Categorie archief: Favoriete dichters

Peer

Drs. P

.

Nu de zomer voorbij is en de dagen weer langzaam korter worden dacht ik dat het een mooi moment was om een najaarsgedicht te plaatsen. Ik herinnerde me dat Drs. P een grappig gedicht had geschreven over het najaar en inderdaad, dat bleek het gedicht te zijn dat helemaal aansloot bij de overgang van zomer naar herfst.

Uit het ‘Tuindersliedboek’ uit 1983 daarom hier het gedicht ‘Peer’.

.

Peer

.

De rozen zijn uitgebloeid, het is geen zomer meer
Ik ben alleen en heb een peer

De avond valt ook steeds vroeger, wat ik ook probeer
Ik schil de peer en snij de peer

In weemoedige, herfstige sfeer
Peuzel ik mijn stukje peer

De koude sluipt nader en de regen druizelt neer
Ik ben alleen en zonder peer

.

Advertenties

Gedichten voor tuiniers

Anne Ridler

.

Poëziebundels zijn er in vele maten en soorten. Een van de leukste categorieën van poëziebundels vind ik wel de bundels op onderwerp. Zelf bezit ik er inmiddels al heel wat. Gedichten over dieren ( Het grote dieren gedichtenboek), gedichten over geld (Het geld dat spant de kroon), gedichten over vrijheid (Vrij!), over de liefde (De mooiste liefdespoëzie), over muziek (Rock & Roll, klinkende gedichten) en ga zo maar door.

Een bijzondere categorie binnen dit genre vind ik toch wel de gedichten over tuinieren. In 2003 werd bij Virago de bundel ‘Poems for gardeners’ uitgegeven, edited by Germaine Greer. Ruim 200 bladzijden met poëzie over tuinen, tuinieren, planten en flora. En niet door de minste dichters. Seamus Heaney, Sylvia Plath, Emily Dickinson, Robert Frost, D.H. Lawrence maar ook onbekendere namen als Grace Tollemache en Anne Ridler.

Ik koos vandaag uit deze fijne bundel voor een gedicht van Anne Ridler vooral omdat ik haar niet kende en omdat het ik haar gedicht ‘Picking Pears’ uit deze bundel een mooi voorbeeld van het genre vind.

Anne Barbara Ridler (1912 – 2001) was een Engels dichter en redacteur van ‘A Little Book of Modern Verse’ samen met  T. S. Eliot (1941). Haar ‘Collected Poems’ werden gepubliceerd in 1994.

.

Picking Pears

.

Nor heaven, nor earth, a state between,

Whose walls of leaves

Weave in a chequer of dark and bright

The falling sky; whose roofs of green

Are held by ropes and chains and beams of light.

.

Regenerate summer hangs in the trees:

Hours of sunshine

Charged the cells, and spread the loot

So thick about us that we seize

Even the kleaves dissembling globes of fruit.

.

Strabge that we only in harvest season

Borrow from birds

These parks of air, these visions over the fence:

Not the flat view of roaring season

But a sharper angle, the height of exalted sense.

.

We enter only to despoil:

Solaced and proud

Though a barren twigs are left behind,

Through a weft of leaves we sink to the soil,

But summer’s nimbus shrivels on the rind.

.

Ik was de linde toegedaan

B. Zwaal

.

Ben Zwaal (1944) is een Nederlandstalig dichter en theatermaker en -regisseur uit Vlaardingen. Hij was acteur/regisseur/artistieke leider bij Bewegingstheater BEWTH. Dit gezelschap trad in en bij architectonische bijzondere gebouwen in binnen- en buitenland op. Hij debuteerde in 1984 met de dichtbundel ‘Fiere miniature’ waarna nog elf bundels volgden. In 2017 won hij de Leo Herberghs Poëzieprijs.

Zwaal schreef meerdere korte gedichten, waarin geen woord te veel staat, volgens sommigen zelfs eerder wat woorden te weinig. Met slechts enkele woorden en een eigen stijl weet Zwaal veel beelden op te roepen. Een thema dat vaak terugkeert in de poëzie van Zwaal is het water. In het volgende gedicht met de bekende eerste regel gaat het echter over bomen al komt ook hier de rivier langs. Uit ‘een drifter’ uit 2004.

.

Ik was de linde toegedaan maar eerde ook de beuk

en in min was ik met de eiken en ’t overspel

bracht mij naar de wilgen waar ik mij beknotte

toen zij hun kronen streken

maar in nam mij

de waardin

die achter ’t knotveer dranken dreef

zo gul van slok en in haar schenken onbedaarlijk

klonk zij als golfslag van een kribbende rivier

en ’t sloeg het bijlen van de bomen

.

De armen

Gonçalo M. Tavares

.

Gonçalo Tavares (1970) is een Portugees schrijver. Hij doceert tevens wetenschapsfilosofie aan de universiteit van Lissabon.

Gonçalo Tavares debuteerde in 2001. Sindsdien werd hij veelvuldig bekroond. In 2005 kreeg Tavares de José Saramagoprijs voor jonge schrijvers voor zijn roman ‘Jeruzalem’. Nobelprijswinnaar José Saramago sprak zich toen erg lovend uit over het boek. In 2010 kaapte de roman ‘Aprender a Reza na Era de Téchnica’ de prestigieuze Franse prijs weg voor Beste buitenlandse boek. De romans van Tavares zijn in 32 landen vertaald.

Naast romans schrijft Tavares ook poëzie. In 2002 verscheen ‘Hotel Parnassus, 117 gedichten uit 20 talen’ tijdens Poetry International. In deze bundel zijn drie gedichten van Tavares opgenomen in vertaling van August Willemsen.

.

De armen

.

Hoe te leven? Dat is de enige serieuze vraag.

Een oude man met een gebroken rechterarm

bladert door de krant met zijn linkerhand.

Ik denk: dat zou een stuk makkelijker zijn.

Het lichaam dat voor ons beslist.

Ik kijk naar mezelf: twee hele armen.

Wat te doen?

.

 

Bestaansrecht

Marieke Lucas Rijneveld

.

Volgend jaar januari mag ik in Maassluis, in Theater Koningshof, een avond presenteren waar een plaatselijke dichter en muzikant hun werk komen presenteren maar waar ook Marieke Lucas Rijneveld (1991) komt voordragen. Toen de theaterdirecteur mij vroeg of ik nog een klinkende naam op poëziegebied wist heb ik meteen Marieke Lucas voorgesteld.

Al eerder schreef ik op dit blog over mijn waardering voor het werk en voor de manier van presenteren en voordragen van Marieke Lucas. Haar debuutbundel ‘Kalfsvlies’ uit 2015 heeft inmiddels vele herdrukken gekend. Uit deze bundel het gedicht ‘Bestaansrecht’.

.

Bestaansrecht

.

Ze zeggen dat alles uit zaad bestaat en de wereld één grote moestuin is

dat niet altijd alles met elkaar te maken heeft maar we graag bruggen bouwen.

Als ik bedenk dat moeders ooit ook dochters waren die iemand nodig hadden

.

om de overkant te bereiken werd ik bang voor de mijne omdat ik haar alleen ken

van de jaren waarin ik zelf nog wist wie ik was en welke rol ik moest spelen, kinderen

zijn van oorsprong wetenschappers. Alleen op mijn verjaardag nam ze mij op schoot

.

vertelde dat er een plantje in haar was geplant, dat vader de walnotenboom omhakte

om een stoel bij te maken. Soms droomde ik dat de aarde in water veranderde

mijn moeder eindelijk eens gewoon thee ging zetten, de bank bewonen en dat

.

we het dan zouden hebben over bruggen die altijd tussen twee kanten in hingen

geen begin of einde hadden maar één ding was zeker: ze hadden een reden

om te blijven. Met een bolle buik van het potaarde eten, zei ze onder kaarsjes

.

uitblazen dat ik nooit zomaar van iemands draagkracht mocht uitgaan, dat zaad bij de kieming altijd een moeder nodig had, daarna snel groot worden zodat vader

niet alle bomen hoefde te kappen.

.

Der Hirt auf dem Felsen

Herman de Coninck

.

Vandaag op de zondag van Herman de Coninck een gedicht uit zijn bundel ‘Enkelvoud’ uit 1991. Het gedicht met de intrigerende titel ‘Der Hirt auf dem Felsen’ .

.

Der Hirt auf dem Felsen

.

Een klarinet is genaakt van o’s.

Die worden door twee kleppen dichtgehouden.

Dood laat er twee tegelijk open.

.

Uit de riolering van de dood komt dit lied.

Uit open deksels van de hel.

Tot helemaal boven stijgt verdriet.

.

Ik kan handen over mijn oren doen

maar dan blijf ik zien.

Ik kan ze voor mijn ogen slaan

maar dan blijf ik horen.

Notenbalken van wanhoop tot sopraan.

.

Zoals Alfred Brendel na twintig jaar Schubert

naar zijn vingers kijkt. Zij

hebben het bestaan.

.

Niemand weet wie ik zal zijn wie ik was

Armando

.

Soms kom ik associatief ertoe om dichters te gaan lezen of herlezen. Zo hoorde ik gisteren iets over Parlando (een voordrachtstechniek) op de radio en dat deed me denken aan Armando.

Armando (1929) is een zeer all round artiest en kunstenaar;  beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker. Armando is zijn officiële naam; zijn geboortenaam, het pseudoniem zoals hij het noemt, bestaat voor hem niet meer. Hij heeft zijn oorspronkelijke naam in het register van de burgerlijke stand laten vervangen door Armando, een Italiaanse versie van de naam Herman, die hij te danken heeft aan zijn Italiaanse grootmoeder. Betekenissen als ‘zich wapenend’, zoals de literaire analisten in zijn naam zien, zijn dus toevallig. Armando ontving vele (ook literaire) prijzen. Zelf ziet hij zijn werk als ‘Gesamtkunstwerk’, waarvoor zijn ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog in de omgeving van Kamp Amersfoort de basis vormen.

Veel van zijn gedichten spelen zich af of verwijzen naar de oorlog, zo ook het gedicht ‘Niemand weet wie ik zal zijn wie ik was’ uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999.

.

niemand weet wie ik zal zijn wie ik was

.

niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
u overschat mij
ik ben radeloos ik was een ander

geef mij touwen bind mij vast
dood mij niet
ik ben onschuldig ik ben de vijand

.

Flirten

Rita Dove

.

Rita Frances Dove (1952) is een Amerikaanse dichter en essayist. Van 1993 tot 1995 was ze Poet Laureaat Consultant in Poetry aan de Library of Congress. Zij is de eerste Afro-Amerikaanse die aangesteld is sinds deze positie werd gecreëerd door ‘act of Congress’  in 1986 door de vorige ‘consultant in poetry’-positie . Dove kreeg ook de functie van ‘speciale consultant in poëzie’ voor het bicentenniale jaar van de Library of Congress van 1999 tot 2000. Dove is de tweede Afrikaanse Amerikaanse die de Pulitzer-prijs voor poëzie mocht ontvangen, in 1987, en ze was dichter laureaat van Virginia van 2004 tot 2006.

Uit haar bundel ‘Museum’ uit 1983 het gedicht ‘Flirtation’.

.

Flirtation

.

After all, there’s no need
to say anything
at first. An orange, peeled
and quartered, flares
like a tulip on a wedgewood plate
Anything can happen.
Outside the sun
has rolled up her rugs
and night strewn salt
across the sky. My heart
is humming a tune
I haven’t heard in years!
Quiet’s cool flesh—
let’s sniff and eat it.
There are ways
to make of the moment
a topiary
so the pleasure’s in
walking through.
.

 

Vicky Francken

Ik ben een bijl

.

In 2009 stelde Erik Jan Harmens de verzamelbundel ‘Ik ben een bijl’ samen met als ondertitel ‘Nieuwe dichters uit de jaren nul’. In deze bundel staat onder andere een gedicht van Vicky Francken.

Vicky Francken (1989) ontving voor haar tijdschriftdebuut de Hollands Maandblad Schrijversbeurs voor Poëzie en publiceerde daarna onder meer in Tirade en Revisor. Ze studeerde vertaalwetenschap en werkt als literair vertaler uit het Frans en Engels. Ze debuteerde in 2017 met de bundel ‘Röntgenfotomodel’ die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs: ‘Francken is een dichter die het experiment niet schuwt. Muzikaal, lichtvoetig en speels.’ aldus het juryrapport. Uit ‘Ik ben een bijl’ het titelloze gedicht van haar hand.

.

Sommigen staan in de deurpost met een schaar

in nde palm van hun hand als een slaapppil

op weg naar hun mond om te zorgen

voor kunstmatig rustige lakens en wij

waren steeds mismaakte vaandels,

niet bedoeld om naar te zwaaien.

.

Tegen de scherven van licht

waren we weinig, niet meer

aanwezig dan ijzer soms

in de grond.

.

We bekleedden rustig de stoelen

waarop we zaten en vouwden onze vingers

als de punt van enveloppen naar binnen.

Zochten een weg geleid door gebaren

van blinden.

.

                                                                                                                                                                                                       Foto: Nadine Ancher

 

La Belle Dame sans Merci

John Keats

.

In 1819 schreef de Engelse dichter John Keats de ballade ‘La Belle Dame sans Merci’. Hij gebruikte de titel van een veel oudere ballade uit ongeveer 1424 van de Franse dichter Alain Chartier getiteld ‘La Belle Dame sans Mercy’. Hoewel de titels dus vrijwel hetzelfde zijn is de inhoud van de beide gedichten volledig verschillend.

Het gedicht wordt beschouwd als een Engelse klassieker, stereotiep voor andere werken van Keats (1795 – 1821). Het vermijdt de eenvoud van de interpretatie ondanks de eenvoud van de structuur. Hoewel eenvoudig van structuur (slechts twaalf korte stanzas, van slechts vier regels elk, met een simpel ABCB rijmschema) , zit het gedicht toch vol raadsels en is het onderwerp van talrijke interpretaties geweest.

Keats maakt gebruik van een stanza van drie jambische tetrameters met de vierde dimetrische lijnen, waardoor de stanza een zelfstandige eenheid lijkt en waardoor de ballad een doelbewuste en langzame beweging heeft die aangenaam is om naar te luisteren. Keats maakt gebruik van een aantal van de stijlkenmerken van de ballad, zoals de eenvoud van de taal, herhaling en afwezigheid van details. Keats’s ‘zuinige’ manier om een ​​verhaal te vertellen in “La Belle Dame sans Merci” is het tegenovergestelde van zijn overdreven manier waarop hij bijvoorbeeld in ‘The Eve of St. Agnes’  schrijft.  Een deel van de fascinatie die door het gedicht wordt uitgeoefend komt voort uit het gebruik  van het understatement door Keats.

.

La Belle Dame sans Merci

.

O what can ail thee, knight-at-arms,
Alone and palely loitering?
The sedge has withered from the lake,
And no birds sing.

O what can ail thee, knight-at-arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel’s granary is full,
And the harvest’s done.

I see a lily on thy brow,
With anguish moist and fever-dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.

I met a lady in the meads,
Full beautiful, a fairy’s child;
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She looked at me as she did love,
And made sweet moan

I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery’s song.

She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna-dew,
And sure in language strange she said—
‘I love thee true’.

She took me to her Elfin grot,
And there she wept and sighed full sore,
And there I shut her wild, wild eyes
With kisses four.

And there she lullèd me asleep,
And there I dreamed—Ah! woe betide!—
The latest dream I ever dreamt
On the cold hill side.

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Hath thee in thrall!’

I saw their starved lips in the gloam,
With horrid warning gapèd wide,
And I awoke and found me here,
On the cold hill’s side.

And this is why I sojourn here,
Alone and palely loitering,
Though the sedge is withered from the lake,
And no birds sing.

.

  John William Waterhouse (1893)

%d bloggers liken dit: