Categorie archief: Dichter in verzet

Met meningen schrijf je geen goed gedicht

Remco Campert 

.

Op de dag dat er in het Volkskrant Magazine een groot interview verschijnt met dichter/schrijver Remco Campert (1929) plaatst de Belgisch-Egyptische dichter Emad Fouad een stuk op mijn Facebook tijdlijn uit de Poëziekrant van juli/augustus 2019 van Virginie Platteau. Nu zul je je misschien afvragen wat deze twee zaken met elkaar te maken hebben? In het interview met Remco Campert in het Magazine vertelt hij:

” .. Maar ik ben nooit iemand geweest met heel uitgesproken meningen, ik vind dat je daar als schrijver je eigen manier voor hebt: je schrijft vanuit hoe je naar de wereld kijkt. Daar komt het dan wel in terecht. Dat heb ik altijd gehad. Ik heb een poos geleden die gedichten geschreven over Assad en zo, ik vond dat dat moest, het ging eigenlijk vanzelf. (in de bundel ‘Open ogen’ WvH.) Maar ik moet er niet te erg in betrokken zijn, geen heilige verontwaardiging, dat werkt allemaal niet. Met meningen schrijf je geen goed gedicht. Ik vind dat het genoeg is te constateren. het oordeel moet je aan anderen overlaten. ‘

Toen ik dit las had ik twee gedachten. allereerst: En al die dichters in gebieden waar onderdrukking heerst dan, die schrijven over die onderdrukking, is daar geen goede en oprecht mooie poëzie geschreven? Lees de gedichten in mijn categorie Dichter in verzet  er op na. En mijn tweede gedachte was: ik denk dat Campert gelijk heeft. De mooiste gedichten van dichters in verzet zijn niet geschreven vanuit een heilige verontwaardiging, vanuit een activistische basis maar vanuit de wil om poëzie te schrijven over een belangrijk onderwerp, over onderdrukking, over verzet maar met ruimte voor de lezer om er zelf een mening over te hebben, en een oordeel over te kunnen vellen. Heel activistische poëzie lijdt te aan het zo belangrijk maken van het onderwerp dat het ten koste gaat van het poëtische gehalte van het gedicht.

Maar dan het artikel in de Poëziekrant van Virginie Platteau, zij schrijft onder andere: “zo wordt verwacht men van Palestijnse dichters haast automatisch dat hun poëzie een politieke lading heeft, Van zwarte artiesten in Europa is er de impliciete verwachting dat ze het over genocides zullen hebben, of over hun collectieve of individuele lijden. Eén ‘magische auteur’ moet dan als het ware een hele bevolkingsgroep en een groter verhaal representeren.”

Emad Fouad voegt hier in zijn post aan toe: “Cynisch genoeg zijn poëtische getuigenissen van lijdende vluchtelingen momenteel commercieel interessant. Ze worden soms doodgeknuffeld, van festival naar festival gehaald omdat hun verhaal zo schrijnend is. Sommige bundels worden in vertaling speciaal samengesteld ‘tot een doordachte eenheid gericht op de lage landen’, uitgevers pakken er expliciet mee uit.”.

Deze twee ‘meningen’, die van Campert en die van wat er blijkbaar tegenwoordig interessant is voor festivalorganisatoren en uitgevers liggen erg ver uiteen. Ik ben geneigd de mening van de oude meester te delen. Hoewel ik het emanciperende karakter van veel poëzie (en dat met name uit de genoemde groepen) zeker kan waarderen vind ook ik dat goede poëzie ‘vanzelf moet gaan’ zoals Campert het zo mooi omschrijft. Wanneer er te expliciet een onderwerp of probleem geadresseerd wordt gaat dit vaak ten koste van de poëtische vorm.

Dat dit ook heel goed samen kan gaan bewijst Sylvia Hubers in het gedicht ‘Gedicht voor de leiders van de wereld (ook de verkeerde) dat is opgenomen in de verzamelbundel ‘War on war’ met als ondertitel ‘gedichten geen bommen’ uit 2003, samengesteld en onder redactie van Harry Zevenbergen en Diann van Faassen.

.

Gedicht voor de leiders van de wereld

(ook de verkeerde)

.

Ontspan

Laat de gespannen spieren vieren

Ontspan

ontbal de vuist, maak de

Ogen rond, de mond verbaasd

En doe ook iets met de schouders

Ontspan

Urenlang

Ontspan de gedachten

Het strak gespan van oor tot oor

Waar cavaleriewagens rijden

Zet ze stil

Laat deze strijdwagens uit elkaar vallen

En bouw er invalidenwagens van

Ontspan

Laat armen en benen

Geen actie ondernemen

Tot zij geheel ontspannen zijn

Laat ze vallen laat ze vieren

En in je buik… bouw daar

Een vriendelijke kamer met sofa’s

Heerlijke zachte sofa’s

En ontvang daar, op die sofa’s

Iedereen die je haat

(Ontspan, Ontspan, Ontspan)

En praat dan met zijn allen

Over je moeders (je vaders)

Over je dochters (je zonen)

Over je vouwen (je mannen)

Vertel aan elkaar

Hoeveel je van hen houdt

En hoe graag je hen

Zou willen behouden

.

Advertenties

Einde van een cultuurperiode

50 jaar Poetry International

.

Afgelopen donderdag was de start van de 50ste editie van Poetry International in Rotterdam. Alle reden om deze week eens extra aandacht te besteden aan een aantal dichters van internationale naam en faam die in de loop van die 50 jaar optraden tijdens dit prachtige festival. in de loop van die 50 jaar zijn er verschillende keren boeken en bundels uitgegeven waarin de dichters ruimte kregen om hun poëzie te delen met de lezer. Altijd in de eigen taal en in een vertaling.

Ik wil beginnen met de dichter Erich Fried. die al in 1971 optrad tijdens Poetry International samen met 31 andere dichters uit 20 landen. De Rotterdamse dichter Jules Deelder opende toen het festival, een taak die tot 1983 aan een stadsgenoot of inwoner van het Rijnmondgebied was voorbehouden.

Erich Fried (1921 – 1988) was een Oostenrijks schrijver, dichter en essayist van Joodse afkomst. Het grootste deel van zijn leven woonde hij in Engeland. Hij schreef echter steeds in het Duits. In 1938 emigreerde hij naar Londen en werkte daar als arbeider, chemicus, bibliothecaris en redacteur. Fried was een geëngageerd dichter en schrijver, zo publiceerde hij in de jaren 60 twee anti-Vietnam bundels. Ook trok hij, Jood zijnde, de aandacht met zijn uitgesproken atheïstische en antizionistische opvattingen en zijn stellingname tegen Israëls Palestijnenpolitiek.

Uit de bundel ‘Honderd dichters uit vijftien jaar Poetry international’ 1970-1984  het gedicht ‘Einde van een Cultuurperiode’ of Ende einer Kulturepoche’ in een vertaling van Gerrit Kouwenaar.

.

Einde van een cultuurperiode

.

De kampcommandant

een ontwikkeld man

had zijn bekentenis

in het net geschreven

en nog een paar formuleringen

verbeterd

en hier en daar

een kwinkslag ingelast

.

Maar ze lachten niet

en hij zei ten slotte

‘Voor de humor voorzie ik

treurige tijden.’

.

Ende einer Kulturepoche

.

Der Lagerkommandant

ein gebildeter Mann

hatte sein Geständnis

ins reine geschrieben

und einige Formulerungen

noch verbessert

und da und dort

einen Schertz eingefügt

.

Aber sie lachten nicht

und er sagte zuletzt

‘Nun kommen schlechte Zeiten

für den Humor.’

.

Dichters in verzet

Shelley en Whitman

.

Bijna 175 jaar geleden zei Percy Bysshe Shelley in zijn “Verdediging van de Poëzie” dat “dichters de niet-erkende wetgevers van de wereld zijn”. In de jaren daarna hebben vele dichters die rol ter harte genomen, tot op de dag van vandaag. Het waren oproerkraaiers en demonstranten, revolutionairen en soms ook opstellers van wetten. Dichters hebben commentaar geleverd op de gebeurtenissen van de dag, hebben stem gegeven aan de onderdrukten, rebellen en voerden campagne voor sociale verandering. Er zijn inmiddels vele klassieke gedichten bekend over protest en revolutie. Percy Bysshe Shelley’s eigen ‘The Masque of Anarchy’ is daarvan een mooi voorbeeld. Omdat het een nogal lang gedicht is (91 verzen van 4 regels elk) plaats ik hier een link naar de volledige tekst http://knarf.english.upenn.edu/PShelley/anarchy.html  zodat je , als je dat wilt, het na kan lezen.

Een andere klassieke dichter die een protestgedicht schreef is Walt Whitman (1819-1892). Whitman begreep hoe belangrijk democratie was en hoe kwetsbaar. In ‘Leaves of Grass’ zijn levenswerk (tijdens zijn leven herschreef hij dit werk, het verscheen in verschillende edities waarbij in de eerste editie 12 gedichten stonden en in de laatste editie meer dan 400!) is het gedicht ‘O a foil’d European Revolutionaire’ uit 1900 opgenomen. Hierin spreekt hij tot de revolutionaire krachten in Europa. Het werk van Whitman werd in de eerste helft van de 20e eeuw geïntroduceerd in de populaire Little Blue Book- serie. Hierin werd het werk van Whitman voor een breder publiek dan ooit tevoren toegankelijk. De Little Blue Book was een serie die socialistische en progressieve standpunten ondersteunde. De publicatie verbond de focus van de dichter op de gewone man en het empowerment van de arbeidersklasse.

.

To a foil’d European Revolutionaire
.
COURAGE yet, my brother or my sister!
Keep on—Liberty is to be subserv’d whatever occurs;
That is nothing that is quell’d by one or two failures, or any num-
ber of failures,
Or by the indifference or ingratitude of the people, or by any
unfaithfulness,
Or the show of the tushes of power, soldiers, cannon, penal statutes.
What we believe in waits latent forever through all the continents,
Invites no one, promises nothing, sits in calmness and light, is
positive and composed, knows no discouragement,
Waiting patiently, waiting its time.
(Not songs of loyalty alone are these,
But songs of insurrection also,
For I am the sworn poet of every dauntless rebel the world over,
And he going with me leaves peace and routine behind him,
And stakes his life to be lost at any moment.)
The battle rages with many a loud alarm and frequent advance
and retreat,
The infidel triumphs, or supposes he triumphs,
The prison, scaffold, garroté, handcuffs, iron necklace and lead-
balls do their work,
The named and unnamed heroes pass to other spheres,
The great speakers and writers are exiled, they lie sick in distant
lands,
The cause is asleep, the strongest throats are choked with their
own blood,
The young men droop their eyelashes toward the ground when
they meet;
But for all this Liberty has not gone out of the place, nor the
infidel enter’d into full possession.
When liberty goes out of a place it is not the first to go, nor the
second or third to go,
It waits for all the rest to go, it is the last.
When there are no more memories of heroes and martyrs,
And when all life and all the souls of men and women are dis-
charged from any part of the earth,
Then only shall liberty or the idea of liberty be discharged from
that part of the earth,
And the infidel come into full possession.
Then courage European revolter, revoltress!
For till all ceases neither must you cease.
I do not know what you are for, (I do not know what I am for
myself, nor what any thing is for,)
But I will search carefully for it even in being foil’d,
In defeat, poverty, misconception, imprisonment—for they too
are great.
Did we think victory great?
So it is—but now it seems to me, when it cannot be help’d, that
defeat is great,
And that death and dismay are great.
.
                                                                                                                                                                  Een van de vele uitvoeringen van ‘Leaves of Grass’.

Dit is voor mijn lichaam

Poëtisch verzet

.

Onder de noemer ‘Dichter in verzet’ heb ik al geschreven over dichters die zich verzetten tegen overheersers, dictators, bezetters, maar ook over dichters die zich verzetten tegen een stroming in de literatuur of poëzie, dichters tegen ontbossing en ander onrecht. Maar dit keer heeft de Brusselse dichteres Astrid Haerens een bittere aanklacht tegen de onveiligheid van vrouwen op straat onder de titel “Signaal: Stop”.

De verzetsgedichten zijn op 21 mei en ook tijdens nachtelijke plakacties opgedoken in verschillende steden – Oostende, Brugge, Gent, Antwerpen, Brussel, Vilvoorde, Hasselt, Luik – op precies die plekken waar vrouwen zich ooit ongemakkelijk hebben gevoeld, of daadwerkelijk zijn belaagd, lastiggevallen, aangerand, verkracht. In steegjes, parken en parkeergarages, in de metro of aan de bushalte. Geenszins een ludieke actie, benadrukken de initiatiefnemers, wel een symbolisch protest.

De initiatiefnemers zijn de leden van de ‘Partij voor de Poëzie’ die maar een programmapunt heeft: Meer poëzie, altijd, overal.   De Partij voor de Poëzie brengt sinds een jaar of wat af en toe een gedicht in de openbaarheid, met een maatschappelijk thema en in meerdere talen. De dichters van de PvdP schrijven altijd samen en blijven anoniem. Maar dit keer dus niet. De Parij van de Poëzie liep al een tijd rond met de gedachte om aan dit onderwerp aandacht te besteden middels een aanplakactie, maar deze kwam in een stroomversnelling na de moord op Julie Van Espen, de 23 jarige studente die vermoord werd na een poging tot verkrachting.

Astrid Haerens zegt hierover “Mijn vriendinnen en ikzelf kregen allemaal al te maken met kleinere en grotere seksuele agressie. Het is hoog tijd dat we de publieke ruimte weer opeisen in plaats van bepaalde plekken te vermijden na onaangename ervaringen.” en ook: Het is niet de bedoeling om zoveel mogelijk stickers te plakken op plekken met een slechte herinnering. “Dit moet gesprekken op gang brengen, het bewustzijn aanscherpen.” Het gaat ook niet uitsluitend over vrouwen, maar over iedereen die zich bedreigd voelt. Ook thuis en op het werk. Het gedicht laat niet veel aan de verbeelding over:

.

Dit is voor mijn lichaam
dat op 12/11 werd aangeraakt
in de voetgangerslift
hardhandig zonder toestemming
schroeiende lucifers op mijn heupen
groeit wild vlees

.

 

Waar zal ik een naam voor je vinden

Sándor Petőfi

.

De afgelopen week was ik in Roemenië en in de bijzondere fraaie oude binnenstad van Sighișoara kwam ik het borstbeeld van Sándor Petőfi tegen. De naam kwam me bekend voor en toen ik hem opzocht bleek het hier om de nationale dichter van Hongarije te gaan. Raar zal je misschien denken, de nationale dichter van Hongarije in Roemenië, maar als je weet dat meer dan 20% van de bevolking uit etnische Hongaren bestaat die vooral in Szeklerland wonen, is dat al veel minder vreemd. In Sighișoara is bijna 20% van de inwoners van Hongaarse origine. De Hongaarse gemeenschap van Segesvár (zoals de Hongaren de stad noemen) heeft de beschikking over eigen scholen en kerken. Verder zitten er twee Hongaarse raadsleden in de gemeenteraad van de stad.

Sándor Petőfi (1823 – 1849) was een Hongaars dichter en een sleutelfiguur in de Hongaarse Revolutie van 1848. Hij werd geboren als Alexander Petrovics in een Slowaakse familie en zijn moedertaal was Slowaaks. Talloze straten in Hongaarse steden zijn naar hem vernoemd. in Boedapest alleen al zijn er 11 Petőfi-straten, 4 Petőfi-pleinen en een brug, namelijk de Petőfi hid, een van Boedapests bruggen over de Donau.

Op 15 maart 1848 droeg Petőfi op het Vörösmarty-plein zijn bekendste werk, het gedicht ‘Nemzeti dal’ (Lied van het Volk), voor aan een menigte opstandelingen. Vandaag de dag nog wordt het gedicht aangehaald in tijden van verdeeldheid of juist saamhorigheid onder het Hongaarse volk.

Maar hij schreef ook liefdesgedichten. Hans Boland vertaalde zijn liefdespoëzie en een mooi voorbeeld is het gedicht ‘Waar zal ik een naam voor je vinden’ of ‘Minek nevezzelek’ zoals de Hongaarse titel luidt.

.

Waar zal ik een naam voor je vinden

.

Waar zal ik een naam voor je vinden,
In de schemering mijmerend
Van jouw prachtige ogen, de avondster
In mijn ogen schitterend
Als zag ik ze nu voor het eerst,
In de glans van die ster,
Waarvan iedere lichtstraal
De liefde meevoert, een stroom
Die vervloeit in de zee van mijn ziel –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden,
Wanneer jij mij plotseling aankijkt
Met een blik als een duif, zachtmoedig
En vreedzaam, alsof iedere veer
Een palmtakje meedraagt,
En zo teder wanneer je haar streelt,
Zachter dan zijde
Of de lakentjes van een wieg –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden,
Als jouw stem klinkt, muziek
Die in de winter beluisterd
Door bladloze bomen
Groen loof laat uitbotten
En hoop zaait, dat nu
Het voorjaar gekomen is,
De lang verwachte verlosser,
Met het lied van de nachtegaal –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden,
Wanneer mijn lippen de jouwe
Nabij voelen, een vlammende robijn,
Wanneer wij versmelten in het vuur van een kus
Als de dag met de nacht in het morgenrood,
Terwijl ik geen weet meer heb van de wereld,
Geen weet meer heb van de tijd,
Bedwelmd en verzaligd, geheimzinnig
Gezegend tot in de eeuwigheid –
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Waar zal ik een naam voor je vinden?
Jij hebt mijn geluk gebaard en gezoogd,
Van een beeld dat de hemel bestormt
Ben jij de tovenaarsdochter,
En mijn stoutmoedigste hoop
Heb jij, oppermachtig en lichtend, vervuld.
Niets bestaat voor mijn ziel dan jij,
Een grotere schat dan de hele planeet,
Mijn heerlijkheid, schoonheid en jeugd, mijn vrouw,
Waar zal ik een naam voor je vinden?
.
.

Dodenmars voor Rotterdam

Clara Eggink

.

Op 4 mei, de dag dat we alle Nederlandse oorlogsslachtoffers herdenken (omgekomenen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en in de verschillende oorlogen nadien), wil ik stilstaan bij een dramatische gebeurtenis aan het begin van de tweede wereldoorlog waarbij tussen de 650 en 900 mensen omkwamen en meer dan 80.000 mensen dakloos werden; het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940.

De Duitsers wilde de capitulatie versnellen door Rotterdam te bombarderen. In de vroege middag van die 14e mei bestookte de Duitsers Rotterdam drie kwartier lang met een bommentapijt en veranderde de binnenstad daarmee in een vuurzee. Deze aangrijpende en schokkende gebeurtenis beschrijft dichter Clara Eggink (1906 – 1991) in haar gedicht ‘Dodenmars voor Rotterdam’, opgedragen aan Gerard Zalsman. En hoewel er dood heerst in dit gedicht en vernietiging steeds aanwezig is, spreekt zij in de derde strofe het vertrouwen uit in het herstel en de wederopbouw van de stad. In die zin had Clara Eggink een voorspellende stem.

Het gedicht van Eggink werd voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift ‘De Stem’ in 1940 en was getiteld ‘Doodenmarsch’ en had toen als opdracht ‘Aan G.Z.’. De Stem, een literair-cultureel tijdschrift verscheen tussen 1921 en 1941.

.

Doodenmarsch

Aan G.Z.

Ik waag mij haast niet in die straat
Waar gloeiend puin in ’t donker staat.
De wind loeit om een bouwvaltop,
Een schelle vlam schiet suizend op
Belichtend, als in spotternij,
De resten van wat huisgerei.
Hier vond wie daaglijks nam en gaf
Een ruw en eindloos massagraf.
Het werk van hersens, hand en lust
Is even grondig uitgebluscht.
.
Ik wend mij naar den havenkant.
De schepen liggen leeggebrand,
Het water, d’eeuwenoude baan,
Voert bloed en roet naar d’oceaan.
Daar staat de dood nog op de brug
Een zwarte schaduw, recht van rug.
Och broeders, hij bleef ongedeerd
Terwijl uw schim hier langs marcheert.
Links, rechts…
.
Maar als die stad weer is herbouwd
Van staal en glas en steen en hout,
Die kleine wereld is hersteld,
Bolwerk van koopwaar, zee en geld.
Als er gewerkt weer wordt op de asch
Van wie voor kort nog werkend was –
Dan zullen nog bij nieuwe maan
Uw schimmen door de straten gaan.
Links, rechts…
.
.

Een ware geschiedenis

Karel ten Haaf

.

In de reeks dichter op verzoek vandaag een dichter op verzoek van Daniël Dee en wel de dichter Karel ten Haaf. Op zich zelf snap ik de keuze van Daniël heel goed, daar hij samen met Karel een Blog schrijft op http://kortsluiting.blogspot.com/. Gedichten van Karel ten Haaf werden gepubliceerd in tijdschriften maar ook in negen in eigen beheer uitgegeven bundels. Zijn tiende dichtbundel was niet alleen zijn officiële debuut als dichter, maar tevens het dikste poëziedebuut uit de geschiedenis van de Nederlandstalige letteren. Deze 544 pagina’s tellende bundel is getiteld ‘Meisjespijn’ werd uitgegeven door uitgeverij Passage in 2007. De poëzie van ten Haaf wordt ook wel omschreven als een merkwaardig mengsel van light verse, tegeltjeswijsheden, moppen, literaire spelletjes, anarchisme, dadaïsme en onverbloemde pornografie. Sommigen zien dit als hoogste vorm van non-poëzie.

Van de blog van Karel en Daniël plukte ik dit gedicht van ten Haaf.

.

Ware geschiedenis

.

Dat ik wanneer ik in een advertentie zie staan

lkkr ppn

dat automatisch aan- en invul tot

lekker poepen

.

en pas later bedenk dat ik had moeten lezen

lekker pijpen

is ongetwijfeld te wijten aan mijn gevorderde leeftijd en de

daarmee gepaard

.

gaande afname van de biologische drang tot procreatie.

Dat geeft toch wel een hoop rust hoor

ouder worden

hoor ik nu natuurlijk te zeggen

.

enorm wijs kijkend.

En daar heb ik op zich ook wel gelijk in

natuurlijk maar toch

vind ik het jammer dat ik nooit meer

.

de fanmail ontvang

die vroeger wel

mijn deel

werd.

.

Foto’s waarop lezeressen

hun bewondering voor werk en

persoon van de dichter ken- en zichtbaar maken

door te poseren met in de hand een bundel van mij

.

en bovenal met fier ontbloot gemoed.

.

 

Dada gedichten op verzoek

Hans Arp en Hugo Ball

.

In het kader van mijn oproep om dichters op verzoek aan mij te melden heb ik heel veel reacties gekregen (waarvoor mijn grote dank). Een aantal dichters werd genoemd dat al een dichter van de maand was geweest of waar ik al vaker aandacht aan besteed maar ik kreeg ook volop namen van nieuwe dichters, dichters die ik (nog) niet zo goed ken, en ook verrassende namen. Omdat het er zoveel zijn zal ik me niet tot de zondagen in april beperken maar al eerder ‘dichters en gedichten op verzoek’ gaan plaatsen.

Zo kreeg ik van Ariel Alvarez een aantal namen van dichters door waaronder de Dadadichters Hugo Bal (1886 – 1927) en Jean (Hans) Arp (1886 – 1966).

Hugo Ball was een Zurichs Dadaïst en initiatiefnemer van Cabaret Voltaire, een klein zaaltje in Zürich, dat ruimte bood aan hooguit 35 tot 50 mensen. Elke avond voerden Ball en zijn dadaïstische vrienden een programma op waarin ze de burger opschrikten met nonsensicale teksten en simultane gedichten. Hugo Ball maakte veelal klankgedichten. Het eerste, uit 1916, had als titel ‘Karawane’ en bestaat uitsluitend uit niet bestaande woorden. De voordracht van dit gedicht schijnt geleken te hebben op een religieus ritueel en Ball moest tijdens het declameren van dit loze gedicht ineens terugdenken aan zijn katholieke jeugd en aan de lamentaties bij een requiem. Hoe klinkt dat? Luister hier: https://web.archive.org/web/20080220231205/http://epc.buffalo.edu/sound/mp3/sp/ball_hugo/ball_various.mp3

Jean of Hans Arp was een Duits-Frans beeldhouwer, schilder en dichter. Hij speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de moderne kunst en was een van de voormannen van de dada-beweging. Ook was Arp actief als sieraadontwerper.  In 1916 richtte hij in Zürich samen met Hugo Ball, Tristan Tzara, Richard Hülsenbeck en Marcel Janco de Dada-beweging op, waarbij ook Sophie Taeuber betrokken was. Arp is vooral bekend door zijn beeldhouwwerken en sculpturen. Hij staat vooral bekend om zijn kenmerkende abstract-biomorfische stijl. In 1931 brak hij met het surrealisme om een andere groep te vormen, Abstraction-Création, die het periodiek ‘Transition’ uitgaf. Gedurende de 30 jaren tot het eind van zijn leven ging hij ook door met het schrijven van essays en poëzie.

Grutto Grutto Fuut Fuut

Robin Hannelore

.

De Vlaamse dichter Robin Hannelore (1937, pseudoniem van August Obbels) is vooral bekend in de Belgische Kempen. Hij kreeg in 1968 en 1977 de poëzieprijs van de provincie Antwerpen. Naast zijn auteursactiviteiten was hij tot 1997 leraar Germaanse talen in zowel Herentals als Antwerpen. Binnen zijn zeer ruime thematiek neemt Hannelore het dikwijls op voor de zwakkeren, de onderdrukten en de onmondigen. Deze voorkeur, die in zijn werk meermaals naar boven komt, kwam tot een hoogtepunt in ‘Een brief aan de koning’ (1979). In zijn veelheid van stijlen waagde hij zich enkele malen in het magisch realisme, wat hem de vriendschap opleverde met Hubert Lampo. Samen met Frans Depeuter en Walter van den Broeck was Hannelore ook medestichter van het satirisch-kritische tijdschrift ‘Heibel’, dat hij in 2007 met Depeuter opnieuw tot leven riep. Hannelore schreef zo’n 20 poëziebundels en hij debuteerde in 1958 met de poëziebundel ‘Waan en pijn’.

In 1978 verscheen in de serie ‘Poëtisch erfdeel der Nederlanden’ in de Vlaamse pockets, een bloemlezing van zijn werk onder de titel ‘Het koekoeksspog’. Wat dat precies betekent is me niet helemaal duidelijk, het Vlaams woordenboek geeft niet direct uitsluitsel, maar het lijkt een afgeleide van gespogen dat ‘heel erg gelijkend op’ betekent. Hierin gedichten uit zijn bundels uit de jaren ’60 en ’70.

De bundel begint met een ‘gedicht’ of een uitspraak van Hannelore waaruit blijkt dat hij het opneemt voor de onderdrukten en de onmondigen.

.

En kom je tenslotte toch naar de Kempen,

denk dan niet te lichtvaardig dat je

het koekkoeksspeeksel, het kikkerspog

of het lenteschuim ontdekte.

Ik loop hier namelijk in het voorjaar steeds

op, voor de voeten van, of in het gezicht van

de parvenu’s, de spekulanten, de mongoloïde politici

en de goden te spuwen.

.

Verder in de bundel blijkt dat Hanelore wel degelijk ook gedichten schrijft die minder activistisch zijn en de schoonheid van de Kempen en de natuur als onderwerp hebben zoals in het gedicht ‘Grutto Grutto Fuut Fuut’ dat nooit gebundeld werd.

.

Grutto Grutto Fuut Fuut

.

Ik lig hier als een driedubbele gek

Te lachen in het gras de witbol

Beroesd van tijm en koeiedrek

De schaduw van de eik zit vol

.

harig wilgeroosje en oud geluk

En gesjirp van een krekel een mus

De Kempen bulkt van de volle pluk

Halfapen toeren er rond in een bus

.

Onder dit groen orgiastisch gewelf

Op dit eeuwig wilde herdersfeest

Ben ik te gast bij de zwarte elf

.

Ik adem ril geniet als een beest

Verlaat hier tenslotte voorgoed mezelf

Nimmer is iemand zo vrij geweest.

.

Declamatorium

Nieuw declamatorium der Nederlandse poëzie

.

In 1979 publiceerde Standaard Uitgeverij het ‘Nieuw declamatorium der Nederlandse poëzie’ bijeengebracht door Teresa Van Marcke. Nu heb ik het woord declamatorium even opgezocht (dat het een afgeleidde is van declamatie was me duidelijk) en het betekent “Een dichtstuk dat bij de voordracht wordt begeleid en afgewisseld door muziek of zang” of ook wel “voordracht”. Hoe dat precies zit (het is tenslotte een geschreven bundel) blijkt uit het voorwoord. Daarin schrijft Teresa Van Marcke: “Voor dit werk ging de keuze in de eerste plaats naar het gedicht, geschikt om voor te dragen. Te hermetische poëzie werd vermeden”.

De bundel bevat een reeks aan gevestigde namen maar ook een reeks nieuwe namen (let wel: gevestigde of nieuwe namen in 1979!). “Dichters die de gevoeligheden van deze tijd en vooral van de jonge mens van nu, trachten te verwoorden”. In een aantal thema’s zoals ‘Bezinning/vragen’, ‘Vreugde/liefde/innigheid’, ‘Ontgoocheling/angst/pijn’, ‘aanklacht/eis/strijd’, ‘Reportage/verhaal’ en ‘Humor/ironie’, worden ruim 400 gedichten en dichters gepresenteerd. Zoals gezegd bekende namen (hoewel volgens het voorwoord een aantal Nederlandse dichters verstek liet gaan) maar dus ook onbekende en nieuwe dichters. Zo kan een dichter als Herman de Coninck naast een (voor mij onbekende) dichter als Albert de Longie staan en Halbo C. Kool naast Hendrik Marsman.

Ik heb uit het hoofdstuk ‘Aanklacht/eis/strijd’ gekozen voor het openingsgedicht van Paul de Bolle. Van deze dichter heb ik verder geen informatie gevonden en dit gedicht had wat mij betreft ook in het hoofdstuk ‘Humor/ironie’ kunnen staan.

.

Wanneer ik een soldaat zal zijn

dan grif ik gedichten in de kolf

van mijn geweer

en de man die dan zeggen zal

schiet

die sla ik met mijn gedichten

dood

.

%d bloggers liken dit: