Vrienden

Dubbelgedicht

.

Vandaag een dubbelgedicht met als thema Vrienden. Over vrienden en vriendschappen zijn vele gedichten en liedjes geschreven dus het was niet heel moeilijk om een dubbelgedicht samen te stellen.

Het eerste gedicht van dit tweeluik is het gedicht ‘Hoe lang zullen zij nog vrienden blijven?’ van de dichter J.B. Charles, pseudoniem van Willem Hendrik Nagel (1910-1983). Het gedicht komt uit de bundel ‘De groene zee is mijn vriendin; gedichten 1944-1982’ uit 1987. Het gedicht gaat over de twijfel aan vriendschap.

Het tweede gedicht is van dichter Ida Vos (1931-2006) en is getiteld ‘Je hoeft niets te zeggen’ en dit gedicht gaat juist over de onuitgesproken vriendschap die voor altijd is. Het gedicht komt uit de bundel ‘Schiereiland’ uit 1979.

.

Hoe lang zullen zij nog vrienden blijven?

.

Vrienden komen. Heb ik nog

van die goede tee?

Ja die zullen ze herkennen.

Eten in Noordwijk, aan de zee.

Of kan ik dat nu niet betalen?

Nou dan maar niet. Nog even wachten.

Die Saint Emilion, die hoge,

die heb ik niet voor niets bewaard.

.

Ze komen niet meer, ben ik bang.

’t Is al zo laat.

Was het dan niet vandaag

misschien? Hoe lang

denk je zullen zij vrienden blijven?

.

Je hoeft niets te zeggen

.

je hoeft niet

in woorden

te praten

met mij

je hoeft niets

in woorden

te zeggen

je hoeft alleen maar

en dat is genoeg

je arm om mijn schouders

te leggen

.

 

Zintuigen

Andrea Voigt

.

De eerlijkheid gebiedt mij te vertellen dat ik nog niet van Andrea Voigt (1968) gehoord had tot ik pas een gedicht van haar las in een verzamelbundel. Voigt is een dichter die in 2001 de VU-podium poëzieprijs won met het gedicht ‘Brief van een geoloog’. Ze studeerde zelf Skandinavische talen aan de UvA, maar schreef een liefdesgedicht als herinnering aan een ex-geliefde, een geoloog aan de VU, waarmee zij eens op reis was gegaan naar Portugal. In 2005 verscheen haar eerste bundel ‘De tempel van Saturnus’.

Naast poëzie schrijft Andrea Voigt ook romans. Haar werk is filosofisch maar ook zintuiglijk, gecondenseerd maar rijk. En steeds zoekend, verkennend, onderweg. Dat blijkt ook uit het gedicht ‘De tuin der zintuigen’ dat uit ‘De tempel van Saturnus’ komt.

.

De tuin der zintuigen

.

Hoor je het ruisen van de vroege cyclamen
het klapperen van de vleugels van de vliegen
het vallen van de overrijpe pruimen in het gras
het zingen van de wind?

.

ruik je de geur van natte hagen in de doolhof
de geur van neergeregend stof
het kruidige basilicum, de selderij
het luie parfum van lavendel?

.

voel je de champagneblaadjes van de rozen
de stekels in je vingers, de druppels over je rug
voel je de beweging in de lucht
het ruwe hout van de hekken?

.

proef je in de tuin der zintuigen mijn huid
proef je mijn lippen, mijn handen op je lichaam
het fluweel van vlindervleugels op je tong
de stroeve rode peren en rabarber, de modder, het graniet?

.

zie je mij, zie je de fontein en het kasteel?
het wildebloemenveld en alles wat er is? zie je
jou en mij, en met je hoofd ver achterover:
de takken van de pruimenbomen tegen de blauwe lucht?

.

Poëtisch reisjournaal

Willem Brandt

.

Willem Simon Brand Klooster (1905-1981), was een Nederlandse dichter, schrijver, journalist en vrijmetselaar, die bekendstond onder het pseudoniem Willem Brandt. Hij was ook medewerker van een aantal literaire en culturele tijdschriften zoals Opwaartsche Wegen en De Vlaamse Gids.

Onder de naam Willem Brandt publiceerde hij vanaf 1937 tientallen boeken en bundels met thema’s uit de vrijmetselarij, Indonesië in het algemeen en het jappenkamp in het bijzonder. In 1927 vertrok hij naar Nederlands-Indië waar hij redacteur van de Deli Courant werd. Bij deze krant werkte hij zich binnen vijf jaar op tot hoofdredacteur. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam Willem Brandt in een Japans concentratiekamp terecht. Hij schreef er zijn bundel ‘Binnen Japansch prikkeldraad’.

In de bundel ‘Het land van terugkomst’ reist Willem Brandt terug naar Indonesië en de plekken waar hij voor en tijdens de oorlog verbleef. Er is niet heel veel Indische poëzie bekend. Ik schreef al eerder over ‘Album van de Indische poëzie’ en een stuk over Tj, A. de Haan en natuurlijk de poëzie van J. Slauerhoff maar als je dit afzet tegenover de tijd dat we Nederlands Indië kolonialiseerde, dan is het niet veel.

‘Hel land van terugkomst’ met als ondertitel ‘een Indonesisch reisjournaal in poëzie’ is precies wat het beloofd; een reisjournaal langs de plekken waar Brandt destijds leefde en woonde. De bundel vormt een afwisselend nostalgisch en ontroerend souvenir, herkenbaar voor toeristen die Indonesië aandoen voor een reis. Of zoals op de achterflap te lezen staat: Het land van terugkomst is een even teder als filosofisch document, geschreven door een auteur die in zijn vroegere poëzie de sfeer van het Oosten reeds meermalen pregnant en uniek gestalte gegeven heeft.

Uit de bundel gedichten met titels als ‘Stille kracht’, ‘Moesson’, ‘Hotel des Indes’, ‘De dessa’, ‘Medan’ en ‘Japans kamp’ koos ik voor het gedicht ‘Jakarta Kota’ (ook wel de oude stad genoemd) omdat daar voor mij heel duidelijk de sfeer van Jakarta naar voren komt.

.

Jakarta Kota

.

De houten schepen in de oude haven

liggen er nog als in de compagniestijd,

de ophaalbrug, wachthuis, getrapte gevels;

alleen de kooplieden, volumineus

in bombazijn met stoeten van bedienden

zijn uitgeteld door koorts, jicht en ’t graveel.

.

Op Pasar Ikan woelt het leven voort,

geruchtloos wemelen zachte javanen

door smalle gangen, bitterzoete geur

van zwarte koffie, rudjak, zoute vis,

nangka en durian, volgetaste warongs

dèngdèng en tjabé rawit, hot like hell.

.

O Tjalie Robinson, brave sabreur,

het is alsof ik hier in iedere steeg

je schim ontmoet, herrezen uit de zee

van Indonesië, en je stem kan horen

tegen het heimwee als ik weer moet gaan:

wassalam, oude Nimrod, pukul terus!

.

 

Je naam

Dubbelgedicht

.

Het is alweer even geleden dat ik een dubbelgedicht hier plaatste. Een dubbelgedicht zijn twee gedichten van twee dichters die qua inhoud of titel iets gemeen hebben. Zo ook de twee voorbeelden die ik vandaag aan elkaar wil koppelen. Het betreft hier twee gedichten waar je naam een belangrijke rol in speelt.

Allereerst het gedicht ‘Je naam ben ik vergeten’ van dichter Hans Verhagen (1939-2020). In zijn dichtbundel ‘Duizenden Zonsondergangen’ uit 1971 staat het gedicht ‘Je naam ben ik vergeten’ . Daartegenover wil het het gedicht ‘Mus’ zetten dat ik schreef en staat in mijn bundel ‘Zoals de wind in maart graven beroert’ uit 2012. Aan de ene kant is er de naam die vergeten is en aan de andere kant de naam die nooit meer vergeten zal worden. Een mooi thema voor een dubbelgedicht leek me.

.

Je naam ben ik vergeten

.

Ik heb geen naam,

ik heb geen kleren aan,

ik heb geen lichaam.

.

Ik heb jou,

jij hebt mij,

meer hebben we niet nodig,

En mocht je mij niet treffen,

zo zal het altijd zijn,

Maria Magdalena.

.

Mus

.

Ook als je echt zo heet
vergeet ik nooit je naam

.

hoe je wegdook
na een zachte streling van je wang
de rode blos tot diep
in je hals

.

je voorzichtige lach
die de ochtend deed smelten
tot een zee van tijd

.

de dagen dat ik je zocht
in veel te volle straten
en altijd weerkeerde
tot het plaats delict

.

je naam nog korter
dan mijn liefde was gegeven

.

als je echt zo heet

.

 

Côte d’Azur

Quirien van Haelen

.

Door een opmerking van Ionica Smeets in een van haar columns in de Volkskrant werd ik (weer eens) gewezen op het wonderlijke gedicht ‘Côte d’Azur’ van Quirien van Haelen (1981). Dit (halve) sonnet valt op door de vele witegels tussen de eerste twee strofes en de laatste strofe én door de opsomming van meisjesnamen. Eigenlijk is dit het ultieme vakantiegedicht. Dat het ook een slim, grappig en ideeënrijk gedicht is kun je heel goed lezen in de analyse van Guus Middag op Oote Oote .

Hoe dan ook is het een heerlijk gedicht om te lezen maar om er volledig van te kunnen genieten lees je eerst de analyse, zeer de moeite waard. En lees het vooral ook helemaal want aan het einde van de analyse blijkt maar eens te meer hoe moeilijk (sommige) redacteuren poëzie soms vinden als het gedicht uit zijn bundel ‘Testosteron’ uit 2008 wordt opgenomen in ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten’.

.

Côte d’Azur

.

Brigitte, Verona, Eva, Kim, Marieke
Aurora, Mäde, Tina, Claire, Yvon
Yolanda, Nina, Daisy, Sue, Manon
Martine, Lilly, Nancy, Annemieke

Justine, Maria, Ankie, Lindsay, Lieke
Adèle, Judith, Vera, Ann, Marjon
Yvette, Denise

 .

..
 .
 .

Het volgend jaar een busreis naar Lloret
Wellicht haal ik daar wél een heel sonnet

.

Het licht

Don Paterson

.

De in 1963 geboren Don Paterson is een Schots dichter, schrijver en (jazz) muzikant. Hij debuteerde in 1993 met de bundel ‘Nil Nil’ waar hij de Forward poëzieprijs won voor het beste debuut. In 1997 volgde zijn tweede bundel ‘God’s Gift to Women’ en daar ontving hij de TS Eliot Prize en de Geoffrey Faber Memorial Prize voor. Zijn gedichtenbundel ‘Landing Light’ (2003) won zowel de TS Eliot-prijs en de Whitbread Poëzieprijs 2003. Paterson is geen veelschrijver maar wat hij schrijft valt erg in de smaak.

Naast eigen dichtbundels was hij redacteur van ‘101 Sonnets: From Shakespeare to Heaney’ (1999) en stelde hij bloemlezingen samen van het werk van Robert Burns (2001) en de bundel ‘New British Poetry’ samen met Charles Simic (2004). Daarnaast schrijft hij literaire kritieken en aforismen.

Hoewel Don Paterson sinds het begin van de jaren negentig als schrijver werkt, verliet hij aanvankelijk de school om een ​​carrière in de muziek na te streven. Hij verhuisde in 1984 naar Londen, nam wat lessen van gitarist Derek Bailey en toerde, en nam muziek op, met Ken Hyder’s Talisker. Hij heeft ook toneelmuziek (en drama) geschreven voor radio en toneel, en een aantal verschillende jazz- en ‘straight’-ensembles.

Hij heeft ook enige tijd als recensent van videogames voor de Times gewerkt. Maar hij is ook geïnteresseerd in taalkundige en cognitieve benaderingen van ars poetica, en er komt een uitgebreid werk over poëtische theorie,  ‘The Poem: Lyric, Sign, Metre’ .

In 2005 nam samensteller Daan Bronkhorst het gedicht ‘Het licht’ van Paterson op in de bundel ‘Zo’n gelukkige dag’ Dichters voor Amnesty International. Het gedicht komt uit de bundel ‘In zo’n intieme ballingschap’ uit 2004 in een vertaling van Jan Eijkelboom.

.

Het licht

.

Toen ik het bed bereikte was hij al blind.

Dertien jaren gingen voorbij, toch was mijn geest

nog even donker als op de dag van mijn wijding.

Nu was ik schaamteloos. Ik vroeg hem om het licht.

‘Is ons dat niet geleerd, dat alles ijdel is?

En besefte je niet hoe waar dat is?

Er is geen licht, domoor. Dringt dat nu tot je door?

En hij lachte, en verliet ons toen. Ik was gebroken.

.

Ik ging naar mijn kamer om mijn spullen in te pakken,

mijn bedelnap, mijn mantel en kom; de bidmat

wilde ik achterlaten. Die nacht daar, rafelig en omlijst

in een vierkante late zon. En puur uit gewoonte-

nee, minder, uit niets want ik was het niet meer-

zag ik mijzelf zitten voor één laatste keer.

.

 

Eerst komt het wachten

Judith Herzberg

 

In het redactionele stuk van Aimée Kiene in het Volkskrant Magazine van afgelopen zaterdag, haalt ze een gedicht aan van Judith Herzberg (1934), naar aanleiding van een fotoreportage in het Magazine over jongeren in Antwerpen. Degene die mij vaker leest weet dan dat ik, bij dit soort verwijzingen, onmiddellijk op zoek ga naar de bron en de hele tekst.

In dit geval citeert Aimée de hele tekst want het gedicht ‘Eerst komt het wachten’ van Judith Herzberg is kort maar krachtig. Herzberg is voor mij de koningin van de korte en krachtige poëzie. Niet voor niets beschouw ik haar gedicht ‘Vraag‘ als het ultieme gedicht. In drie korte zinnetjes een verhaal vertellen waarbij elke lezer een andere invulling heeft. Dat is voor mij het verdichten van de taal.

Maar het gedicht ‘Eerst komt het wachten’ dus. Het gedicht komt uit de bundel ‘Zoals’ uit 1987 waarin, volgens Aimée Kiene: “naar mijn idee met weinig woorden heel precies beschrijft wat jonge Europeanen aan het doen zijn in de fotoseries van onze fotografen”. Ik had het niet treffender kunnen zeggen.

.

Eerst komt het wachten

.

Eerst komt het wachten, het verheugen,
leunend tegen lage muurtjes,

.

dan komt het voorgevoel van
hoe-nu-verder

.

daarna het hoe-nu-verder
zelf.

.

                                                                                                                                         Foto Sanne De Wilde

Poëzieroute Waalwijk

Froukje Vos

.

De stichting DichterBijWaalwijk is in 2016 opgericht door Jozef Mahieu, Marian Mahieu-Stokwielder en Mathieu Mertens en werkt samen met de bibliotheek Waalwijk. De stichting organiseert allerlei poëzie activiteiten in en rond Waalwijk waaronder een gedichtenwedstrijd en een poëzieroute. Inmiddels hangen er in Waalwijk, Waspik en Sprang Capelle zo’n 34 gedichten in de openbare ruimte van verschillende dichters. Een groot deel ken ik maar een groot aantal ook niet.

Namen als Hein van der Schoot (oud winnaar van de gedichtenwedstrijd van poëziestichting Ongehoord!), Annette Akkermans, Erika Destercke en Gerardo Insua Teijero zijn vertegenwoordigd in de lijst. Uiteindelijk wil de stichting 50 gedichten in de openbare ruimte aanbrengen als onderdeel van de poëzieroute. een nobel streven lijkt me.

Op de website van de stichting is de route te zien en waar welk gedicht zich bevindt. Froukje Vos won in 2019 de gedichtenwedstrijd van stichting DichterBijWaalwijk met haar gedicht ‘de muze’. Haar gedicht heeft een plek gekregen bij het Galgenwiel in Waalwijk.
.

de muze

.

ergensverloor zij iets

wat dierbaar was, ergens

ze zocht en zocht

en vergat

.

totdat zij het ruisen hoorde

het ruisen van de bomen, dichtbegroeid,

het water van het wiel, dat zich langzaam

opent en weerspiegelt

ze riep en riep: “vertel mij wie ik ben”

.

aarzelend, zachtjes

en de geur van hout bracht beelden mee

strooide woorden in een vergeten wereld

glinsterend, laag voor laag, grenzeloos

op alle uren van de tijd

.

Stemmen van Schrijvers

Dichters en muziek

.

Aan het eind van jaren vijftig begon het – toen nog – Letterkundig Museum samen met uitgeverij Querido aan de productie van een reeks grammofoonplaten met als titel ‘Stemmen van Schrijvers’. Het museum bestond toen nog niet zo lang, en was bezig om te onderzoeken waaruit precies de verantwoordelijkheid bestond. Er werd geïnventariseerd, verzameld, schrijvers werden uitgenodigd hun handschrift in te sturen – en er werd vastgelegd hoe schrijvers klonken. Het initiatief hiertoe kwam vanuit Querido. Het zijn keurige voordrachten, van een kleine veertig schrijvers en dichters, van Leo Vroman tot Sybren Polet, Gerrit Kouwenaar tot Hans Andreus en Anna Blaman tot Cees Nooteboom. Er was één uitgeverij die het idee overnam: De Bezige Bij, in samenwerking met Philips.

Het werd geen lange reeks want maar vier platen maakten Philips en De Bezige Bij, terwijl Querido en het Letterkundig Museum er twintig produceerden. Philips maakte nog wel wat singletjes met voorlezende dichters. Literaire werk aanvullen met muziek was echter bewerkelijk, en het zou in de jaren daarna ook niet zo veel meer gebeuren. De redenen daarvoor zijn eenvoudig, zo zijn de productiekosten voor een goede opname hoog, en er viel met de verkoop van voorlezende dichters onvoldoende te verdienen om de investering terug te verdienen. Bovendien bleek radio een geschikter medium voor de schrijver dan de grammofoonplaat.

Toch waren deze platen wel de voorlopers van de performances van dichters na hen. Zo werd Bert Schierbeek op zijn EP begeleid door Hans van Zutphen achter de piano en Ferdi Posthuma de Boer op drums. Hugo Claus werd zelfs ondersteund door het Trio Pim Jacobs. Ook bij hen werkte dat uitstekend, jazz past goed bij het werk van de experimentele dichters. Er was bij vlagen daadwerkelijk sprake van samenspel of een

Veel bekende dichters dus die meededen. Ik heb gekozen voor Hugo Claus (1929-2008) want de ongepolijste Hugo Claus en de gladde Pim Jacobs, ik zie het helemaal voor me. Het gedicht ‘ Visio tondalis’  werd door Hugo Claus en Erik Voermans op muziek gezet en hier kun je het gedicht lezen. Het gedicht verscheen in de bundel ‘ De geverfde ruiter’  uit 1961.

.

Visio tondalis

.

Uit het valeland naar de borstelige lucht duwt een engel
De verraste ziel bij de billen
In een ei van licht.

.

Een gehelmde zot met een slak op zijn kop
Schiet wortels in de modder.

.

Niet in de spiegel met de slang kijkt het wijf
Maar naar de krijger in zijn kot.

.

Kat en varken roosteren een oor,
Torens branden, hoor het krijsend koor!

.

Lust, een monnik met een pin in zijn pij van spijt,
Wordt in de takken vermaledijd.

.

Met vlerken van korenaren zoekt de vlinderrat
Naar aas en het aars van een duif.

.

Oker is de aarde en doorkrabd met sporen en hoornen.

.

Daar klimt in een geldbeugel een klerk
Met spaarzame knieën. Zweepdieren besmetten de kerk.

.

Gulzig eten wij hagedissen, padden eten aan ons,
De zonde is een donkere zon.
(Ik zoog haar binnen met de melk voor het gebed;
Verdrogend bij de enkels
Naderden buidelwijven mijn jankend bed.)

.

Een kleurloos gewoeker bijt aan het gebouw der rede,
Kennis roert en wroet aan het gebeente.

,

Halsstarrig blijven de torens en de kooien branden
In vlammen en vlooien.

.

Geen boot in het suizende water.

.

Opgeblazen door kerkmuis en uil
Zit een ketter gesperd op een mes
En schuift het klokhuis van zijn buik
Over het ongenadig lemmer, het kruis.

.

Eieren breken, keien krijgen een muil in het kruid.
Een kakkerlak graaft in een kist,
Een kater likt aan de galg, een kalf verdrinkt in het lis.

.

Iedereen in zee, niemand aan de kant,
Dit is mijn moederland.
Adem wordt wind, kwijl wordt slijk
En naar mijn voeten toe groei ik
Ritselend in ijzer en ijs.

.

 

Audit

Iduna Paalman

.

Toen ik het gedicht ‘Audit’ van Iduna Paalman (1991) las in haar bundel ‘De grom uit de hond halen’ uit 2019, dacht ik twee dingen. Allereerst de titel van de bundel, die komt in dit gedicht als regel voor. Ik zie het graag als dichters een regel of een woord uit een gedicht nemen voor de titel van een bundel (zelf verschillende keren gedaan). De andere observatie was die van de auditor. Iedereen die weleens een auditor over de vloer heeft gehad weet ongeveer wat hem of haar te wachten staat. Aan de ene kant is het gedicht grappig herkenbaar en aan de andere kant vraag ik me af of een riskmanager die een audit zelf de problemen gaat oplossen. Maar dat is dan weer het mooie van literatuur (en poëzie) daar is alles mogelijk. Ik vind dit gedicht in ieder geval erg verfrissend en lekker leesbaar.

.

Audit

.

Er bestaat een groep riskmanagers, ik ben er een van. We komen graag
samen in een huis met gematteerde ramen, taxeren de dreigingen, verdelen
ons zorgvuldig over de straten.

.

Al op de eerste hoek weet ik een schaafwond uit een tegel te schrapen,
een clash uit een auto, een grom uit een hond. Botten bevrijd ik
van hun prematuur gevormde breuken, parkeergarages
van hun diep in de staalconstructies verscholen rekenfouten.
Uit een vrouw verwijder ik het weggaan, uit het kind
de vroegtijdige verlating.

.

Van wat pijn lijdt en kouvat neem ik de besmetting weg. Ik repareer
wat harig schuurt, roestig drupt, weerloos naakt op de akker staat.
Kompasnaalden in zakken van traag volgezogen jassen, stikgevaar
in stilstaande adem, de onderstroom in vreemde gangen, sluizen
in manieren van praten

.

’s avonds rapporteer ik: alles wat misging is voorkomen, alles wat
jankte kan rustig gaan slapen.

.

                                                                                                                                                                                              Foto: Marianne Hommersom
%d bloggers liken dit: