken
Een asfaltdistel, onkruid van de straat
Ze leek op jou die mij wreed heeft versmaad
Terwijl ik je mijn jawoord had geschonken
Maar die als maagd nu naar het klooster gaat
Dus lig ik met je lookalike te bonken
Niet denkend aan mijn plicht tot celibaat

.

De sjouwers van de Grève

Rutebeuf

.

De Franse dichter Rutebeuf ( of Rustebeuf) werd waarschijnlijk geboren in Troyes, hoofdstad van Champagne. Rutebeuf (1230 – ca. 1285) werkte hij als jongleur of beroepsdichter in Parijs. Zijn beschermheren waren Alfons van Poitiers en Karel van Anjou, twee broers van Lodewijk IX de Heilige. Rutebeuf legde zijn naam uit als ‘rude boeuf’of  ‘hard zwoegende os’ (voor middeleeuwers is schrijven ploegen met de pen). Zijn omvangrijke oeuvre telt veertienduizend verzen. Het omvat zesenvijftig werken van uiteenlopende aard. Er zijn fabliaux of boerden, koddige vertellingen in verzen ( zoals Le Dit de l’herberie, Frère Denise, La Vengeance de Charlot le juif), klaagdichten (Pauvreté Rutebeuf, Le Mariage Rutebeuf, Complainte Rutebeuf), satiren (Le Dit de l’université, Le Dit des béguines), een oproep tot een kruistocht (Complainte d’outre-mer), heiligenlevens (La Vie de sainte Marie l’Égyptienne) en een mysteriespel over een pact met de duivel (Le Miracle de Théophile). Rutebeuf hekelt de clerus en zet zich vooral af tegen de bedelorden die aan de universiteit leerstoelen opeisen. Anderzijds leeft hij mee met de gewone man. De eeuwige klachten over zijn eigen armoe zijn wellicht karikaturale overdrijvingen van een broodschrijver. Zijn poëzie is virtuoos, volks van toon en melodieus van klank.

In 2015 verscheen bij uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep ‘De tuin van de Franse poëzie’ een canon in 100 gedichten. In deze bundel staat Franse poëzie van dichters die leefden tussen de 9e eeuw en nu. Uit deze bundel het gedicht ‘De sjouwers van de Grève’ van dichter Rutebeuf in een vertaling van Paul Claes en in het originele Frans. Dit gedicht  gaat over Parijse schooiers. Op de place de Grève (‘Zandplein’) bij de Seine, waar nu het stadhuis staat, boden ze hun diensten aan als sjouwers van per boot aangebrachte goederen. De witte vliegen aan het slot zijn sneeuwvlokken. Het beeld komt al voor in Rutebeufs gedicht ‘La Griesche d’Yver’ (De ellende van de winter) en loopt vooruit op Guido Gezelles gedicht ‘Wintermuggen’.

.

De sjouwers van de Grève

.

Sjouwers, het einde is nabij:
De blaren vallen van de bomen
En jullie vinden geen kledij
Om aan de vrieskou te ontkomen.
Een wambuis of een warme pij
Daar kun je enkel maar van dromen.
Al loop je ’s zomers nog zo blij,
De winter biedt geen onderkomen.
Je schoeisel is van smeervet vrij:
Je hebt je voet tot zool genomen.
De zwarte vliegen zijn voorbij,
De witte zullen weldra komen.

.

Li Diz des Ribaux de Greive

.

Ribaut, or estes vos a point:
Li aubre despoillent lor branches,
Et vos n’aveiz de robe point,
Si en avreiz froit a voz hanches.
Queil vos fussent or li porpoint
Et li seurquot forrei a manches.
Vos aleiz en estei si joint
Et en yver aleiz si cranche.
Vostre soleir n’ont mestier d’oint:
Vos faites de vos talons planches.
Les noires mouches vos ont point,
Or vos repoinderont les blanches.

.

Met dank aan athenaeum.nl

De slaper in het dal

Arthur Rimbaud

.

Ik lees de verzamelbundel ‘Van Dante tot Neruda, 123 wereldgedichten om uit het hoofd te kennen’, uitgegeven door uitgeverij Lannoo in 2009. De bundel is samengesteld door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem en bevat een doorsnee van de bekendste en beroemdste dichters uit Europa en het Amerikaanse continent. Opvallend genoeg geen Aziatische dichters (Perzië, Japan, China), Afrikaanse dichters (Zuid Afrika, Noord Afrika) of dichters uit Australië. Als verklaring geven de samenstellers dat deze gedichten niet tot ons collectieve geheugen behoren en daar is iets voor te zeggen, zeker wanneer je je beperkt tot 123 gedichten uit alle eeuwen poëzie.

Veel bekende gedichten, ook (voor mij) wat minder bekende gedichten. Ik heb uit deze fijne bundel gekozen voor het gedicht ‘De slaper in het dal’ van de Franse dichter Arthur Rimbaud (1854 – 1891). Rimbaud was een vertegenwoordiger van het Symbolisme en het Decadentisme en in zijn korte leven één van de grote vernieuwers van de dichtkunst. Rimbaud schreef dit anti-oorlogsgedicht op zijn zestiende jaar. De vertaling is van Paul Claes.

.

De slaper in het dal

.

Een kuil vol groen waar een rivier door zingt
Die kruid met flarden zilver onbesuisd
Bespat; vanaf de fiere bergkam blinkt
De zon: een klein dal dat van stralen bruist.
.
Een jong soldaat, blootshoofds, met open mond,
De nek in blauwe kers gedompeld, ligt
In open lucht te slapen op de grond,
Bleek in zijn groene bed vol plenzend licht.
.
Zijn voeten in het lis, zo slaapt hij. Zwakjes
Lachend zoals een ziek kind, soest hij zachtjes:
Natuur, wieg hem vol warmte: kou lijdt hij.
.
De geuren doen zijn neusvleugels niet trillen;
Hij slaapt in de zon, één hand op zijn stille
Borst, rechts twee rode gaten in de zij.

.

Partir c’est mourir un peu

Edmond Haraucourt

.

Iedereen kent de uitdrukking ‘Partir c’est mourir un peu’ of in goed Nederlands ‘Weggaan is een beetje sterven’. Wat ik me nooit had gerealiseerd was dat deze uitdrukking uit een gedicht komt. Uit het gedicht ‘Rondel de l’adieu’ van de Franse dichter Edmond Haraucourt (1856 – 1941). Edmond Haraucourt was naast dichter ook schrijver, componist, journalist, toneelschrijver en curator van de Franse musea.

‘Rondel de l’adieu werd voor het eerst gepubliceerd in Seoel in 1890. Francesco Paolo Tosti maakte er in 1902 een lied van. Ton Oosterhuis tekende voor de Nederlandse vertaling die verscheen in ‘3000 jaar wereldpoëzie in 500 onsterfelijke gedichten’ uit 2005.

.

Rondeel van het afscheid

.

Weggaan is een beetje sterven,

sterven aan wat men bemint.

Je laat iets na van wat je vindt,

altijd weer, op alle erven.

.

Spijt zal steeds een eed bederven,

een vers verwaaiend in de wind;

weggaan is een beetje sterven.

.

En men gaat; het lijkt wel zwerven.

Tot het afscheid echt begint

kunnen vrienden, vrouw en kind

van elk afscheid iets verwerven.

Weggaan is een beetje sterven…

.

Rondel de l’adieu

.

Partir, c’est mourir un peu,
C’est mourir à ce qu’on aime :
On laisse un peu de soi-même
En toute heure et dans tout lieu.
.
C’est toujours le deuil d’un vœu,
Le dernier vers d’un poème ;
Partir, c’est mourir un peu,
C’est mourir à ce qu’on aime.
.
Et l’on part, et c’est un jeu,
Et jusqu’à l’adieu suprême
C’est son âme que l’on sème,
Que l’on sème à chaque adieu :
Partir, c’est mourir un peu…

.

%d bloggers liken dit: