Categorie archief: (bijna) vergeten dichters

Zo waren zij 1

Rosemarie Mels

.

Vandaag gewoon een gedicht, zonder verdere toelichting (vooral omdat ik niet meer weet uit welke bundel uit mijn boekenkast ik dit gedicht nam..) maar mooi in al haar eenvoud.

.

Zo waren zij 1

.

Zo waren zij.

Als was er enkel

water tussen hen

dat niet bewoog.

Onhoorbaar.

Zij waren roerloos

en volkomen stil.

.

En de hand van de ene

bewoog het water

en zo de ander

maar zacht,

zacht.

.

Het derde oog

Jolanda Oudijk

.

In het begin van mijn dichters ‘loopbaan’ deed ik geregeld mee aan allerlei poëziewedstrijden. Ik heb er in een paar jaar tijd ook een aantal gewonnen (waaronder de allereerste waaraan ik meedeed van de Stichting Literaire Activiteiten Zwolle). In mijn enthousiasme begreep ik toen nog niet dat er verschil zat in verschillende wedstrijden. Er waren natuurlijk de poëziewedstrijden waar een goede jury opzat en waar kwaliteit het criterium was.

Maar er werden ook wedstrijden georganiseerd waar de deelnemers zich van te voren moesten vastleggen op het afnemen van minimaal drie bundels met daarin de ‘genomineerden en de prijswinnaar. Een aardig verdienmodel maar voor de beginnend dichter ook een leuke manier om in een (verzamel)bundel een keer gepubliceerd te worden.

Inmiddels doe ik nog slechts heel af en toe aan een poëziewedstrijd mee (eigenlijk sinds ik zelf en daarna met Ongehoord!  begonnen ben met het organiseren van een poëziewedstrijd). In 2008 deed ik nietsvermoedend mee aan de Strellus Poëzie Prijs waarbij de bundel ‘Het derde oog’  werd gepubliceerd met als ondertitel ‘Verzamelde gedichten van Nederlandse en Belgische auteurs’. Een flinke ondertitel voor het gegeven dat er deelnemers aan deze ‘wedstrijd’ waren uit beide landen.

Bladerend in deze bundel kwam ik een aardig gedicht tegen van een mij onbekende dichter Jolanda Oudijk. Zij deed mee met het gedicht ‘Autosuggestie’.

.

Autosuggestie

.

praat ze zichzelf

handsfree

zingt ze een eigen wijsje

of mee met de radio

.

nee, ze vloekt hardop

lippenstift bloedt

op een bijtende mond

.

multiple choice

het zout op haar lippen

a. chips

b. zeewater

c. tranen

.

wat valt er te kiezen

met het vermoeden:

zijn hart is geen cabriolet

.

Bouwval

Jacques Perk

.

Ik lees in de serie ‘Vlaamse pockets, Poëtisch erfdeel der Nederlanden’ het deel over Jacques Perk uit 1962. Dit deel is verzameld en ingeleid door Garmt Stuiveling (1907-1985), een naam die ik wel vaker tegenkom, hij was literatuurhistoricus en criticus. In dit geval dus een bundel over predikant-literator, dichter Jacques Fabrice Herman Perk (1859-1881). Deze combinatie van functies (predikant-dichter) kwam in de negentiende eeuw vaker voor, andere bekende predikant-dichters zijn Busken Huet, Beets en Allard Pierson.

Ik schreef al vaker over Jacques Perk , zijn (veel te) korte leven en werk bijvoorbeeld op https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/05/05/vrij-2/ maar de reden dat ik vandaag een vers van hem plaats is omdat ik, al lezend bij het gedicht ‘Bouwval’ bleef hangen. Het deed me denken aan het gedicht ‘Leegstand’ dat ik schreef https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/09/03/nieuw-gedicht-49/, heel anders van vorm en toon maar thematisch herkenbaar.

Reden genoeg (elke reden is er een om een gedicht te plaatsen hier nietwaar) om dit sonnet, dat oorspronkelijk verscheen in ‘Verzamelde Gedichten’ uit 1957, hier met jullie te delen.

.

De bouwval

.

’t Is alles nu met duisternis omtogen,
En ’t starren-dak zendt stilte op ’t glanzend puin:
De kracht, de trots weleer van rots en kruin,
Het maanlicht glipt door holle vensterbogen;

.

Geen sprankje mos wordt door een zucht bewogen,
Geen leven slaakt geluid in ’t kil arduin;
Slechts in den onkruidruigen bouwvaltuin
Schiet klaterend, een springbron naar den hogen:

.

En ’t lage dal blikt op met vreze en beven
Naar ’t slot, waar zang en zwaardgekletter klonk,
Toen willekeur bevel vermocht te geven.

.

En ’t ziet in schemerschijn der nachtzon zweven
Het schimmenheir, dat in den dood verzonk,
Doch in den doodsen burg der nacht bleef leven.

.

Orpheus

Zsuzsa Beney

.

De Hongaarse dichter Zsuzsa Beney (1930-2006) studeerde medicijnen en was werkzaam als longarts in Boedapest. Al op 17 jarige leeftijd publiceerde zij haar gedichten in tijdschriften maar pas na haar dertigste begon zij opnieuw met schrijven, poëzie en essays. In 1972 verscheen haar debuutbundel ‘Tüzföld’ of ‘Vuurland’. In 1982 nam zij deel aan Poetry International in Rotterdam en ter gelegenheid verscheen het gedicht ‘Orpheus’ in een vertaling van Sylvia Bodnár.

.

Orpheus

.

Waarom riep je me? Uit de duistere

doodsdiepte haal ik je terug! – Maar je riep me!

Overschoon verstorven lief, van de wereld

afgestorven, meende ik, om mijnentwille –

.

Kan zelfs mijn liefde je niet doen sterven?

.

Waterschittering, schitterschimmig elfenbankje,

eierdonzig heidebed, land-barende lente, Jij –

je geboorteplek werd je huwelijksbed –

.

Wat deed je eruit herrijzen?

.

Gewend was de stilte in mijn dode hart –

je jammerklacht reet mijn hart weer open

en op mensentoon, ooit de woordenecho

van zwijgende wezens, ween ik. Schone verstorvene.

.

Mijn lief, hoor je mijn vliedende dood?

.

Juni

Bijna vergeten dichter

.

Leo Ross (1934-2014) werd geboren in Zwartsluis. Op het gymnasium in Middelburg leerde Ross de drie jaar oudere Guus Vleugel kennen, de latere dichter Guus Valleide. In 1951 ging hij studeren in Amsterdam. Hij sloot toen een hechte vriendschap met Willem Wilmink, jaargenoot (als Neerlandicus) en dispuutgenoot.  Hij werd toen Lektor für niederländische Philologie aan de Universiteit van Münster, Westfalen.

Voor zijn ontwikkeling belangrijke reizen maakte hij in 1965 en 1966 naar Griekenland; hij leerde Grieks uit een Duitse grammatica. In 1969 keerde hij terug naar Amsterdam als docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde aan de Vrije Universiteit in 1994, gezamenlijk met collega-Neerlandicus Rob Delvigne.

In 1982 maakte hij deel uit van de jury voor de prestigieuze (Belgische) Europese literatuurprijs, toen een Griekse schrijver bekroond werd. In de PEN maakte hij zich verdienstelijk als lid van de werkgroep Writers in prison.

Leo Ross debuteerde in 1952 in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures (PC) met een gedicht uit zijn gymnasiumtijd. De debuutbundel ‘L’Amour vert’ (1962) stond onder de invloed van Hans Lodeizen. Met groter ernst gaat in ‘Classics’ (1967) ook meer reflectie over de poëzie gepaard.

Hoewel Ross zijn eerste essays publiceerde in 1954/1955 (in Propria Cures), dus ongeveer tegelijk met zijn vroege gedichten, slaat hij in beide door hem beoefende literaire genres een opvallend verschillende toon aan: de poëzie is zonnig en vrolijk, de essays venijnig en agressief.

In 2003 in het ziekenhuis begon Leo Ross distichons te schrijven, tweeregelige gedichtjes naar het voorbeeld van het grafschrift van Vondel. Tot 2009 verschenen er vier bundels ‘tweeregels’. Ross publiceerde in verschillende literaire tijdschriften als De Revisor, De Gids, Hollands Weekblad en Maatstaf.

Uit ‘L’Amour vert’ komt het gedicht ‘Juni’.

.

Juni

.

Ik wil mijn best doen zoals bloemen

hun best doen, van mijn leven

wil ik iets stijlvols maken, een reuzeneik

voor een kleurige vogel

.

maar ik lig op een strand in de zon

met een jongen die zachtjes snurkt en

speel met de tijd als met zand, dijken

bouwend en tunnels gravend.

.

 

Na Slauerhoff’s dood

Dichters over dichters

 

In de rubriek ‘Dichters over dichters’ vandaag een gedicht van de dichter Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) die leefde van 1887 tot 1939. Hij wordt beschouwd als de belangrijkste Nederlandse calvinistische dichter van zijn generatie. P.J. Meertens noemt hem een christelijk renaissancedichter en Hans Werkman, biograaf van Willem de Mérode schreef over hem: “De dichter doorleefde de tragedie van een onmogelijke liefde; hij schreef in de spanning van jongensliefde en een mystieke beleving van christelijk geloof”.

Die calvinistische en christelijke inslag komt heel duidelijk terug in het gedicht ‘Na Slauerhoff’s dood’ dat hij schreef in 1936 (13 dagen na het overlijden van Slauerhoff) en dat ik nam uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1987 dat in twee banden verscheen. Dit gedicht staat in het tweede deel. Beide banden werden mogelijk gemaakt met financiële steun van het ministerie van WVC (kom daar nog maar eens om).

J.J. Slauerhoff en Willem de Mérode hadden wat levensbeschouwing betreft weinig met elkaar gemeen. Het pessimistisch scepticisme van de eerste stond lijnrecht tegenover het reformatorisch, orthodox christen-zijn van de ander. Toch hadden beide dichters ook overeenkomsten zoals hun liefde voor de Chinese lyriek.

.

Na Slauerhoff’s dood

.

Dichter, je bent besproken en bezongen

Door hen die over dood lichtzinnig baazlen,

Alsof je een weekje thuis was met de maazlen.

Straks zullen zij weer met die flinke jongen

Er één op drinken, naar de meisjes gaan

En (’t leven is geen lol) landerig vertrekken

Om in de Stille Zuidzee te ontdekken

Dat de aarde bezig is met te vergaan.

.

Misschien heb jij ’t verschriklijke beseft

Dat je God overal zoekt en nergens treft,

Tot Zijn gelaat de duisternis deed wijken

En jij, Hem ziende, duister moest bezwijken?

.

Dit is zoo droef dat je bewonderaars preeken

En niemand één woord over God dúrft spreken.

.

Elegie

Maurice Gilliams

.

De Vlaamse dichter Maurice Guillaume Rosalie Gilliams (1900 – 1982) debuteerde op 17 jarige leeftijd met gedichten en proza onder de naam Floris van Merckem, een pseudoniem dat hij later introk. Hij schreef zowel proza als poëzie en brak op 36-jarige leeftijd door met zijn sterk autobiografische roman ‘Elias of het gevecht met de nachtegalen’. Gilliams schreef altijd autobiografisch, meestal over zijn mislukte huwelijk en over zijn verloren jeugd ( Gilliams trouwde in 1935 met Gabriëlle Baelemans maar ze leefden vrij vlug daarna gescheiden. Van een echtscheiding kwam het echter door weerstand van Gabriëlle pas 41 jaar later in 1976).

Als dichter en schrijver ontving hij de Constantijn Huygensprijs (1969), de Driejaarlijkse Staatsprijs (1972) en de Prijs der Nederlandendse Lettren (1980). In dat laatste jaar werd hij ook benoemd tot doctor honoris vausa aan de universiteit van Gent. Na zijn dood in 1982 werd de Maurice Gilliamsprijs in het leven geroepen. Hoewel in Vlaanderen nog steeds een bekende naam raakt deze dichter langzaam in de vergetelheid ondanks het feit dat hij in veel bloemlezingen wordt en is opgenomen.

Uit de bundel ‘Vita brevis’ Verzameld werk uit 1984 komt het gedicht ‘Elegie’.

.

Elegie

.

Zolang op het land.

Roken en door ’t venster staren:

linden voor de gevel,

trage knapen gaan voorbij.

.

Zomeravond op de velden

en de verre treinen kan men horen.

Grachten die naar heimwee smaken,

vergezichten, klokken die mij plagen

komen ’t hart zijn honing roven.

En de dorpen die ik door wil trekken,

waar de bruiden wonen,

waar de boten varen op de stromen,

roepen mij in ’t dalend donker:

in het koren staat een huis.

.

Maar ik sta hier voor het venster

van een boerenkamer

waar een stoel de stilte tekent

en de bloemen bruin verwelken

in een glas groen water.

.

 

Haha, die liefde

Maurice Roelants

.

Mauritius Adolphus (Maurice) Roelants (1895 – 1966) was een Vlaams dichter en romanschrijver maar hij was ook onderwijzer, ambtenaar, journalist en conservator van het nationale museum het kasteel van Gaasbeek. Samen met Menno ter Braak en E. du Perron was Maurice Roelants een van de oprichters van het gezaghebbende literaire tijdschrift Forum, een Nederlands-Vlaams literair tijdschrift dat van 1932 tot 1935 verscheen. Daarnaast was hij medeoprichter van het tijdschrift ’t Fonteintje’ en het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Daarnaast was hij een tijdlang redacteur van Elsevier’s Weekblad.

In het oeuvre van Roelants neemt de poëzie slechts een kleine plaats in, hij was vooral schrijver van proza. Toch ontving hij in 1950 de driejaarlijkse cultuurprijs de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Poëzie. In de verzamelbundel ‘Zo sprak mijn lief mij toe’ Nederlandse liefdespoëzie uit 1957, is een gedicht opgenomen van Roelants. Het gedicht ‘Haha, die liefde’ verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Het verzaken’ uit 1930.

.

Haha, die liefde

.

De Liefde is oud en heeft een scheeven mond,

gespleten op haar brokkelige tanden,

zij deelt zoo licht wat lieve lachjes rond

en blaast al schalksch een kusje van haar handen.

.

Nooit is haar hupsche en speelsche voet gewond,

schoon zij nog danst als niet één kind van schande;

zij looft den tango en tezelfder stond

bespot zij fijn den ernst der sarabande.

.

’s Namiddags is ze op rijke tea’s te gast

en laat er soms door sier en zeedgen fleur

aan ongerepte maagdlijkheid gelooven.

Maar ’s avonds slaapt ze met een jongen kwast,

die zich bedrinkt aan haar verlepten geur,

en reukwerk waant de lucht van oude alkoven.
.
.

Soldaten kwartier

Antony Kok

.

Naar aanleiding van een bericht op Tzum, waarin stadsdichter A.H.J. Dautzenberg in een open brief aangeeft waarom hij stopt met het uitoefenen van het stadsdichterschap van Tilburg https://www.tzum.info/2021/03/nieuws-a-h-j-dautzenberg-stopt-met-stadsdichterschap-tilburg/ sloeg ik aan op de naam Antony Kok (1882 – 1969). Ik wist dat ik al eens een bericht over deze dichter had geschreven https://woutervanheiningen.wordpress.com/2012/05/11/dada-gaga/ en wilde graag meer van deze dichter te weten komen.

Op de website https://www.antonykok.nl/ kun je alles over het leven en werk van deze experimenteel dichter lezen.  Deze Rotterdamse  schrijver en dichter was experimenteel vooral in zijn klankpoëzie. Hij was mede-oprichter van het vernieuwende tijdschrift ‘De Stijl’. Antony Kok stond bekend als een bedachtzaam en vrijgevig man. Hij was volgens hen die hem kenden een groot kunstminnaar en ook een mecenas, niet alleen voor een bekende schilder als Piet Mondriaan maar ook voor regionale kunstenaars. Kok leerde de kunstenaar Theo van Doesburg kennen toen deze gelegerd was vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog met zijn legeronderdeel aan de Belgische grens, niet ver van Tilburg. Na 1916 leerde hij Piet Mondriaan kennen en samen met een aantal andere kunstenaars richten zij in 1917 ‘De Stijl’ op.

In 1915 schreef Anthony Kok het gedicht ‘Soldatenkwartier’ waarschijnlijk geïnspireerd op een serie gedichten van Van Doesburg, getiteld ‘Soldaten’. Van Doesburgs reactie op het gedicht ‘Soldaten Kwartier’ loog er niet om: ‘Die uitdrukking ‘klootenschuren’ vind ik toch erg goed; helemaal in toon, je ziet er de geslachtsdelen ten opzichte der houten banken in heen en weer schuiven’.

Kok heeft slechts twee gedichten gepubliceerd in ‘De Stijl’, de gedichten  ‘Stilte + stem (Vers in W)’en ‘Nachtkroeg’ wat voor iemand die mede oprichter was van een tijdschrift dat 14 heeft bestaan (met De Stijl werd gestopt toen Theo van Doesburg in 1931 kwam te overlijden) erg karig is.

.

Soldaten kwartier

.

Banken. Banken.
Ruwe planken.
Snaaksche schalken.
Kleeren zwalken.
Kastjes. Kribben.
Vloeren glibben.
Zingen. Fluiten.
Hoemhoemhoem.
Luieren. Poetsen.
Schuieren. Boem.

.

Sterke longen.
Bokkesprongen,
over tafels,
banken heen.

.

Eten. Drinken.
Schrijven. Stinken.
Koffie. Brood.
Stik. Valdood.

.

Kaptein. Venijn.
Kaptein. Venijn.
Sergeant. ’t Land.
Sergeant. ’t Land.
Hoelang. Hoelang.
Zal het nog duren
Dat verdomde
klooten schuren.

.

Rombombom.
Rombombom.
De trom.
De trom.
De trom.

.

AK

Lino: Ivo van Leeuwen

AKivl

Laatste heer

Jan Wit

Het aardige van veel poëziebundels in huis hebben is dat je soms vergeet dat je een speciale of obscure bundel bezit. In mijn boekenkast kwam ik een mooie stevige bundel tegen met plastic beschermlaag (kom daar nog maar eens om) van de mij onbekende dichter Jan Wit (1914 – 1980). Jan Wit werd ook wel de blinde dichter van het licht genoemd. Deze dominee-dichter werd vrijwel blind geboren (op zijn 6e jaar kreeg hij twee glazen ogen) vandaar dat er waarschijnlijk zoveel licht  en verwijzingen naar licht in zijn kerkgezangen en gedichten voorkomt. Jan Wit is voornamelijk bekend van zijn bijdragen aan de psalmberijming en zijn liederen in het Liedboek voor de Kerken van 1973.

Maar de Groningse Jan Wit was ook bekend als vertaler, toneelschrijver, bloemlezer en dus dichter. Als dichter debuteerde hij met de bundel ‘Rites de passage'(1950) gevolgd door ‘In den metalen stier’ in 1954. In 1965 verscheen de bundel ‘Nederlandse gedachten en andere gedichten’ van hem bij Uitgeversmaatschappij Holland. In deze bundel staan vier afdelingen: Programmatisch (proeve van moraliserende poëzie), Nota bene (proeve van informatieve poëzie), Van liever leden (proeve van bevindelijke poëzie) en Nederlandse gedachten ( een evocatie van het tot zichzelf en de ander komen door een verre en onmogelijke reis). Uit de afdeling ‘Nota bene’ nam ik het gedicht ‘Laatste heer’ waarin ook weer het licht een rol speelt.

.

Laatste heer

.

Nu heeft ook Ad den Besten

een Opel Kadett en oom,

dat is te zeggen Guillaume

beweegt zich hulp-gemotoriseerd

door zijn autonome gemeente.

.

Dat gaat zo niet langer: ik neem

een geleidster met blinkende brilleglazen

en super-gevulde boezems

of, mocht dat niet lukken, een rode

hond met dito achterlicht.

.

 

%d bloggers liken dit: