H.C.Andersen

Grafregels

.

Hans Christiaan Andersen (1805 – 1875) of H.C. Andersen zoals hij in Denemarken steevast wordt genoemd, is bekend en beroemd als schrijver van vele sprookjes. Hij begon zijn carrière echter als dichter. Zijn debuut was in 1827 met het gedicht ‘Det døende Barn’ (Het stervende kind) dat hem zeer onder de aandacht bracht. Daarna volgde een roman, al snel gevolgd door hervertelde sprookjes. Uiteindelijk zou hij met zijn zelf bedachte en geschreven sprookjes wereldberoemd worden. Dat hij ook dichter was is dus veel minder bekend. Ook bij mij niet. Tot ik zijn graf bezocht op de Assistents begraafplaats in Kopenhagen. Daarop zijn, uit een Gedicht uit 1874 van zijn hand een aantal regels aangebracht (de laatste vier regels). En wel uit het gedicht ‘Oldingen’ uit 1874, gepubliceerd in Samlede Skrifter” Tolvte Bind, uitgegeven in 1879.

Het gedicht heb ik alleen kunnen vinden in het Deens, de vertaling is een (min of meer) vrije vertaling van mijzelf.

.

Oude man

Voor de grote ingang sta ik nu
Door dood en begrafenis.
Zeven keer tien is het leven van het stof,
De kamer die God gaf;
Mijn lichaam wordt weggegooid, een versleten kleed,
En de ziel – de ziel zal worden uitgeroeid,
Alles wat ik liefhad’, nastreefde, leefde’, samenvoegde,
Naar boven in Vergetelheid? – Is het de eeuwigheid?

Is het allemaal gewoon een spel van kracht,
Alles zonder beloning?
Waarom hebben we dit verlangen daarna gekregen?
Een eeuwigheid?
Heeft Jezus, die voor ons zijn leven heeft gegeven,
Gewonnen wanneer wij dood en begraven zijn,
Dan is ons geloof onze hoop, ons leven liefje,
En niet de grote oorzaak van liefde!

De kracht die ‘Alle kliffen’ beliep, beval
Met het woord: “blijf!”
De voorzienigheid waaruit de liefde voortkomt,
Heb eeuwig leven.
– De ziel die God naar zijn beeld schiep,
Is ondraaglijk, men kan verloren zijn;
Ons aardse leven is hier het zaad van de eeuwigheid,
Ons lichaam sterft, maar ook de ziel kan sterven!

.

Oldingen 

Foran den store Indgang nu jeg staaer
Ved Død og Grav.
Syv Gange ti er Støvets Leveaar,
Det Rum, Gud gav;
Mit Legem’ kastes hen, en udslidt Klud,
Og Sjælen — Sjælen, skal den slettes ud,
Alt, hvad jeg elsked’, stræbte, leved’, led,
Gaae op i Glemsel? — Er det Evighed?

Er da det Hele kun et Spil af Kræfter,
Alt uden Meed?
Hvorfor fik vi da denne Længsel efter
En Evighed?
Har Jesus, som for os sit Liv hengav,
Kun fundet, vundet med os Død og Grav,
Da er vor Tro, vort Haab, vort Liv Bedrag,
Og ikke Kjærlighedens store Sag!

Den Kraft, som ordned’ alle Kloders Gang
Ved Ordet: “bliv!”,
Det Forsyn, hvorfra Kjærlighed udsprang,
Har evigt Liv.
— Den Sjæl, Gud i sit Billede har skabt,
Er uforkrænkelig, kan ei gaae tabt;
Vort Jordliv her er Evighedens Frø,
Vort Legem døer, men Sjælen kan ei døe!

.

Geplaatst op 6 augustus 2018, in Dichtbundels, Gedichten op vreemde plekken, Over Poëzie en getagd als , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Markeer de permalink als favoriet. 5 reacties.

  1. Mooi Gedicht,mezelf zonder ziel,beangstigend!

  2. Ik heb een poging gewaagd het rijmschema na te leven (wat weer op andere plekken concessies nodig maakte, vandaar ook 1 zin met lelijke haakjes. 😉 )

    Oude man

    Voor de grote ingang mag ik staan
    Door dood naar graf.
    Zeven keer tien mijn stof’lijk bestaan,
    Het huis, dat God mij gaf;
    Mijn lichaam is verworpen, als een oude doek,
    En mijn ziel – mijn ziel, een sterk vervagend boek,
    Al wat ik liefhad, streefde, leefde, in samentijd,
    Vergaat in vergeten? – Tot in eeuwigheid?

    Is dit alles slechts een spel van krachten,
    Geen beloning op zijn tijd?
    Waarom kregen we ‘t verlangend smachten
    Naar die eeuwigheid?
    Heeft Jezus, die voor ons zijn leven gaf,
    Alleen gevonden, winst in dood en graf,
    Dan is geloof nog onze hoop, ons leven, hartendief,
    En is de zaak van liefde enkel klein gerief.

    De kracht, die Christus’ volgers toeriep luid
    Beval slechts: “blijf!”
    De voorzienigheid, waaruit liefde steeds ontspruit,
    Is toen voor altijd ingelijfd.
    – De ziel, die God voor ogen had,
    Is ondraaglijk, je kunt verdwalen op je pad;
    Dit aards bestaan bepaalt (voor jou) of eeuwigheid ontlook,
    Ons lichaam sterft, maar zielen sterven ook!

  3. Beste Wouter,

    verdomd toevallig, ik was er ook, voor die steen, nog geen twee weken geleden. En was op die begraafplaats getroffen door zowel de comfortabele ruimte tussen de graven als de sobere eenvoud van de tombes. Ook de ‘filosoof van de ironie’ Kierkegaard, zelf oersaai om te lezen en de componist Dussek liggen er bijgezet in nauwelijks noemenswaardige graven. Is het een Deense afkeer van grootse en meeslepende gebaren om prominente cultuurdragers bijna besmuikt weg te moffelen?
    Jammer dat ik je daar net gemist hebt, omdat je aandacht voor ‘talige kunst’ in de openbare ruimte – zoals nu weer die regels op een grafsteen – me erg charmeert. En ik zag pas in Bergen op Zoom allerlei muurpoëzie waar je ons de ogen voor opent.
    Alle goeds
    Alaskis

    • Je hebt helemaal gelijk, ik heb de steen van Kierkegaard ook gezien, zo nietszeggend. En de ruimte op die begraafplaats was me ook opgevallen, Een geweldige stad Kopenhagen, grappig dat je daar ook was en dezelfde steen hebt bekeken. Poëzie in de buitenruimte is altijd leuk en interessant en als je er een open oog voor hebt dan zie je het steeds meer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: